ColumnSylvia Witteman

Na je 50ste verander je van een glazen koets in een pompoen

null Beeld

In de krant las ik een stuk over straatintimidatie. Het naroepen van vrouwen is van alle tijden, vrees ik, en een verbod zal wel niet helpen (je kunt net zo goed slecht weer verbieden) maar er is hoop: na je 50ste heb je nergens meer last van, want dan verander je van een glazen koets in een pompoen. Lekker rustig, dat wel.

Ik legde de krant weg en ging boodschappen doen, want dat gaat nog prima, als pompoen. Daar drentelde ik al over de markt, in het zonnetje, met een tas vol prozaïsche levensbehoeften, toen er een man stralend tegen me lachte. Het was een glimmend donkerbruine man van mijn leeftijd, met een vrolijk, expressief gezicht. Hij leek op Louis Armstrong, en, omdat hij een overall droeg, ook wel op zo’n snaakse, wijze automonteur in een Stephen King-verfilming die het onheil al van mijlenver voelt aankomen.

Zijn lach was zo aanstekelijk dat ik teruglachte. De man hield stil, wreef me over mijn bovenarm en sprak: ‘Zullen wij het samen eens gezellig maken, bij mij thuis?’ Hij keek me verwachtingsvol aan. In mijn hoofd begon die beroemde anapestische tetrameter (ja, sorry) van Da Costa zich te ontrollen, ‘kan het zijn, dat de lier, die sinds lang niet meer ruiste’ et cetera; was mijn rol in het liefdesballet des levens dan toch nog niet uitgespeeld? Jeetje!

Anderzijds: deze ouwe jongen had ongetwijfeld het beste met me voor, maar om nou mee te gaan met een wildvreemde... Bovendien wachtten mijn kinderen thuis op hun beloofde chocoladecroissants. ‘Joh, ik heb geen tijd’, antwoordde ik.

De man legde een clowneske uitdrukking van diepe verslagenheid op zijn gezicht, waarbij hij tóch bleef lachen, het was waarlijk een knappe prestatie. ‘O, wat jammer!’, riep hij. ‘Echt zo jammer... Je lijkt me zo ontzettend leuk!’ Hij begon zowaar een beetje te handenwringen, nog steeds lachend, en ik lachte nog maar eens terug, want zulke aardige dingen hoor ik niet elke dag; ik voelde het glaswerk van de koets zowaar hier en daar door de pompoenschil heen schemeren.

Weer wreef hij me over de bovenarm, wat me een passend afscheid leek, toen zijn hand ruw werd weggetrokken. Naast hem stond een bleke slungel, die hem vanonder een nare snor toesnauwde: ‘Zeg, mafkees, laat die mevrouw met rust. Viezerik. Ga je moeder pesten’. En tegen mij: ‘Gaat het, mevrouw?’

‘Geen probleem’, suste ik de bemoeial. De bruine man stak, nog steeds lachend, zijn hand op en verdween in de marktmenigte.

‘Hier is moeder, met het voeder’, zei ik even later tegen mijn kinderen. ‘En deze pompoen gaat een dutje doen’.

Ze hoorden het al niet meer. Ze smakten.

Meer over