ColumnSylvia Witteman

‘Nooit doen, een geit nemen. Dat is sméken om ellende’

null Beeld
Sylvia Witteman

‘Marktzicht’ heet het café, een weinig geïnspireerde naam, maar er is geen woord aan gelogen. Het was net opgehouden met regenen, en op het terras zaten twee mensen, een man en een vrouw.

De vrouw was 30 en nogal mooi, met donkerbruin haar en felblauwe ogen die oplichtten in het het schrale zonnetje. De man was 60 en vertoonde de sporen van een bourgondische levensstijl. Hij had een rul, vlezig gezicht, rode ogen die traanden in de koude wind en een jas die zo krap om zijn buik zat dat de knoopsgaten vervaarlijk scheef trokken. Naast hem, aan de gevel van Marktzicht, hing, heel toepasselijk, een zeker 50 jaar oude reclameplaat voor Parade vieux (een soort goedkope nep-cognac) met de indertijd gevleugelde slogan ‘Pa pakt parade’ (in de volksmond aangevuld met ‘en ma betaalt’).

’Dus ik zat te denken om een geit te nemen’, sprak de vrouw. ‘Dat lijkt me zo leuk voor Luukje. We gingen altijd naar de kinderboerderij in het Amsterdamse Bos en hij was niet weg te sláán bij die geitjes. En nu, in Krommenie, hebben we eindelijk een tuintje. Dus ik dacht...’

‘Ik zou het niet doen’, sprak de man bezwerend. ‘Nooit doen, een geit nemen. Dat is sméken om ellende.’ Verbaasd keek de vrouw hem aan, en ook ik, achter mijn krant, vroeg me af wat voor soort ellende je van een geit kunt hebben. Wij hadden er vroeger een in de tuin van mijn ouderlijk huis. Zij at gras en bemoeide zich met haar eigen zaken. Ik weet niet eens meer hoe ze heette.

‘Hele verhalen kan ik je vertellen’, hernam de man. ‘Meid, je hebt geen idee’. Hij stak een sigaret op. ‘Hè oom Ben, je maakt er nét een uit’, zei de vrouw bestraffend, maar hij maakte een gebaar alsof hij een vlieg wegjoeg, inhaleerde diep, en blies geërgerd de rook uit.

‘Ik bedoel zo’n kleintje hè’, zei de vrouw. ‘Een dwerggeitje.’ Ze hield haar vlakke hand zo’n 50 centimeter boven de stoeptegels. De man schudde fel zijn hoofd. Zijn wangen trilden ervan. ‘Die kleintjes, dat zijn de ergste’, sprak hij dreigend. ‘Breek me de bek niet open.’

Ik was inmiddels enorm benieuwd naar de wandaden van dwerggeiten. ‘Maar oom Ben’, zei de vrouw. ‘Wat weet jij nou van geiten? Je woont toch al je hele leven twee hoog aan het Hugo de Grootplein?’ De man knikte. ‘Mijn opa had geiten’, vervolgde hij. ‘Mijn opa in Lisse. Weet je wat ze doen? Ze vreten van je kleren. Gewoon, waar je bij staat.’

‘O!’, zei de vrouw geschrokken. ‘Nou, dan maar beter van niet.’

Meer over