Moordeiland Curaçao

Curaçao blijft het eiland van de gewelddadige roofovervallen, ondanks Nederlandse steun bij de misdaadbestrijding. De daders zijn vaak jong. En perspectiefloos....

‘Umpie’ Welvaart zucht diep. Wat een pech. ‘Shit, man, daar komen we net vandaan!’, roept hij. Een stem op de politiescanner maakt melding van een lijk op een parkeerplaats. De fotograaf van Curaçaos tweede krant Vigilante, 24 uur per dag, zeven dagen in de week op jacht naar moord en doodslag op het eiland, gooit zijn witte terreinwagen in de hoogste versnelling. Alsof Welvaart zich op een Formule 1-circuit bevindt, racet hij naar de plek des onheils, compleet met blauw-rode zwaailicht en brutaal klevend achter een politieauto.

Een paar uur eerder in de wijk Koraal Specht, in het kielzog van agenten en rechercheurs van het Actieteam Punda. ‘Papieren!’, schreeuwt het speciale politieteam en bij ‘Welcome Snack’ valt de Dominicaanse beheerster met het felrode topje bijna van schrik op de grond. Aan de overkant, bij een van de honderden loterijkantoortjes die Willemstad rijk is, halen twee bewakers in burger, voorzien van kogelwerende vesten, de avondomzet op.

Bij de ‘snack’, een piepkleine bar in de buurt van de Bon Futuro-gevangenis waar moordenaars- en dieven te midden van de drugssmokkelaars zijn opgesloten, wordt geklaagd dat de politie zo ijverig op zoek is naar illegalen. En waarom ze zich verdorie niet op de ‘echte’ misdaad richten. Zoals op het tuig dat de ganse dag snack en loterij overvalt. Of brutaal winkeliers door de kop schiet, ja, zelfs eerzame burgers thuis doodsteekt, omdat de snelle terreinwagen op de oprijlaan ze zo bevalt.

De Nederlandse regering wil de komst van criminele jongeren tegenhouden met een omstreden wet. Maar ook op Curaçao, worstelt men met losgeslagen, gewelddadige jongeren. Het is het eiland van de ‘atrako’s’, de gewelddadige roofovervallen. Waar de politie tegen sluitingstijd opzichtig rondrijdt om nieuwe overvallen te voorkomen. ‘Vooral de snackbars en loterijkantoren zijn slachtoffer van de atrako’s’, zegt Michael Lichtenberg van het actieteam, terwijl zijn collega’s in Punda een bezoeker van een snackbar tegen een muur drukken en in zijn onderbroek gluren. Er is een tip binnengekomen dat ter plekke drugs en wapens zouden worden verhandeld. Lichtenberg: ‘Het werkt preventief hier rond te rijden en te controleren. Die jongens halen het niet in hun hoofd iets te doen.’

Maar zelfs de straat van ‘s lands hoogste politicus is op deze drukke zaterdagavond niet veilig. ‘Wat is er aan de hand?’, vraagt premier Emily de Jongh-Elhage geschrokken, wanneer ze tegen het einde van de avond uit de auto stapt en de ambulance bij de overbuurman ziet.

De premier haast zich naar binnen bij de Nederlandse buurvrouw die op een woning verderop past. Vanavond stuitte ze echter op een ‘choller’, een drugsverslaafde, die in een berghok spullen wilde stelen en haar een fikse klap gaf toen hij werd betrapt. ‘Ik ben gezegend’, zegt De Jongh als ze weer naar buiten komt. ‘Ik heb de laatste jaren gelukkig niks meegemaakt. Ja, meestal zie je iemand wel gluren. Maar tegen de chollers doe je helemaal niks.’

Een jaar geleden zegde Den Haag rechercheurs en marechaussees toe de misdaadgolf op de Antillen te bestrijden. Zo’n tachtig agenten, marechaussees en douaniers helpen nu bij drugscontroles op de luchthaven en de bestrijding van atrako’s. Hoewel het aantal afrekeningen, vooral drugsmoorden, aanmerkelijk is gedaald, van 52 in het criminele ‘topjaar’ 2004 tot 21 vorig jaar, en slechts één tot nu toe in 2006, blijft het aantal gewelddadige roofovervallen onrustbarend hoog. Ruim negenhonderd atrako’s werden er vorig jaar gepleegd op het slechts 130 duizend inwoners tellende eiland.

‘Helaas wishful thinking’, zo reageerde de krant Amigoe vorige maand op pessimistische toon nadat Nederland had geroepen dat de Antillen ‘merkbaar veiliger’ waren geworden door de inspanningen van Den Haag en Willemstad. Hoewel het aantal overvallen de eerste drie maanden met de helft is gedaald, vergeleken met dezelfde periode vorig jaar, blijft het gevoel van onveiligheid onder de bevolking onrustbarend groot.

Nederland mag dan worstelen met de criminele Antilliaanse probleemjeugd in de diverse ‘Antillen-gemeenten’, zoals Rotterdam en Dordrecht, op Curaçao is dat niet veel anders.’ De angst bruut te worden neergeknald of te worden neergestoken is overal op Curaçao te voelen. Op elk uur van de dag.

De jeugdwerkloosheid op het grootste Antilliaanse eiland, nu zo’n 33 procent, vormt al jaren een belangrijke voedingsbodem voor de misdaad. De strengere drugscontroles op vliegveld Hato, die tot gevolg hebben dat niet meer makkelijk geld kan worden verdiend met de drugssmokkel, dwingt veel bolletjesslikkers naar andere criminele bronnen van inkomsten uit te zien. Zoals de atrako’s. Grof geweld wordt daarbij vaak niet geschuwd.

‘De daders zijn relatief jong en laagdrempelig qua gebruik van geweld’, zegt Jan Kooistra, werkzaam bij de Nederlandse politie-academie en nu projectleider in Willemstad bij het Nederlands-Antilliaanse Atrako-team dat de roofovervallen en inbraken de kop probeert in te drukken. ‘Doorgaans hebben ze al op jonge leeftijd geweld gebruikt. Soms is het geweld ook extreem in relatie tot de daad. Zo werd een winkelier in december in koelen bloede doodgeschoten, omdat hij weigerde mee te werken. De daders gingen er alleen met wat sigaretten vandoor.’

De wijk Gato ligt vlak bij de luchthaven. Noem de naam van het buurtje, gelegen achter de snelweg, en op het eiland hebben ze het meteen over het drama dat zich afspeelde op nummer 154. De slachtoffers: de bejaarden Arie Mulder (71) en zijn 74-jarige kennis Ana Perret Gentil. De daders: de 17-jarige Liomar en zijn zus Luvensca (16) die afgelopen week tot respectievelijk 24 jaar en 18 jaar celstraf werden veroordeeld voor de brute roofmoord op de twee ouderen. Omdat ze de terreinwagen op de oprijlaan wel zagen zitten, drongen Liomar en zijn zus het huis van Mulder binnen en richtten met keukenmessen een slachtpartij aan.

Mulder werd, badend in het bloed, gevonden in zijn garage. Gedood door Liomar, met dertien messteken. De vrouw, neergestoken door Luvensca, werd in de badkamer aangetroffen. Amper twee dagen na de moord, nadat de politie de terreinwagen had gevonden, zat het tweetal alweer vast.

Psychiaters omschreven het, al op jonge leeftijd door hun ouders in de steek gelaten duo als bijzonder agressief. Ook zouden ze geen berouw hebben van de moorden.

Voor haar erf, niet ver van het moordhuis, bekent de 50-jarige lerares Sixlin dat ze soms spontaan in paniek raakt. ‘Dan sluit ik het hele huis af’, zegt ze, de blik gericht op het huis van Mulder. ‘Het is toch niet gezond: twee tot drie atrako’s per dag op zo’n klein eiland?’

Gato is een rommelige buurt, met hobbelige zandwegen en leegstaande huizen. Sixlin, moeder van vier kinderen, wijst naar ‘de berg’: het heuveltje dat uitkijkt op Gato, waar Liomar en zijn zus woonden. Aan hun lot overgelaten.

Sixlin: ‘Het is verschrikkelijk wat die twee hebben gedaan, maar eigenlijk is het de schuld van ons, volwassenen. De jeugd van Cu-raçao wordt aan zijn lot overgelaten. Ze zijn wreder geworden, gewelddadiger. De school is een reflectie van de samenleving en op school zeggen ze tegen elkaar: ik maak je af! Deze kinderen moeten worden heropgevoed.’

In het gebouw van het Atrako-team, dat bestaat uit 21 Antilliaanse en 24 Nederlandse politiemensen, pakt commissaris Marlon Wernet (43) van de Antilliaanse politie de laatste cijfers erbij. Tot en met maart waren er 163 atrako’s, aanzienlijk minder dan de 299 in de eerste drie maanden van 2005. ‘Dit is een trend’, meent Wernet. ‘De samenwerking met Nederland werpt zijn vruchten af. De stijging van de criminaliteit vonden wij niet langer acceptabel.

‘Of Curaçao een moordeiland is? Die conclusie laat ik voor uw rekening. Ik kan net zo goed een gesprek beginnen over de drugscriminaliteit in Nederland. Curaçao is beslist geen roversnest waar je elke dag kunt worden beroofd of vermoord. Moorden zoals die in Gato zijn hoe tragisch dan ook eerder uitzondering.’

Op het ministerie van Justitie in Fort Amsterdam, het regeringscentrum, betoogt ook de minister dat het goed gaat met de bestrijding van de criminaliteit. ‘Cijfers?’, vraagt de oud-bankier David Dick. ‘Ik wil ze niet meer zien. Nog een paar maanden en we praten hier nauwelijks meer over. De drugsorganisaties worden aangepakt en door de grenzen te sluiten, hebben we het aantal afrekeningen waarbij vooral buitenlanders zijn betrokken, flink teruggebracht. Maar we moeten ook meer preventief doen. Ik heb nu een plan om overvallers een cursus te laten geven aan potentiële overvallers. Die risicojongeren moeten we bereiken.’

Haye Nicholls, al dertig jaar schooldirecteur in onder andere de achterstandswijk Seru Fortuna, ergerde zich onlangs groen en geel toen hij de Nederlandse minister Donner in Willemstad hoorde zeggen dat hij blij was dat er meer cellen op Curaçao werden gebouwd. Nicholls: ‘Ik zie geen structurele aanpak. Wat wordt er voor de jeugd gedaan? Er is geen resocialisatie-programma. Jongeren zoals Liomar en zijn zus zijn verbitterde kinderen. Outcasts. Ze zijn niet opgevoed en nooit naar school gegaan. Als ze dan een misdaad plegen, zijn ze keihard. Nu zitten ze dertig jaar in de gevangenis, in de Universiteit van de Misdaad. Tussen de zwaarste criminelen.’

Commissaris Wernet: ‘Wil je het probleem goed aanpakken, moet je de cirkel doorbreken. Jongeren moeten perspectief hebben op werk, het onderwijs moet worden aangepakt.’

De dalende criminaliteitscijfers kunnen niet verhullen dat de angst onder de bevolking, vooral onder de winkeliers, groot is. De moord op Raul Ferreira, een 39-jarige winkelier die in zijn hoofd werd geschoten, vond alweer vijf maanden geleden plaats, maar aan de Caracasbaaiweg wordt er nog steeds over gesproken.

‘Hij was een hardwerkende, aardige man’, zegt Kooistra, geboren Curaçaoënaar, die vaak boodschappen bij hem deed. ‘Iedereen kende hem. Het is de overvallers vaak niet te doen om een grote klap. Het is eerder: ik heb vandaag geld nodig, en om vijf voor twaalf wordt besloten tot een overval. Het is allemaal niet zo georganiseerd.’

De moord op Ferreira staat symbool voor de strijd die is ontstaan toen de drugsbazen eind jaren negentig steeds meer greep kregen op het eiland. Een strijd tussen hen die zagen hoe makkelijk geld kon worden verdiend met de drugssmokkel en de bewoners die kozen op het rechte pad te blijven.

Ferreira’s winkel staat nog altijd leeg, een deel is omgebouwd tot snackbar. ‘Ik ben niet bang voor ze, laat ze maar komen’, roept de uitbater stoer. Zijn vrouw sist meteen dat hij zich koest moet houden. Leroy (45), een bouwvakker die bezig is aan de lunch, schudt het hoofd. Hij heeft tien jaar in Nederland gewoond. ‘Die jongens, kleintjes vaak, hebben geen geweten meer. Ze stelen om stoer te zijn, om in een mooie auto rond te rijden. Als mijn drie kinderen thuis komen, moeten ze meteen hun huiswerk doen. De mentaliteit van de vaders en moeders, daar moeten we aan werken.’

Meer over