Nietzsches vrolijke wetenschap

Wetenschappers zijn te veel bezig met het zoeken naar die ene waarheid. Ze gaan voorbij aan het bestaan van meerdere waarheden naast elkaar....

'IK REALISEER me dat ik mij op glad ijs begeef en dat ik deelneem in een systeem dat ik eigenlijk verwerp. Misschien is mijn proefschrift dan ook meer een roman dan een stapje op weg naar De Waarheid', zegt dr. Niels Helsloot. Gisteren promoveerde de taalkundige en filosoof aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op een onderzoek naar de wetenschapskritiek van Friedrich Nietzsche.

In navolging van zijn negentiende-eeuwse collega komt Helsloot tot de conclusie dat het zoeken naar één waarheid een heilloze weg is en leidt tot geestelijke en intermenselijke armoede.

Helsloot: 'Er bestaan duizenden waarheden die alle een betekenis hebben voor de personen of de groep van personen die in die waarheid geloven. Het is aanmatigend om je eigen waarheid als de enige ware te willen beschouwen en die van anderen te willen weerleggen. Daarmee sluit je je af voor nieuwe ideeën en ontwikkelingen.'

De huidige wetenschapsbeoefening stoelt op de gedachten van wetenschapsfilosofen als de twintigste-eeuwse Karl Popper. Daarin staat het begrip falsificeerbaarheid centraal. De wetenschapper wordt geacht voortdurend experimenten te bedenken en uit te voeren waaruit kan blijken dat zijn waarnemingen en theorieën niet kloppen. Als al dat onderzoek de theorie niet blijkt te kunnen weerleggen, dan is deze waar. Of feitelijker: dan is ze niet onwaar.

Helsloot: 'Nietzsche ging verder dan het ter discussie stellen van theorieën of bevindingen; hij twijfelde aan de methode van wetenschapsbeoefening zelf. Wat nu, zo vraagt hij zich in zijn geschriften af, als de methode zelf niet klopt? Nietzsche was overigens geen filosoof, maar taalkundige. Een filoloog die zich bezighield met het interpreteren van oude teksten.'

De filologie was, aldus Helsloot, in de periode voor Nietzsches geboorte (in 1844) de eerste discipline die zich had losgemaakt van de filosofie en de theologie en met modellen werkte: een te volgen standaard-methode om teksten te interpreteren. Nietzsche ging zich allengs meer verzetten tegen deze filologische modellen en daarmee ook tegen de uitkomsten daarvan - de waarheden over de oude Griekse en Romeinse teksten.

Helsloot, zelf filoloog, deelt de kritiek van Nietzsche op de filologie. Zijn argwaan ten aanzien van het, zijns insziens, hoogst speculatieve karakter van de tekstuele ontleedkunde en de interpretatie van de eraan ten grondslag liggende gedachtenwereld van reeds lang overleden schrijvers, inspireerde hem tot de gedachte een proefschrift over de lach te schrijven.

Hij vroeg zich af hoe de gangbare taaltheorieën met het fenomeen lachen omgaan. Tijdens zijn speurtocht stuitte hij op teksten van Nietzsche - onder meer het boek De vrolijke wetenschap uit 1882.

Hierin stelt Nietzsche het onvoorwaardelijk streven naar zekerheid aan de kaak. In feite vloeit dat streven voort uit angst voor het onzekere, het onbekende. Die angst en de daaruit voortkomende scepsis sluiten de onderzoeker af voor nieuwe ideeën, nieuwe ervaringen en leiden tot een vasthouden aan gedroomde zekerheden.

Lachen, en dat is het verband met Helsloots oorspronkelijke studie-onderwerp, is een manier om met onzekerheid om te gaan. Lachen relativeert niet alleen angsten, maar dient, wanneer het tot uitlachen wordt, ook als middel om het onbekende buiten te sluiten.

Nietzsche stelt dat er niets natuurlijker is dan dat ideeën veranderen, zoals kinderen hun eigen denkwereld los van die van de volwassenen ontwikkelen. In dit verband gebruikt Nietzsche het woord Übermensch dat, aldus Helsloot, door de nazi's is misbruikt.

'Door toedoen van Nietzsches zuster werden zijn teksten ingezet voor het nationaal-socialisme. Übermensch was een term die Nietzsche gebruikte voor degene die na de mens, na ons, komt: het kind. Een lid van de volgende generatie, die onze waarheden in volkomen onschuld door een nieuwe waarheid vervangt.'

Het stoort Helsloot dat de huidige wetenschap niet in staat is met meer waarheden tegelijk te leven. In de menswetenschappen is het meer geaccepteerd dat er niet één waarheid is, ook al denken sommigen dat dit vooral komt doordat we de geschiedenis niet helemaal kennen of doordat de menselijke en maatschappelijke interacties zo ingewikkeld zijn. In de natuurwetenschappen is het zoeken naar De Waarheid - zoals naar de unificatietheorie die alle natuurkundige krachten in één model moet onderbrengen - wel gebruikelijk.

Helsloot: 'We lachen nu om de alchimisten die in de Middeleeuwen goud probeerden te maken. Dat lachen ontneemt ons de mogelijkheid te zien dat ook zij met iets betekenisvols bezig waren. Wat de alchimisten in hun glazen kolven zagen, was misschien geen goud. Of misschien toch. Ook in de Middeleeuwen was er een 'wetenschappelijk' bouwwerk, een wereldbeeld waaraan voortdurend werd gebouwd. Dat is echter volledig ingestort, vinden we nu.

'Het is verbazingwekkend en arrogant om te denken dat het bouwwerk waar we nu aan bouwen, en waarvan de ene steen precies past op de andere, beter is dan het Middeleeuwse. Het fundament ervan, het bewijs dat de methode volgens welke dat bouwwerk is opgebouwd, klopt, ontbreekt immers. Het valt ook niet te bewijzen dat de gebruikte wetenschapsmethode de enige juiste is.' Helsloot noemt het voorbeeld van de geneeskunde, waar conventionele en alternatieve genezers lijnrecht tegenover elkaar staan.

'Het vasthouden aan het eigen gelijk, de eigen waarheid, blokkeert de discussie volledig. Daardoor is men niet in staat de bruikbare elementen uit elkaars waarheid op te pikken. Het is een beperking van de wetenschap als je daar niets mee kunt. Er blijft genoeg reden voor wetenschappelijk debat, maar niet voor het onderuit halen van de waarheid van de ander.'

Helsloot ziet de wetenschap verworden tot een steeds specialistischer aangelegenheid. Van onderzoekers die, in hun speurtocht naar De Waarheid, zich terugtrekken op een steeds kleiner eiland en de aansluiting met de bevolking verliezen. 'De wetenschap wordt enorm eenzijdig, rationalistisch. Daarmee verarmt zij niet alleen, maar vervreemdt zij zich ook van de bevolking.

'Mensen gaan daarom liever naar een pretpark dan naar school. Mensen hebben behoefte aan verhalen. Die levert de wetenschap steeds minder. Het is een misvatting te denken dat meer kennis leidt tot betekenisvollere discussies. Dat de oude Grieken, of prehistorische families minder betekenisvollere relaties hadden dan nu, valt niet hard te maken. Hoogstens was de inhoud van hun gesprekken anders.'

Daarom pleit Helsloot voor een opener houding van de wetenschap en een relativering van de eigen inspanningen. Kortom, een vrolijker wetenschap. Hoe dat precies vorm moet krijgen, weet hij niet. Want zeker in de exacte diciplines is het wetenschappelijk artikel, beoordeeld door vakgenoten, hét communicatiemiddel. En dat systeem leidt per definitie tot een tendens naar één waarheid.

'Zelfs als je op zoek bent naar die ene waarheid, is het nuttig meer plaats te geven aan afwijkende visies', stelt Helsloot. 'Die kunnen immers nieuwe perspectieven op die ene waarheid openen. Er is eenvoudig geen criterium of maatstaf om onderscheid tussen goed en fout of waar en onwaar te maken. Dus moeten we ophouden te denken in termen van waarheid. Dat maakt het mogelijk waarheden, inclusief die van de natuurwetenschappen, als boeiende verhalen te beschouwen zonder daarmee eventuele boeiende alternatieven te hoeven verwerpen.'

Meer over