columneva hoeke

Naar de clou van het verhaal zou ik Opa Ben later nog weleens vragen, dacht ik

Eva Hoeke Beeld Aisha Zeijpveld
Eva HoekeBeeld Aisha Zeijpveld

Opa Ben hangt aan zijn eigen haakje, steeds als Eva van de wc komt ziet ze hem, glas wijn in de hand.

Zijn foto hangt aan het haakje dat hij zelf in de muur boorde.

Lang geleden, of vorige week nog, dat verschilt per dag.

Op zondag kwam hij dan door de poort, Makita-koffer mee. Haakje in de muur, kastje in elkaar, koffie na afloop, a je to buur.

Goeie kop heeft hij daar, op die foto. Gemaakt in het vakantiehuis met de Portugese tegels, Thonet-stoelen en houten balken op Terschelling; een huis waarin we onszelf herkenden. Een herfsthuis, met lange schaduwen en rode wijn en de knusse horror van spinnen in de tuin waar de dochters de hele week verlekkerd griezelend naar wezen. Op de foto zit opa Ben op de grote okergele bank, rechterarm over de uitgesleten leuning, glas in zijn hand, en ik denk dat Maria Callas uit de speakers komt, O mio babbino caro, want dat draaiden we die week steeds. Toen ik de foto later groot liet afdrukken wees de fotograaf me op het wit in de foto, een wonderlijke bundel licht die van boven kwam en recht op zijn kale schedel scheen, een glimmend aureool dat hem inderdaad op een bepaalde manier buiten de tijd plaatst, maar het kost me altijd moeite om daar tekenen in te zien, laat staan waarschuwingen.

‘Hoe ging dat verhaal met die commensaal ook alweer?’, vroeg ik mijn moeder. We zaten in de auto om naar de Deense bioscoopfilm Druk te gaan, wat dronken betekent, en ineens herinnerde ik me een anekdote die Ben die vakantie hikkend van plezier had verteld. Ik herinnerde me dit: een commensaal met een onberispelijke dictie die bij zijn zus in Amsterdam op zolder woonde, en die elke ochtend havermoutbeton in een steelpan maakte waarin hij twee rauwe eieren kapotsloeg, bij wijze van basis. En dat wanneer hij ’s nachts terugkeerde, stijf van de drank, het altijd weer spannend was of en hóe hij de zolder zou bereiken. ‘Laat je nooit verleiden tot het betrekken van het pand door een commensaal’, stond te lezen in de aantekeningen die ik had gemaakt in mijn telefoon, maar waar dat nou op sloeg – de notities waren snel ingetikt, met halve zinnen en een missende clou, in het rotsvaste vertrouwen dat ik opa Ben er op een later moment nog weleens naar zou kunnen vragen. Maar nee. Want ineens lag hij op de grond, op een woensdagmiddag, we schreeuwden nog van nee.

Mijn moeder keek me van opzij aan: ‘Iets met havermout, toch?’

Zo ging het altijd.

Je hoorde iets, dacht: dit moet ik onthouden en nog geen seconde later kwam het leven zelf ertussen en ging het verhaal voorbij, een vlaag tussen andere vlagen. En dat waren dan nog anekdotes. Hoe interpreteer je achteraf het humeur van de doden? Mijn vaders zwijgen had ik jarenlang voor tact gehouden, tact of beschaving, iets positiefs in ieder geval, maar inmiddels dacht ik meer aan onvermogen. Er was nog maar één iemand om dat bij te toetsen en dat was mijn moeder, maar ook zij had zo haar eigen gedachten, die waar konden zijn, of níét waar. Wat zou papa hiervan hebben gevonden? Ik denk zus, ik denk zo, ik denk het ook, ik denk van niet. Ik wéét het niet.

Ben hangt aan de muur op de gang, tussen de anderen, aan zijn eigen haakje, en steeds als ik van de wc kom zie ik hem zitten met dat ronde brilletje, een glas in zijn hand en mijn moeder met ons kind op schoot wazig op de achtergrond.

Je weet het niet, maar ik denk dat hij daar goed zat.

Meer over