Het eeuwige levenJustine Borkes (1943-2021)

Om het even als dichter, Dolla Mina of doelvrouw: feminist Justine Borkes liet zich door niemand de les lezen

Roodkapje was bij haar steevast een jongetje. En Peter Pan noemde ze Petra Pan. Behalve een fanatiek feminist was Justine Borkes dichter en criticaster.

Justine Borkes  Beeld
Justine Borkes

Als vaste briefschrijver in de Volkskrant mocht ze eind december nog terugkijken op 2020. ‘Onze naam wordt ons nog steeds ontstolen. Zolang de vernoeming niet langs de vrouwelijke lijn verloopt, met als tweede naam die van de man, verdwijnen vrouwen nog steeds massaal van de radar.’

In 2018 viel ze hoofdredacteur Philippe Remarque aan op het feit dat abonnees op de papieren krant de extra online informatie in de pinksterdagen niet kregen. Remarque antwoordde in zijn hoofdredactionele column: ‘De artikelen uit die extra pinkstereditie staan grotendeels dinsdag in de papieren krant. De schade valt dus reuze mee. Tussen Justine en mij is het weer goed.’

Haar laatste brief verscheen 2 februari van dit jaar. ‘Dichteres. Wat bezielt de Volkskrant, die zich toch graag afficheert als ultraprogressief, om Lieke Marsman voor te stellen als Dichteres des Vaderlands (Dag In Dag Uit, 30/1)? Is Daan Roovers de Denkeres of Denkerin des Vaderlands? Worden wij ook weer in de kast gestopt?’ Een week na deze brief werd ze in het ziekenhuis opgenomen met uitgezaaide alvleesklierkanker. Zondag 28 februari verhuisde ze naar een hospice, waar ze 3 maart overleed. Behalve vele brieven aan deze krant, en ook De Gelderlander, laat ze 15 dichtbundels na. Daarin was ‘bindingen’ het sleutelwoord.

‘Zonder bindingen zijn we niemand en nergens. Dichten was haar passie maar de wetenschappelijke kant van de dichtkunst interesseerde haar ook’, zo stond op het bidprentje. Een essay: Over het interpreteren van gedichten, was zo goed als klaar en zal later worden uitgegeven.

Geen meisje-meisje

Justine Borkes was de derde in een gezin van zes kinderen uit Zevenaar. Haar vader was bakker. Haar moeder kwam uit het oud-adellijke Gelderse geslacht van Heeckeren van Brandsenburg. Op jonge leeftijd liet ze al zien geen meisje-meisje te zijn. ‘Met voetbal stond ze op doel en kon dan zo verschrikkelijk vloeken dat mijn vader afstand nam om het niet te horen, zegt haar jongere zus. Van jongs af was ze wars van opsmuk en luxe. Ze maakte geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Zij kende alleen mensen.

Na het gymnasium in Arnhem studeerde ze aan de opstandige Nijmeegse universiteit van de jaren zestig Nederlands en filosofie. Ze sloot zich daar al aan bij de Dolle Mina’s en rookte demonstratief sigaren. Ze zou zich haar hele leven blijven inzetten voor vrouwenrechten.

Onbuigzaamheid

Hoewel ze verschillende relaties had, bleef ze alleen. Dertig jaar lang was ze actief in het onderwijs – met name het avondonderwijs voor volwassenen. Ze was niet iemand die zich door anderen de les liet lezen, zegt haar zus. ‘Integendeel, zij deelde de terechtwijzingen uit’. Met haar onbuigzaamheid vervreemdde ze zich soms ook van andere mensen, onder wie haar familie.

In 1978 publiceerde ze haar eerste dichtbundel, Liefde kan samengaan. ‘Gedichten overkomen je’, zo zei ze. Midden in de nacht kon bij haar het kwartje vallen en dan schreef ze haar gedachten op. De volgende dag bleek dan dat het een gedicht was:

‘overal waar ik

kijk zie ik een

gelukkig mens

in de spiegel’

Zoals alleen een dichter het kan, zei ze in het hospice; ‘Ik ben ‘doodgelukkig’, de cirkel is rond....’

Meer over