Niet alleen maar afknijpen

Jongens met een strafblad kunnen bij Defensie stage lopen om te ontsnappen aan de criminaliteit. ‘Billen naar beneden, piemel in het zand.’..

tekst AIMÉE KIENE fotografie JOOST VAN DEN BROEK

Op de Leusderheide bij Soesterberg maakt wachtmeester Boer een ronde langs de camouflagetentjes, die in twee rijen staan opgesteld. Het is nog donker. De tenten komen tot haar knie. ‘Ik ga nu je rits openmaken’, zegt ze tegen het tentdoek. ‘Daarna moet je meteen opstaan.’

Slaperige jongens in boxershort rollen naar buiten. Rillend hollen ze naar de grote legertent in het midden van het terrein. Binnen vijf minuten aantreden, is het commando. Even later staan 21 jongens min of meer in het gelid, in camouflagepakken en op gympjes. Het is 6 uur.

Dit verhaal moest gaan over Leroy (18), Izachar (17), Ritchie (17) en Sergio (22). Op deze woensdagochtend in september geven ze nog braaf acht, op commando van de adjudant. Onwillige jongeren zijn het, in de terminologie van minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin.

Het zijn jongens met een strafblad, die straks weer naar school moeten, of aan het werk, of allebei, en weg moeten blijven van de criminaliteit. Leroy, Izachar, Ritchie en Sergio zijn met dat doel begonnen aan De Uitdaging, een stage van drie maanden bij Defensie. En zo staan ze ook op de foto in Volkskrant magazine van 13 oktober 2007.

De Uitdaging staat model voor de ‘opvoedkundige campussen’ die minister Rouvoet wil oprichten voor dit soort jongeren. Het motto: als het de ouders niet meer lukt de jeugd op te voeden, moet de overheid het doen.

Uit een brief van minister Rouvoet en minister Hirsch Ballin van Justitie aan de Tweede Kamer: ‘Uitgangspunt is dat jongeren lange dagen binnen de voorzieningen doorbrengen, zodat ze wennen aan een werkritme en weinig tijd overhouden om te vervallen in ongewenste gedragingen en minder vatbaar zijn voor negatieve invloeden uit hun omgeving. Bovendien krijgen ze de gelegenheid alsnog een startkwalificatie of diploma te behalen, hetgeen hun kansen op de arbeidsmarkt vergroot en de kans op ongewenst gedrag verkleint.’

Maar Sergio maakte al na een paar dagen een misstap tijdens het sporten. Zijn knie werd ‘zo dik als zijn schouder’. Hij moest stoppen, voor eigen bestwil, en mag bij de volgende lichting terugkomen. Izachar kon na een oefening op een 60 meter hoge klimtoren om een onverklaarbare reden ineens niet meer goed zien. De legerarts nam aan dat het door de stress kwam en keurde hem af.

Leroy had zonder zijn dagelijkse jointje moeite zijn ADHD te onderdrukken. Hij werd gestresst en gedeprimeerd en haakte in oktober af tijdens een ‘natte en koude’ oefening op Texel. Ritchie kwam na een weekeinde verlof niet meer opdagen.

Deelname aan De Uitdaging is vrijwillig. Van de 21 jongens die in september op de Leusderheide bivakkeerden, gingen er twee in de loop van de drie maanden weg om medische redenen, zes jongens vertrokken uit zichzelf, één jongen werd weggestuurd vanwege ontoelaatbaar gedrag.

Twaalf van de 21 haalden de diploma-uitreiking op 30 november in de Dumoulinkazerne in Soesterberg.

Onder hen: Dwayne Akkerman (18). Woont in de Amsterdamse Bijlmer, beroofde samen met zijn neef een man in de metro, wil het leger in of tatoeëerder worden. Zurko Bandito (18). Komt oorspronkelijk uit Macedonië. Woont sinds zijn eerste in Den Haag, kreeg taakstraffen voor een gewapende overval op een juwelier en een handvol inbraken, is al eens een halfjaar uit huis geplaatst, wil het leger in of een eigen bedrijf beginnen.

Tetty van het Groenewoud (21). Woont in Amsterdam Slotervaart, is dyslectisch en heeft ADHD en haalde daardoor nooit een diploma, bedreigde zijn zus om zijn moeder te beschermen, kreeg een voorwaardelijke straf en agressiebeheersingstraining, wil lasser of metselaar worden.

‘Bravo groep, geef acht!’, brult sergeant-majoor Hulscher, een boomlange militair van het korps mariniers, met snor. Op de Leusderheide moeten de jongens vanaf het eerste moment van de dag in het gareel. Ze klikken hun hakken tegen elkaar en salueren, maar doen dat niet tegelijkertijd. Dat moet opnieuw.

Even later gaan ze met sergeant-majoor De Haan de hei op voor een rondje ‘knikken en knakken’. De jongens rennen in looppas door rul zand, drukken zich op en doen buikspieroefeningen. ‘Daar gaat je bloed van stromen’, zegt De Haan.

De badkamer op de Leusderheide bestaat uit twee houten vlonders achter een camouflagenet en een paar jerrycans. De jongens rennen er in hun onderbroek heen. Douchen gaat met bakjes koud water. Scheren is verplicht, bakkebaarden zijn verboden: vanaf de haarlijn boven het oor mag geen haartje meer zichtbaar zijn. Mobieltjes, piercings en ringen zijn ingeleverd bij de legerleiding. Alleen een horloge mag; voor te laat komen bestaat geen excuus.

Als om half 8 precies het ontbijt begint in de grote tent (acht boterhammen de man, een banaan, koffie), weigert Leroy te eten. ‘Weet jij wat je allemaal moet doen, vandaag?’, vraagt sergeant-majoor Hulscher. ‘Als je straks kapot gaat, ga ik je niet optillen. Dan laat ik je gewoon liggen.’

Tegen de rest: ‘Minder praten, meer kauwen. Stop dat systeem vol.’

Tegen Leroy: ‘Ik wil graag dat je gaat ontbijten. Je gaat nu proberen twee boterhammen te eten. Neem die witte maar, met koffie. Hapje, slokje. Hapje, slokje.’ Het lukt. Leroy krijgt een handdruk.

‘Heren, om exact 8.10 uur verwacht ik dat jullie aantreden in twee gelederen. Met allejezus strak gepoetste schoenen. Er is één borstel per groep. Help elkaar. Drie, twee, één, gaan.’

De jongens moeten de hiërarchie van de militaire organisatie onder de knie krijgen. Sergeant-majoor Hulscher blaft: ‘Als jullie een instructeur nodig hebben, dan roepen jullie: ‘Hé meneer’. Maar ga ik daar op reageren? Nee.’

Zurko moet voordoen hoe het wel moet: ‘Sergeantmajoor, cursist Bandito meldt zich.’ Hij salueert.

Hulscher: ‘Op de plaats rust, Bandito. Zeg het eens.’

Zurko: ‘Mag ik wat vragen?’

Hulscher: ‘Jazeker.’

Zurko: ‘Het wc-papier is op.’ (Hard gelach.) Hulscher: ‘Daar gaan we wat aan doen. En opnieuw groeten als je weggaat. Wij militairen kicken daar nu eenmaal op.’

In de grote legertent krijgen de jongens les over brandveiligheid, EHBO, stafkaarten lezen, solliciteren. Wie tijdens de les in slaap dreigt te vallen, moet gaan staan. Om de zoveel tijd moeten de jongens een rondje rennen over het terrein en mogen ze hun veld- fles vullen en een sigaret roken. Deze ochtend behandelt sergeant-majoor Hulscher ‘persoonlijke hygiëne’. Hij heeft het over scheren, tanden poetsen, het wassen van ‘de bilnaad en de grote knop op de couscousklopper’. En over ‘hele legereenheden aan de sproeipoep’, die dan een apart wc-blok moeten gebruiken.

Achter in de tent wordt gerotzooid en gelachen. Hulscher is het zat: ‘Zit hier een stand-up comedian, de broer van Bassie? Nog één geluidje, kleine bazen, en ik pomp jullie zo hard in de voorligsteun tot je jankt dat je naar huis wil.’

’s Middags neemt sergeant-majoor De Haan de jongens opnieuw mee naar de hei. Wie niet goed luistert naar de sportinstructeur moet extra sprintjes trekken en opdrukken. De Haan stuurt de jongens op handen en voeten door het zand. ‘Billen naar beneden, piemel in het zand. Ik wil een derde spoor zien.’ Het zweet breekt door de groene overalls heen. Leroy moet overgeven. Tetty, de zwaarste van de groep, krijgt complimenten, omdat hij de hele les aan alles mee doet.

De Haan: ‘Mensen denken vaak dat dit een soort boot camp is, maar dat is foute terminologie. Het is niet alleen maar afknijpen. We zijn redelijk, we geven normaal antwoord. We bouwen het rustig op, alleen op die manier kun je de jongens proberen te vormen.’ Kolonel Damen, de commandant en dus de hoogste baas van het opleidingscentrum waaronder De Uitdaging valt, zegt over het project: ‘Het werkt, dat horen we van zoveel jongens. Wij kunnen iedereen structuur en discipline bijbrengen. Daar zijn wij goed in, dat is ons vak. Wij geven deze jongens precies het duwtje dat ze nodig hebben.’

Even verderop gooien de jongens joelend bakken koud water over elkaar heen. ‘Zo blijft er weinig meer van ze over’, zegt adjudant Vels, ‘dan een stel spichtige jochies.’

Een paar weken later marcheert de groep, inmiddels wat ingekrompen, op vrijdagmiddag over het lege terrein van de Dumoulinkazerne in Soesterberg. Sergeant-Majoor Ter Aa probeert de jongens een nieuwe exercitietechniek bij te brengen. ‘Groep, rechts uit de flank, halt.’

De jongens botsen tegen elkaar aan. ‘Jullie zijn ongeconcentreerd’, zegt Ter Aa. ‘Laat het denken maar aan ons over. Jullie moeten luisteren.’ Pas na drie keer oefenen gaat het goed. De jongens moeten met bezems en dweilen in de weer om het kazernegebouw ‘tongschoon’ te maken. Het is bijna weekeinde, dan mogen ze naar huis.

Dwayne heeft zijn lange haar afgeschoren. Hij was het zat, zegt hij, al dat zand in zijn krullen, en door zijn pet werd zijn kapsel toch continu verpest. Bovendien: ‘Met lang haar was ik een mooie jongen.

Met kort haar ben ik serieus.’

Hij is veranderd, vindt hijzelf. ‘Als ik in het weekeinde thuis ben, dan help ik mijn moeder, met boodschappen, met de afwas. Vroeger zei ik: ‘Waarom ik?’ Nu gaat het automatisch.

‘Op maandag heb ik echt zin om hierheen te gaan. Ik wil graag bij het leger werken. Het verdient goed en je bent lekker van huis. Ik hoop dat ik het haal. Maar ik ben bang dat ze naar mijn vader kijken, die heeft een strafblad. Daar maak ik me druk om.’

Tetty had gisteren een goede dag. ‘Ik heb geen bommetjes onder de groep gelegd. Zo noemen ze dat, als ik ruzie maak. Maar de leidinggevenden maken ook veel fouten. Ik observeer ze, hoe ze mensen aanspreken. Ze hebben me bijna weggestuurd. Toen zei ik: ‘Dan ga ik toch weg?’ Maar ik ga het wel afmaken, want dan heb ik eindelijk iets in mijn zak. Een diploma. Dat wil ik voor mezelf, en voor mijn moeder.’ ‘Ik ben deze week pas echt veranderd’, zegt Zurko. ‘Ik heb geen grote bek meer, ik ga niet meer steeds in discussie.’ De leiding heeft hem nogal hard aangepakt, vindt hij. Hij heeft veel strafcorvee gehad, en boetes, en hij heeft een ontelbaar aantal rondjes moeten rennen met ‘de lucifer’, een zware balk, op zijn nek. ‘Ik ben het zwarte schaap hier. Omdat ik druk ben.’

Tijdens de oefening op Texel mocht hij niet mee met de groep, maar werd hij in z’n eentje een paar kilometer buiten het kamp gedropt. En twee weken geleden is hij bijna weggestuurd. ‘Adjudant Vels was woedend. Hij zei: ‘Ik wil je gezicht niet meer zien.’ Sergeant-majoor Ter Aa wilde nog wel met me praten. Die zei dat ik meer goede dan slechte kanten heb. Toen moest ik een nacht buiten slapen. Dat vond ik erg. Ik kreeg echt tranen in mijn ogen, maar dat wilde ik niet aan de leiding laten zien.’

Eind november marcheert majoor Gerritsen door de aula van de Dumoulinkazerne in Soesterberg, met in zijn kielzog een groepje jongens in donkergroen legertenue. De majoor houdt halt tegenover kolonel Damen en salueert. ‘Groep De Uitdaging, klaar voor de diploma-uitreiking.’

De kolonel roept de twaalf overgebleven jongens een voor een bij zich. ‘Cursist Akkerman, op de plaats rust. Cursist Bandito, op de plaats rust. Cursist Van het Groenewoud, op de plaats rust.’

Dwayne is volgens de kolonel ‘een heel ander iemand’ geworden. ‘Ben jij je wilde haren verloren?’, vraagt hij. Dwayne bloost. Damen: ‘Je bent een dondersteentje, maar je hebt hier erg je best gedaan. Je bent een echte sportman.’

Zurko springt met veel vertoon in de houding. Damen: ‘Jij bent iemand van uitersten. Een staaf dynamiet met een kort lontje, met een grote mond en woeste haardracht. Maar je hebt veel geleerd hier en je hebt je broer gemotiveerd om ook mee te gaan doen aan De Uitdaging.’

Wanneer Tetty aan de beurt is, schiet de kolonel in de lach. ‘Ah! Jij bent de jongen die zijn advocaat wilde spreken toen hij zich onheus bejegend voelde.’ Tegen de zaal: ‘Maar advocaten hebben we hier dus niet.’ Tegen Tetty: ‘Je bent ook de enige cursist die op een Chippendale is gaan lijken. Jij bent hier ontzettend afgevallen.’

Kolonel Damen: ‘Met veel plezier geef ik jullie je diploma. Jullie hebben De Uitdaging volbracht. Het is nu aan jullie om de volgende stappen te zetten in het burgerleven. En mocht het tegenzitten, denk er dan aan dat je hier hebt laten zien dat je doorzettingsvermogen hebt.’ De zaal, vol met ouders en hulpverleners, applaudisseert.

Twee weken na de diploma-uitreiking vult Zurko in Sammy’s Outletstore in Den Haag de schappen met gloeilampen, pleisters, boormachines en kerstversiering. Hij meldt zich tegenwoordig elke dag bij zijn baas met kreten als: ‘Zurko, present’ en ‘Roger, wordt geregeld’. Een week na de diploma-uitreiking moest hij bij de rechter komen voor een taakstraf die hij nooit had uitgevoerd. Hij nam zijn map met diploma’s van De Uitdaging mee, maar dat maakte geen indruk. Hij moet binnenkort veertien dagen de cel in. Hij wil beginnen met een opleiding voor detailmanagement, zodat hij met zijn vrienden een tweede filiaal van Sammy’s Outletstore kan openen. Zijn broer doet sinds deze maand ook mee aan De Uitdaging.

Tetty is 12 kilo afgevallen. Hij heeft alle diploma’s gehaald die je bij De Uitdaging kon halen, tot aan het militaire zwemdiploma aan toe. Zijn moeder is trots: ‘Ik wist dat hij het kon, hij is alleen in zijn leven altijd en overal tegengewerkt.’

Deze maand begint hij aan een bouwopleiding van de Dienst Werk en Inkomen. Hij hoopt daar te leren dakdekken, metselen en lassen. Tot die tijd gaat hij vijf dagen in de week naar de sportschool en rent hij drie keer per week een rondje.

Dwayne heeft zijn haar nog steeds gemillimeterd. Als hij over meisjes praat, heeft hij het niet meer over ‘chickies’, maar over ‘dames’, zegt zijn moeder. Dat verbaast haar net zoveel als zijn nieuwe kapsel. ‘Het was zo’n ijdele jongen, zijn krullen waren zijn alles.’

Hij gaat twee keer per dag naar de sportschool en rent met de Amerikaanse bulldoggen rondjes in het park.

Dwayne heeft gesolliciteerd bij de landmacht. Hij is door de keuring heen gekomen, maar moest een extra gesprek voeren over zijn taakstraf. Hij wacht nu op het definitieve bericht. Zijn moeder hoopt wel dat er nu snel iets gaat gebeuren. Ze is bang dat hij anders terugvalt in zijn oude gedrag.

Meer over