ColumnAaf Brandt Corstius

Nu zat ik op het terras en lachte mezelf van een paar weken geleden uit

null Beeld

Met een vriendin had ik afgesproken om te gaan wandelen met koffie. Natuurlijk gingen we wandelen met koffie. We wandelen allemaal al een jaar met koffie. De vorige keer dat ik met haar ging wandelen, wandelden we door de stromende regen met koffie. Nu gingen we door de lentezon wandelen met koffie.

Toen ik naar haar toe fietste, zag ik ineens mensen die op stoeltjes zaten, aan kleine tafeltjes, waarop kleine drankjes stonden. In de zon. Andere mensen liepen af en aan om ze van die drankjes te voorzien. Eén man die ik aan zo’n tafeltje zag zitten, richtte zijn gezicht naar de zon en rekte zijn armen wijd uit, alsof hij de zon omarmde, of de wereld, of het universum. Ik begreep die man. Hij zat op een terras in de zon in de mooiste stad op aarde, en hij werd van drankjes voorzien.

De vriendin stond al klaar met haar wandelgympen aan, en ik zei: ‘Misschien kunnen we onderweg even stoppen bij een terras. Hoeven we een keer geen koffie af te halen.’

We stopten honderd meter verder bij een terras en bestelden twee glazen wijn. Toen gingen we weer wandelen. Of: wandelen was het eigenlijk niet te noemen. We zetten tien stappen en stopten toen weer bij een terras en bestelden weer twee glazen wijn. En dingetjes om op te eten.

Het rare met terrassen en winkels is: als ze potdicht zijn, mis je ze niet. Niet echt. Sterker nog, ik hoorde mezelf in de Tijd Dat Alles Dicht Was steeds dingen zeggen als: ‘Geef mij een laken en een fles wijn, en ik maak mijn eigen terras. Op de grond in het park!’ Met licht dedain dacht ik in die tijd aan de vrouw (ikzelf) die zo verwend en lui was geweest dat ze, elke keer als er een zonnestraal gloorde, meteen op een terras wilde zitten om daar voor te veel geld kopjes koffie te bestellen.

Die vrouw was ik in mijn diepste wezen niet, was het afgelopen jaar gebleken. Ik was juist een vrouw die door weer en wind eindeloos door straten met winkels met dichte rolluiken kon wandelen, en al dankbaar was als ze daarbij een papieren beker met enigszins warme koffie mocht vasthouden. Zó’n vrouw was ik.

Maar nu zat ik op het terras, we maakten foto’s van elkaar en van de hapjes, we keken naar de andere mensen, die allemaal hetzelfde aan het doen waren, en we lachten onszelf van een paar weken geleden uit. ‘Dat we echt van plan waren om weer te gaan rondstampen met koffie.’

En de rondstampers met koffie van een paar weken geleden lachten ons uit. Iedereen was tevreden.

Meer over