eenzame uitvaart

Na de dood van zijn moeder wist meneer K. niet hoe hij moest leven

null Beeld Merel Corduwener
Beeld Merel Corduwener

Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk.

Meneer K. is dood, vier weken ligt hij onopgemerkt in zijn huis aan de Orteliusstraat in Amsterdam-West. Afgezien van een onvermoeibare schuldeiser is iedereen hem vergeten.

Terwijl het omvangrijke lichaam van de 53-jarige meneer K. ontbindt – hij was ruim 1,90 meter en bepaald niet slank – laat een gerechtsdeurwaarder namens woonstichting De Key een aangetekende brief bezorgen.

Dinsdag 25 mei om 10 uur ’s ochtends dient meneer K. bij de Rechtbank Amsterdam aan de Parnassusweg te verschijnen. Het is vanwege een huurschuld van de vorige woning, aan de Loenermark in Amsterdam-Noord, waar meneer K. tot een jaar geleden woonde.

De voedselbank

De huurschuld is gering. Na een vast dienstverband van jaren – meneer K. was beveiliger bij Trigion en kwam probleemloos rond – raakte hij in 2018 zijn baan kwijt. Daarbij speelde volgens een maatschappelijk werker van het Leger des Heils het overlijden van zijn moeder, in juli van dat jaar, een rol. Hij verscheen niet op haar uitvaart, terwijl hij altijd een hechte band met haar had gehad, en begon warrig gedrag te vertonen. Broers of zussen had hij niet. Zijn vader, brugwachter van beroep, was in 2005 overleden.

Na het ontslag hielp de maatschappelijk werker van het Leger des Heils hem met het aanvragen van een uitkering. Na aftrek van huur en vaste lasten bleef er nauwelijks iets over, dus klopte hij aan bij de voedselbank. Een vreselijke nederlaag, stelt de maatschappelijk werker: meneer K. hield niet graag zijn hand op.

Een goedkopere woning zou uitkomst bieden. Die werd gevonden toen in het voorjaar van 2020 de eerste corona-golf Nederland bereikte. Het verhuisbedrijf voor mensen met een krappe beurs dat de maatschappelijk werker voor hem had ingeschakeld stelde de klus vanwege het gevaar op besmettingen uit; noodgedwongen hield meneer K. de huur van de woning aan de Loenermark nog twee maanden aan, terwijl die aan de Orteliusstraat al was ingegaan.

De Reus uit Buiksloot

Meneer K. groeide op in Floradorp, een volksbuurt aan de rand van Banne Buiksloot in Amsterdam-Noord. Hij bezocht de Dorus Rijkersschool aan de Kofschipstraat. Een briljante leerling was hij niet, voetballen kon hij als de beste.

De gymleraar formeerde een schoolteam, hij werd gevraagd als laatste man. Hij was veel groter dan de rest, niemand passeerde hem ongeschonden. Ze noemden hem De Reus uit Buiksloot. Als hij opstoomde richting middenlijn, ging er grote dreiging van hem uit.

In 1979 werd het team schoolvoetbalkampioen van Nederland. Dat was, schreef een verslaggever van huis-aan-huisblad De Noord Amsterdammer, grotendeels zijn verdienste: ‘De Reus uit Buiksloot legde van 20 meter aan voor een droge knal in de uiterste hoek en de keeper van de ploeg uit Kerkrade kon de gang naar het net maken: 1-0.’

In Amsterdam-Noord wachtte hun een heldenontvangst, Floradorp stond op z’n kop. Op een versierde vrachtwagen werden de spelers rondgereden, begeleid door een drumband en een majorettekorps, overal stond volk. Vervolgens was er een receptie bij burgemeester Wim Polak.

In stadion De Meer mochten ze vanaf de eretribune de wedstrijd Ajax-FC Twente bekijken, meneer K. ging glunderend op de foto met Ruud Krol en Simon Tahamata, voetbalhelden die hij van de televisie kende. Ze sloegen hun armen om hem heen, voor een moment was hij een legende.

Het jaar daarop werd de Rijkersschool derde, in de halve finale kopte De Reus uit Buiksloot in de laatste minuut nog op de lat. Ondanks de gemiste kans op verlenging, dat ene verlies, was er opnieuw een huldiging, wederom gingen ze op een open truck door de straten. De spelers kregen een kwartshorloge en mochten een dagje naar pretpark Slagharen.

Beveiliging

Meneer K. ging naar scholengemeenschap Jan Cornelisz. de Rijp, deed er lager economisch en administratief onderwijs (leao) en legde in 1985 examen af. Drie jaar later was hij in bezit van het vakdiploma beveiligingsbeambte.

Hij kwam in dienst bij Falck Beveiliging. Profvoetballer worden – velen zouden erop hebben aangedrongen – hoefde van hem niet meer, met niemand van de voormalige ploeggenoten onderhield hij contact. Vanaf de zijlijn bleef hij de sport niettemin met belangstelling volgen.

Op internetfora mengde hij zich in voetbaldiscussies. Sommige van zijn niet altijd even accurate berichten zijn nog terug te vinden. Zo meldde hij op 26 december 2003 dat de dagelijkse sportjournaals zouden worden geïntegreerd in reguliere nieuwsuitzendingen.

‘Zeg manneke, dit nieuws is al weken bekend!’, reageerde een ander forumlid. ‘Vriendelijk verzoek dus namens mij, en velen met mij, niet steeds van die oude berichten te plaatsen hier!’

In februari 2004 merkte hij op dat Ajax negentien wedstrijden op rij ‘onverslagen’ was, wat hem opnieuw op een sneer kwam te staan: ‘Het is ‘ongeslagen’ of ‘niet verslagen’, ‘onverslagen’ is geen Nederlands.’

Verhuizing

Hij trouwde niet, hij kreeg geen kinderen. Toch verliep zijn leven ogenschijnlijk heel gewoon. Hij had een baan, een auto, de riante woning aan de Loenermark. Tot aan het overlijden van zijn moeder, die volgens een buurtbewoner regelmatig zijn huishouden kwam doen, veroorzaakte hij voor zover bekend geen problemen.

De maatschappelijk werker van het Leger des Heils laat weten dat meneer K. na haar dood nergens afstand van kon doen. Niets deed hij weg, zelfs aan de inhoud van zijn vuilniszakken raakte hij gehecht.

Zodoende was er steeds meer troep in huis, wat allemaal mee moest toen de verhuizing in mei 2020 dan eindelijk kon plaatsvinden. Na eindeloos delibereren – de verhuizers weigerden gistend afval te vervoeren – werd er het een en ander weggesmeten.

In de Orteliusstraat begon hij weer van voor af aan: het idee dat iets hem met onbekende bestemming zou verlaten maakte hem gek. Hij was er verantwoordelijk voor, het kon niet zonder hem bestaan. In december schreef de maatschappelijk werker hem een brief. Zeven keer had ze bij hem aangebeld, niet eenmaal deed hij open, zijn telefoon stond altijd uit.

‘Ondanks dat ik niet vind dat het goed gaat, wil ik je vragen of je openstaat voor hulpverlening’, schreef de maatschappelijk werker. ‘Zo niet, dan sluit ik de casus af.’ Aldus geschiedde.

Angstdroom

In januari werd meneer K. opgenomen in het ziekenhuis, hij belde zelf om een ambulance. Onbekend is wat hem mankeerde. Bij het ontslag zei meneer K. tegen een arts bevreesd te zijn alleen in huis te sterven.

Toch deed hij er alles aan om die angstdroom te laten uitkomen. Door zich ongans te paffen en steeds meer halve literblikken goedkoop bier achterover te slaan. Soms was hij het bier even zat en schakelde over op witte huiswijn van de Aldi. Eenmaal geleegd bleven de blikken en flessen trotse onderdanen van zijn koninkrijk, een soort ereburgers in hun glimmende pracht.

Een gezonde eter was hij allang niet meer: meneer K. verorberde voornamelijk fastfoodmaaltijden die hij aan huis liet bezorgen, constateerden medewerkers van een speciale ontsmettingseenheid van de GGD die zich na zijn dood een weg moesten zien te banen door de zwaar vervuilde woning. Meneer K. woonde nog geen twaalf maanden aan de Orteliusstraat, maar het zag eruit alsof er in geen honderd jaar was schoongemaakt.

Het was interessant te zien hoe de keuken, die steeds moeilijker bereikbaar was geworden, zich langzaam naar de woonkamer had verplaatst. Aan levensmiddelen trof men zeer veel potjes Amsterdamse uitjes aan, meneer K. moet er dol op zijn geweest. Hij at ze nooit leeg en draaide dan maar weer een volgend potje open, omdat er al heel snel schimmel op kwam of omdat ze waren verzwolgen in de tsunami van stinkende troep.

Meneer K. hield ook van Cup-a-Soup, de handige zakjes lagen overal. Hij lengde het zoute poeder aan met koud kraanwater uit de niet zo frisse badkamer, die beter bereikbaar was.

In de laatste fase van zijn leven heeft hij in elk geval één halfslachtige poging tot het bereiden van een min of meer gezonde maaltijd ondernomen. Naast zijn luie stoel trof men een snijplank en een aardappelschilmesje aan, een doosje champignons, twee pakjes gezeefde tomaten, een ui, enkele teentjes knoflook en een bedorven scharrelkipfilet. Veel had meneer K. er niet mee kunnen aanvangen, het fornuis was onbereikbaar en bovendien in onbruik geraakt.

De lekkende vuilniszakken in zijn keuken vormden een ideale kraamkamer voor ongedierte; vooral de vliegen hadden er een goed bestaan. Hij moet er zelf ook niet goed van zijn geworden, want bij de Blokker aan het Mercatorplein schafte hij een elektrische vliegenmepper aan, zo’n geval dat op een tennisracket lijkt. Hij zal er druk mee in de weer zijn geweest, wat in elk geval de nodige lichaamsbeweging opleverde.

Natuurlijke dood

Met zijn buren had meneer K. geen contact, eigenlijk woonde hij er ook nog maar pas. Onderbuurman Aziz, die ik in juni spreek, zag de forse gestalte weleens naar de supermarkt schuifelen. Meestal ’s avonds, als het donker was. Afgezien van besmuikt groeten was er geen contact.

Achteraf snapt onderbuurman Aziz waarom er vliegen uit het plafond tevoorschijn kropen, waarom er steeds meer muizen kwamen. Een overbuurvrouw belde de politie. Het was haar opgevallen dat het raam van meneer K. al vier weken openstond en dat de lichten brandden.

Een schouwarts stelde vast dat meneer K. een natuurlijke dood is gestorven, van suïcide zou geen sprake zijn geweest. Een natuurlijke dood op 53-jarige leeftijd, het is mogelijk gelet op de levensstijl, en tegelijkertijd toch opvallend, want het verval was nog maar kort in zijn leven.

Een vreemde jongen

Team Rampendienst, Uitvaarten en Pensioenen (Trup) van de gemeente Amsterdam kan geen familie vinden. Neven, nichten, ooms, tantes: iedereen is dood. De enige die zich ten slotte meldt, daags voor de uitvaart, is de schoonzus van een tante van meneer K.

De schoonzus van de tante zegt dat meneer K. altijd al ‘een vreemde jongen’ was. Ze rekent het hem aan dat hij niet op de uitvaart van zijn moeder verscheen. Om die reden wenst ze zich verder niet met ‘de kwestie’ te bemoeien.

Volgens de maatschappelijk werker van het Leger des Heils hield meneer K. eerder te veel dan te weinig van zijn moeder en had hij domweg geen idee hoe hij zonder haar in het leven moest staan. In een tamelijk schone kast in de woning zijn albums en ingelijste foto’s van haar aangetroffen. Net als de map met krantenknipsels en vaantjes van de voetbalsuccessen koesterde hij die zorgvuldig.

Dagvaarding

Woensdag 19 mei, 10 uur in de ochtend. Op begraafplaats Sint Barbara laat ik Du bist die Ruh voor hem spelen, het door Franz Schubert op muziek gezette gedicht van Friedrich Rückert, want die Ruh, dat was meneer K. op het laatste van zijn leven ten voeten uit. Misschien is het te pretentieus, hield hij meer van Frans Bauer. We weten het niet, in de woning bevond zich niets waaruit een muzieksmaak viel af te leiden.

Dinsdag 25 mei. Een woordvoerder van Rechtbank Amsterdam, afdeling kanton, verklaart dat meneer K. vanochtend niet op zitting is verschenen. De gerechtsdeurwaarder van woonstichting De Key geeft niet op. Een volgende dagvaarding, laat hij mij eind juni weten, zal binnenkort de deur uitgaan.

Grote, sterke mannen hebben misschien
de meeste beveiliging nodig.
Ze zijn op zoveel plekken te raken.

Landskampioen schoolvoetbal.
In de ambtswoning van de burgemeester
schudden Ruud Krol en Simon Tahamata je de hand.

Diezelfde zaterdag: eregast in Stadion De Meer.
Tahamata, jij mag Simon zeggen,
scoort tweemaal. Ajax wint met 8-1.

Succes is een schild. Gezondheid is een schild.
Werk is een schild. Een moeder is een schild.
Een voor een vallen ze weg.

Maar dan zijn daar de handen, stemmen,
gezichten, schaduwen van geliefden,
de toejuichingen, de beelden en de dromen.

Niemand sterft alleen.

Mark Boog schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.

Meer over