interviewJE KUNT HET MAAR ÉÉN KEER DOEN

‘Niemand hield zo veel van dat kind als ik’

Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheidnemen kan op veel manieren en dat maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren. 

Marie-Louise van Kampen (22) overleed vorig jaar ten gevolge van wekedelenkanker. Ze woonde bij haar moeder, Medea van Kampen (45, leerkracht basisonderwijs) en stiefvader Stephan van den Heuvel (54, procesondersteuner zorgkantoor). Broer Floris (24) was al het huis uit.

Medea: ‘Wies, zoals wij haar noemden, was een mooie meid: 1,80 meter, blauwe ogen en lang blond haar. Ze had een modeopleiding gedaan en zag er altijd tiptop uit. Ze was enorm extravert, erg op mensen gericht. Ze had veel vrienden en ging het liefst constant uit. Na het mbo wilde ze een tussenjaar en ging ze in de horeca werken, dat beviel haar zo goed dat ze is blijven hangen. Ze was een kerngezonde Hollandse meid. Op wat hockeyblessures na had ze nog nooit iets gemankeerd.

In december 2018 klaagde ze over buikpijn. In haar strakke sportkleding viel me op dat er een vetbubbel bij haar buik zat. Ik dacht eerst dat ze te veel had gesnoept. Op een gegeven moment vroeg ik of ze misschien zwanger was. Ik kreeg een grote mond.

Op 14 februari, op Valentijnsdag, is ze eindelijk naar de huisarts gegaan. Ze kreeg meteen een doorverwijzing voor een echo. Op de scan was iets verdachts te zien. We hadden in het ziekenhuis een afspraak op de afdeling oncologie. Heel confronterend, dan weet je eigenlijk wel wat de diagnose is. De arts wees naar het scherm op zijn bureau en zei tegen Wies: ‘Kijk, dit is jouw baarmoeder en hier zit iets wat daar niet hoort. Er zat een tumor van 16 bij 32 centimeter. Die moest er onmiddellijk uit. Wies en ik moesten allebei heel hard huilen. 

Tijdens de operatie ging ik wandelen om niet gek te worden. Ik werd op een gegeven moment op mijn mobiel gebeld. Het was goed gegaan, vertelde de arts. Ze hadden de tumor helemaal verwijderd. De eierstok was ook weggehaald. In de darmen bleek het ook te zitten en daarvan hadden ze ook een stukje weggehaald. De baarmoeder bleek ook aangetast. Hij probeerde me gerust te stellen, maar ik dacht: code rood, dit is helemáál niet goed.

Na een week mocht Wies naar huis, en het eerste wat ze zichzelf gunde was een nieuwe iPhone, de nieuwste. Ze moest zes weken steunkousen aan. Daar gruwelde ze van, voor zo’n modepopje is dat natuurlijk verschrikkelijk. Gelukkig had ze witte. Met een kort rokje stond het nog best leuk. Het leek wel of het niet helemaal tot haar doordrong dat er serieus iets mis was. 

Medea met Wies (links)Beeld privé

Ze ging al heel snel weer naar buiten, het leven ging voor haar verder. Ze ging veel op stap, ondanks de steunkousen en de dikke buik. Ze dronk, rookte ook gewoon, terwijl tegen haar was gezegd dat ze dat niet meer mocht doen. Mijn moederhart brak. Ik heb een appje naar haar beste vriendinnen gestuurd. Mijn boodschap: meisjes, luister, het is bloedserieus met Wies, het is een kwestie van leven en dood. Willen jullie voor haar zorgen? 

Wies was woedend. Ze was zo boos op mij dat ze niet meer thuis kwam slapen. Mijn doodzieke kind was elders en reageerde niet op mijn appjes. Een bevriende arts zei tegen mij: ‘Wies is zo ziek dat je zeven jaar kunt aftrekken van haar leeftijd. Zij gedraagt zich nu niet als een 21-jarige maar als een 14-jarige. Toen snapte ik dat ze zich heel erg tegen mij afzette. 

Na een paar dagen moest ze weer naar het ziekenhuis en heb ik haar opgehaald. Ze kreeg heel zware chemo, daarvoor moest ze steeds vijf dagen 24 uur per dag aan het infuus. Binnen een uur was ze doodziek, dan kon ze niks meer.

Omdat ze 21 was, richtten de artsen zich tot haar. Wies had aangegeven dat ze niet wilde dat er iets met haar ouders werd gedeeld over de prognose. Ze wilde het zelf niet weten, maar ze wilde ook niet dat wij het wisten. Ze wilde ervan uit kunnen gaan dat het goed kwam.

Ze was inmiddels kaal, kreeg steeds meer littekens en ze werd steeds dikker van het vocht en de medicijnen. Haar uiterlijk was haar visitekaartje en haar kleren werden steeds korter, bloter en uitdagender. Ze wilde shinen. Keeping up appearances. Iedereen die haar zag was vol bewondering. Maar ze zagen nooit wat er binnen in haar gebeurde, hoe ziek ze was. Dat stuk deelde ze met niemand. Zo heb ik haar ook opgevoed: je moet het dragen. Maar dat heb ik nooit zo bedoeld. Als ik haar adviseerde om het te delen werd ze furieus.

Omdat ik een dochter had die, terwijl ze doodziek was, alleen maar uitging, luchtte ik af en toe mijn hart bij de huisarts. Die zei tegen me: ‘Ik wil je geen hoop ontnemen, maar ondanks de behandelingen zal ze hieraan doodgaan, dit is een verhaal met een heel slechte afloop.’ Ze zei ook: ‘Het gedrag dat Wies vertoont is nodig om los te komen, om die navelstreng door te knippen.’ Ik begreep het, maar het deed zo verdomde veel pijn. Niemand hield zo veel van dat kind als ik, maar ze trapte me voortdurend weg.

Wies wilde per se blijven werken, maar de arboarts keurde haar af omdat hij in haar dossier zag dat ze niet lang meer zou leven. Ze was ziedend, witheet. Ze ging toch gewoon naar haar werk. Haar baas was een heel geschikte man, hij gaf haar alle ruimte die ze nodig had. Hij accepteerde het dat ze daar met een kaal koppie rondliep.

Op dinsdag 22 oktober belde ze me op mijn werk, ze huilde van de pijn. In het ziekenhuis kregen we te horen dat de kanker heel explosief was. Wies vroeg: ‘Haal ik de Kerst nog?’ We vierden Kerst altijd met cadeautjes en surprises en zij had geregeld dat iedereen een lootje had gekregen. De arts antwoordde: ‘Dat durf ik niet toe te zeggen.’ Op dat moment ging de knop in haar hoofd om. 

Toen we thuiskwamen zei ze dat ze met de hele familie naar pretpark Toverland in Sevenum wilde. Opa, oma, ooms, tantes, neefjes, nichtjes, iedereen was er. Wies wilde in alle attracties. Ze riep om de haverklap: ‘Mam, pillen!’ Ze deed niet meer aan dosering. Ze gooide er gewoon tien morfinepillen tegelijk in. Wies genoot, ze straalde. Ik liep huilend, zonder dat ze het doorhad, achter m’n kind aan.

In de daaropvolgende week is ze alles gaan regelen voor haar afscheid: liedjes, wie mocht spreken, wie de kist moest dragen. Ze had een speech geschreven en vroeg een vriendin om die voor te lezen op haar afscheid. Ze wilde euthanasie, ze kon niet meer wachten, haar lijf was op. 

Op donderdagavond, haar laatste avond, bestelde ze sushi en rekende die zelf af. Daarna verdween haar telefoon definitief in de la. 

Op vrijdagochtend heb ik haar in bed sprookjes voorgelezen. Zij koos de Schone slaapster, ik Rapunzel. Ze was rustig, ik voelde dat ze klaar was. Om 12 uur kwam de huisarts en om 12.08 uur is ze overleden. Stephan en ik hadden één arm vast, Floris stond achter ons en de dokter was met de andere arm bezig. Het sterven zelf was liefdevol, vredig en zacht.

Met Kerst vond ik tussen onze kerstspullen een kerstkaart met het handschrift van Wies. Ze wenste ons prettige kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar. Toen ik die kaart las, brak mijn moederhart in duizend stukjes.’

Meer over