ColumnSylvia Witteman

Om niet met lege handen naar huis te hoeven kocht ik een paar fietslampjes, want die komen, net als sokken, altijd van pas

null Beeld

De boog kan niet altijd gespannen zijn; daarom had ik voor het eind van de middag een ‘winkelafspraak’ geboekt bij de Hema. De mensenvriend bood een interessante ‘limited edition’ aan: Tompouce-bier.

De roze-gele blikjes, ‘brewed with vanilla & raspberry, a smooth milkshake blonde with layered sweetness and a fruity finish’ lachten me vanaf de website tegemoet. Ik drink zelden bier, en ook van tompoucen word ik niet warm of koud, maar nieuwsgierig was ik wel. Bovendien, in deze onleuke tijden is zelfs een suf uitstapje al gauw leuk genoeg.

Vervuld van voorpret betrad ik de volkstempel op het afgesproken tijdstip. Die ‘afspraak’ bleek een wassen neus, want niemand sprak me aan of keurde me zelfs maar een blik waardig; ik kon zo doorlopen. Waar was dat bier?

Achter in de winkel stonden twee jonge verkopers, een lange jongen en een klein meisje. ‘De oplossing van het raadsel ligt buiten ruimte en tijd, je weet toch’, zei de jongen. ‘O, jij moet weer zo nodig Wittgenstein erbij halen’ antwoordde het meisje lachend. Het was geen voor de hand liggende conversatie, daar tussen de oranje feestartikelen.

‘Weten jullie waar ik het tompouce-bier kan vinden?’, wierp ik de jonge filosoofjes lomp voor de voeten. ‘U bent al de zoveelste’, zei het meisje. ‘Het was om 11 uur al uitverkocht...’

Terwijl ik afdroop dacht ik aan Ludwig Wittgenstein. ‘Als de leeuw kon spreken zouden wij hem niet kunnen verstaan’, zei die eens. Een rare opmerking, want leeuwen kunnen wel degelijk spreken, namelijk met elkaar, in het Leeuws. Dat verstaan wij inderdaad niet, maar dat is logisch, want we verstaan, bijvoorbeeld, de Chinezen ook niet. Nee, die Ludwig lulde maar wat.

Om niet met lege handen naar huis te hoeven kocht ik een paar fietslampjes, want fietslampjes komen, net als sokken, altijd van pas. Achter de kassa zat een taartig dikke blondine van een jaar of 60, met een goedhartig poezengezicht. Aan de kassa naast haar wilde juist een beige jongen plaatsnemen, met zwarte krullen en een ernstige bril. In zijn hand had hij een gevuld tupperwarebakje. De blondine keek er naar.

‘Mot je geen ramadan doen, Yassin?’, sprak ze op hoge toon in sappig Amsterdams. ‘Jawel’, zei Yassin kalm. ‘Wat mot je met die bak eten dan?’, vroeg de blondine treiterig. ‘Mens, dat is niet voor mij’, zei Yassin. ‘Dat zijn koekjes. Heeft mijn moeder meegegeven voor Emma. Waar bemoei je je mee, ouwe heks?’ Lachend stompte hij haar tegen haar schouder. Ze kneep haar poezenogen genoeglijk dicht. ‘Is goed, jongen’, zei ze. ‘Als je de boel maar niet belazert’.

Even later stond ik weer buiten, zonder bier.

Maar het was toch een vrolijk uitstapje geweest.

Meer over