Niemand kan om de ouderen heen

Marketingdirecteur M. van Eeghen van NS Reizigers wil zo snel mogelijk de NS-loketten sluiten waar minder dan twintig kaartjes per uur worden verkocht....

Videocamera's, praatpalen en noodknoppen moeten de late reiziger het gevoel geven dat hij - worstelend met giropas, pincode en kaartjesautomaat - toch veilig is op de stations van de spoorwegen.

Dat de ouderenorganisaties daar anders over denken, was voor NS-topman R. den Besten aanleiding om Van Eeghen opzichtig terecht te wijzen. Uit angst voor ruzie liet Den Besten de georganiseerde ouderen weten het gesprek met hen te willen heropenen.

Maar dat ging zo maar niet. Als een volleerd vakbondsbestuurder formuleerde voorzitter J. Sturkenboom van de ouderenkoepel CSO de eis 'dat het sluitingsplan van tafel moet'. Anders viel er niet te praten.

Het voorval is exemplarisch voor het toegenomen zelfbewustzijn van de ouderen en het groeiende besef dat met hun belangen rekening moet worden gehouden. De georganiseerde ouderen vormen een lobby waar niemand omheen kan. Geen enkele partij zal het daarom in zijn hoofd halen de AOW ter discussie te stellen of te pleiten voor bezuinigingen in de gezondheidszorg.

Ouderen zijn geen behoeftigen meer. Steeds meer ouderen kunnen in redelijke gezondheid en welstand genieten van pensioen en vervroegde uittreding, of ze hebben een uitkering in het kader van de sociale zekerheid. De senioren zijn de renteniers van de verzorgingsstaat.

Mensen die voor 1935 zijn geboren, hebben over het algemeen zodanig van de economische groei tussen 1950 en 1980 kunnen profiteren, dat ze van een onbezorgde oude dag kunnen genieten. In Nederland werden ze in de jaren tachtig via de WAO, vijftig-plusregelingen, de VUT en vervroegde pensionering op een uniek royale wijze op relatief jeugdige leeftijd van het verrichten van betaalde arbeid vrijgesteld.

Deze prettige regelingen zijn voor mensen die tussen 1935 en 1955 zijn geboren, in toenemende mate onbereikbaar. Toch hebben deze generaties evenmin reden tot klagen. Reeds als scholieren begonnen ze te consumeren. Ze gingen studeren in een tijd dat er nog ruimschoots gelegenheid was tot 'zelfontplooiing' van de meest uiteenlopend aard. Op de arbeidsmarkt konden ze goede aanvangssalarissen bedingen, die vaak op lucratieve wijze werden belegd in snel in waarde stijgend onroerend goed.

Ofschoon deze 'oudere jongeren' zowel individueel als collectief zeer goed voor zichzelf hebben gezorgd, blijven ze hun bijnaam 'protestgeneratie' eer aan doen.

Ze proberen met succes hun belangen en privileges veilig te stellen met behulp van vakbonden, pressiegroepen en door middel van politieke actie.

Door de macht van hun getal hebben ze als kiezers overwicht op de jongeren. Ze domineren de partijen en de vakbonden; CAO's beschermen oudere werknemers, ambtenaren en leraren.

Jongeren van na 1955 voelen zich steeds minder betrokken bij een verzorgingsstaat die ze ervaren als een ouderensyndicaat, waarvan ze zelf niet profiteren en waaraan ze dus liever ook niet willen meebetalen. Jongeren hebben evenwel niet de neiging hun stem te verheffen.

Hun reactie is: bekijk het maar, ik doe niet meer mee. Ze stemmen met hun voeten, mijden partijen en vakbonden, gaan niet meer bij de overheid werken. Zo versterken zij de macht van de ouderen in de collectieve sector en loopt de staat het gevaar het oudemannenhuis van de maatschappij te worden.

Meer over