NIETS VERANDERD

ATTENTIE! Hier volgt iets bijzonders, namelijk een column die niet over Kosovo gaat...

Een strijdbaar humanisme, dat was wat Paul Cliteur in het vooruitzicht stelde toen hij in 1993 aantrad als voorzitter van het Humanistisch Verbond (HV). Daarna werd het angstwekkend stil rond de polemische filosoof, die pas weer een heldere humanistische - en atheïstische - boodschap begon uit te dragen toen hij enkele jaren later zijn bestuursfunctie had neergelegd.

Waarom hij zo stilletjes opereerde, wordt duidelijk uit een beschouwing die Cliteur voor het maartnummer van het humanistische tijdschrift Rekenschap schreef. Een voorzitter van het HV die in het openbaar spreekt, zo legt hij uit, moet rekening houden met een zeer diverse achterban. Met boeddhisten die vooral in oosterse spiritualiteit geïnteresseerd zijn, met postmoderne denkers die uit principe alle principes afwijzen, met ouderwetse vrijdenkers, met linksige actievoerders, met vage figuren die humanisme gelijkstellen aan totale tolerantie.

De verleiding is groot om al die mensen te plezieren door vrijblijvende verhalen af te steken. Dat is, zegt Cliteur, ook datgene wat vroeger de grote man van het Verbond, mede-oprichter Jaap van Praag, in feite heeft gedaan. Van Praag was een man van consensus, iemand die wilde bemiddelen tussen allerlei stromingen en dermate ruimdenkend was dat hij zowat alles met het humanisme verenigbaar achtte.

Dat vrijblijvendheid het grote manco van het vaderlandse humanisme is gebleven, blijkt uit het pas verschenen boek De menselijke maat, dat een humanistische visie zou moeten presenteren op de menselijke beschaving na 2000. De bundel opent met een uitvoerig essay van de hoogleraar praktische humanistiek Kunneman. De ingewijden weten dat dit even doorbijten betekent.

Kunneman pleit voor 'een zoektocht naar contextgebonden antwoorden op de inhoudelijke vragen die voortspruiten uit de interferentie van systeemeisen, geïndividualiseerde bestaansprojecten en specifieke vormen van maatschappelijke verantwoordelijkheid'. Hij ziet niets in het formuleren van duidelijke normen en waarden, maar geeft wel hoog op van het 'recht op onafgestemdheid' en 'sensibiliteit voor het onzegbare'. Cynisch commentaar lijkt hier overbodig.

Grappig is ook de bijdrage van Dieuwertje Bakker over humanistische opvoeding. De docente agogische wetenschappen constateert eerst dat humanistische opvoeders vaak niet toekomen aan de vraag welke waarden en normen zij moeten overdragen. Na veel omwegen komt Bakker tot de conclusie dat dit eigenlijk helemaal niet erg is. Opvoeders moeten niet hun eigen opvattingen willen opdringen aan nieuwe generaties. Nee, zij moeten bestaande praktijken onderzoeken en kijken wat daarin plaatsvindt en meegedeeld wordt. Wenselijk is een contextuele benadering, waarin steeds nieuwe betekenissen ontstaan.

Je moet na lezing van dergelijke passages onwillekeurig even huiveren bij de gedachte aan de toekomst van humanistische kindertjes die geen waarden en normen krijgen overgedragen, maar door hun ouders contextueel worden benaderd.

Waarom maak ik mij eigenlijk druk om de nietszeggendheid van een mini-organisatie met een ledental van zo'n vijftienduizend, onder wie nogal veel bejaarden? In de eerste plaats omdat ik het oprecht jammer vind dat het Nederlandse humanisme zo weinig voorstelt en vooral Kunneman-achtige wartaal produceert. In een samenleving waar het christendom steeds minder invloed heeft, zou een krachtig humanistisch alternatief voor nihilisme (en de islam) van waarde zijn. In de tweede plaats omdat het Humanistisch Verbond geen stelling heeft genomen tegen de levensbeschouwelijke apartheid die wij hier verzuiling noemden, maar zich juist zelf tot een zuil heeft ontwikkeld. Met een eigen omroep, eigen leerstoelen, ja zelfs een eigen universiteit, waar men niet precies wil of kan aangeven waar de zesjarige studie humanistiek goed voor is.

Hoewel de aanhang van het het HV buitengewoon klein is, pretendeert het Verbond wel zo'n beetje namens alle onkerkelijken te spreken en eist daarom ook forse bedragen van de overheid om de eigen activiteiten te financieren. Een resultaat van het apartheidsstreven is een eigen organisatie voor ontwikkelingssamenwerking, die slechts op de been wordt gehouden door overheidssteun. Zo betaalt de Nederlandse belastingbetaler humanistisch zendingswerk van een groepje grijsaards, dat weigert duidelijk te maken wat er typisch humanistisch is aan hun inspanningen.

Mijn eerste Volkskrant-column, op 5 september 1990, handelde over het vreemde verschijnsel van dergelijke verzuilde ontwikkelingssamenwerking. Een kleine negen jaar later, in mijn laatste Volkskrant-column, kan ik mijn betoog woordelijk herhalen. Er is praktisch niets veranderd.

De conclusie zou dus kunnen zijn dat het allemaal weinig uitgehaald heeft, dat geschrijf van mij. Maar toch is het, geloof ik, niet helemaal onopgemerkt gebleven. En het was leuk om te doen.

Meer over