Mooie trip verrijkt de cultuur

Met hun voorstel paddo's te verbieden, hebben de PG's kennelijk de Fransen willen behagen. Volgens Erik van Ree dreigen daarmee echter ook de belangen van het niet-gebruikende deel der natie in het gedrang te komen....

DE PROCUREURS-GENERAAL hebben gesproken. 'Geestverruimende paddestoelen' dienen onverwijld te worden verboden. Zij bevatten immers de 'harddrug' psilocybine.

Nu is het verbod op drugs in alle gevallen ten hemel schreiend, maar dat op hallucinogenen slaat werkelijk alles. Het is al een pijnlijk misverstand om gezondheidsrisico's van drugs als argument voor verbod aan te dragen, maar in dit geval zijn deze er zelfs nauwelijks.

Van hallucinogenen is nooit enig schadelijk lichamelijk effect aangetoond - alhoewel naarstig zoeken ongetwijfeld ooit wel iets zal opleveren. Verslaving aan hallucinogenen is vrijwel onbestaand. Het komt voor dat langer durende psychosen worden geïnduceerd, doch slechts in uitermate sporadische gevallen.

In Nederland gebruiken tienduizenden mensen regelmatig dit soort geestveranderende stoffen, maar het aantal van hen dat bij de hulpverlening terechtkomt, is jaarlijks letterlijk een handjevol. Het grootste probleem is de zogenaamde 'bad trip'. Dat is echter slechts een relatief kortdurende, alhoewel zeer angstaanjagende ervaring.

Maar goed, de moedige actie van de procureurs heeft met gezondheid ongetwijfeld ook niets te maken. Eerder horen wij hier Jacques Chirac buikspreken. Het is wat je noemt: gebrek aan burgermoed, lafheid, meehuilen met de wolven - ja, de wolven een beetje voorgaan in hun gehuil.

Het bericht dat voor de zoveelste maal een verbod op onverwerkte paddestoelen wordt overwogen, trof mij hard. De eerste maal dat ik tripte was in 1993. Het duurde lang, anderhalf uur, voordat ik iets merkte - alhoewel de aanwezigen die het experiment bijwoonden mij opmerkelijk opgewonden vonden reageren op het aanvankelijke uitblijven van spectaculaire effecten.

Tot het me opviel dat het gordijn golfde, en dat de roze papieren servetjes in hun plastic houdertje zwierden als zee-anemonen, waaierend in stromend water. De Griekse icoon van de apostel Paulus had opeens een diepte die mij deed vermoeden dat ik mijn arm erin zou kunnen steken, hetgeen overigens niet het geval was.

Hoe voelt trippen? Soms komt het snel. Een op mijn nuchtere maag tot thee verwerkte portie Hawaiaanse paddestoelen werkte tot mijn verbijstering vrijwel onmiddellijk. Na tien minuten was het grijze kleed onder mijn ver afgelegen voeten helder zilver met krioelende paarse patronen. De muren waren van korrelig goud. Ik was in een sprookje binnengetreden.

Soms stort je in een trip. Het is als bij een achtbaan. Het wagentje wordt omhoog getrokken, het gaat langzaam, de wereld is de oude, niets aan de hand, maar je voelt het onvermijdelijke naderen, de top en de daarop volgende val in de peilloze diepte. Trippen is een trein die zes uur lang door je hoofd raast, eindeloos vermoeiend. Ik zou willen dat het nu ophield - maar het hield niet op.

Trippen vertraagt je tijdsgevoel. Ik kijk op mijn horloge, en het is tien uur. Een uur later kijk ik weer - het is vijf over tien. Dit houd ik niet vol. Die zes uur duren een volle dag. Trippen is ook: je houdt van je vrouw, en de kamer wordt rood, een beetje oranje. Een vriend gaat weg. Hij is moe. De kamer wordt gifgroen, geel en schel.

Trippen is geen weten, maar een gevoel. Het is lente, maar nog een beetje kil. Ik zit met mijn oudste zoon op het balkon. Mijn blauwe trui is geaderd, alsof er grote bloedvaten doorlopen, of misschien is zij van marmer. Ik ben mijn vader en Rutger ben ik. Ik weet dat dit niet het geval is. Ik ben ik en Rutger is Rutger, maar het voelt wel zo. Ik praat met mijzelf.

Het is donker, en ik kijk vanaf het balkon de tuin in. De bladeren van de grote rododendron zijn evenzo vele duiveltjes geworden, schepseltjes met puntigplatte insectenvleugels. Ze lijken kwaadaardig, maar zijn alleen een beetje pesterig. Ze boezemen mij geen angst in, want ik weet het best: dit is een rododendron. De duivelswandelstok voelt van tien meter afstand aan als een oude man met een stok. Een sympathieke, waardige oude man.

Trouwens: de hele tuin is mij oneindig sympathiek. Hij ontroert mij. Hoe heb ik ooit kunnen denken dat ik de eigenaar van deze bomen en planten ben. De 'eigenaar'? Van deze levende schepselen? Het is te gek voor woorden. De tuin slaapt, en ik hoor hem fluisteren.

Ik sta op het toilet te plassen, mijn penis in de hand. Opeens voelt mijn geslachtsdeel aan zoals het voelde toen ik anderhalf was, toen dit buisje nog geen seksuele functie had maar louter diende tot urineren. Ik ben trouwens anderhalf. Althans ik weet zeker: zoals ik mij nu voel, voelde ik mij toen ik anderhalf was. Ik herinner me weer dat ik vond dat ik zo'n groot hoofd had. Ik ben een piepklein, sprieterig ventje met een groot hoofd. Het licht om mij heen is kraakhelder wit, engelachtig.

Ik lig in bed met mijn vrouw. Zij bestaat alleen waar ik haar voel, een stuk schouder, buik, benen, een wang. Waar ik haar niet voel, bestaat zij niet. Zij is een kosmische oermoeder, een godin. Als ik mijn ogen sluit, voel ik mij oplossen in de ruimte. Ik voel mij in minuscule flinterstukjes uit elkaar spatten, kleine sterretjes die ik weg zie schieten de duisternis is.

Een glas Sprite rust op mijn schoot. Ik ben uitgeput. Ik staar naar het glanzende parelmoer van de frisdrank. Er staat een stokoude Indiase sitar-plaat op met een kraak erin. Ik sluit mijn ogen en het kraken is het knetteren van een kampvuur. Ik zie mijn ouders, mijn broer en mijzelf op een immense roodbruine vlakte zitten, gehurkt en gebogen, om een warm vuur. Boven ons hoofd een inktzwart uitspansel met sterren. We hebben dierenvellen om. Oermensen. Ik voel de stam. Ik kom ergens vandaan.

Het is twee uur 's nachts, en de trip loopt op zijn einde. Ik ben moe en wil gaan slapen. Op de trap draai ik me nog even om naar een jeugdportret van mijn moeder dat op de gang hangt, zo'n drie bij vier decimeter groot. Ze glimlacht tegen mij. Ik blijf verrast staan en staar. Dan komt ze tot leven. Om het portret vormt zich een helwit aura en daaromheen wordt de muur meters in de omtrek felblauw. Op het doek neemt haar gezicht verschillende vormen aan. Ze is oud en jong, lacht en huilt, kijkt naar links en naar rechts. De beelden wisselen elkaar eerst langzaam af, dan sneller, razendsnel, als een carrousel. Als ik wegkijk en terug is het portret weer in rust.

Als het aan de procureurs ligt, mag niemand dit meer meemaken. Het is niet goed voor je, zo hebben zij in hun wijsheid besloten. En zij die de stoffen produceren die ons voor enkele uren dit soort dubbele realiteiten kunnen doen ervaren, zijn misdadigers.

Ik zie dat anders. Tripmiddelen zijn waardevol, zij bieden ons ervaringen van een soort die wij in het gewone leven niet opdoen. Als complexe, geestveranderende stoffen zijn zij zelfs een cultuurgoed van de eerste orde. Wie ze verbiedt, staat gelijk aan een boekverbrander. Deze procureurs horen thuis in de nachtmerries van George Orwell, en niet in een democratische rechtsstaat als Nederland.

Ik vraag mij af hoe lang dit alles nog door kan gaan. Hoe lang nog kan het onder stilzwijgende instemming van een grote meerderheid van de bevolking een aanzienlijke minderheid verboden worden om van cocaïne of LSD te genieten? Hoe lang kan de overheid de burgers als kinderen blijven behandelen, onmondige wezens die van Vader Staat moeten horen wat goed en slecht voor hen is, en welke risico's zij wel en niet mogen lopen?

Hoe lang zullen de burgers van Nederland het blijven accepteren dat zij onder een vals beroep op bescherming van hun kinderen zelf als kinderen worden behandeld? Is het aantal mensen dat bezwaar heeft tegen drugsfuiken, sluiting van discotheken, ontslagen van beroepsmilitairen, fouillering op muziekfestivals, urinetests voor gedetineerden, gedwongen röntgenfoto's, gedwongen afkicken, samenscholingsverboden in 'probleemwijken', onteigening van panden - is dat aantal mensen werkelijk zo gering?

En is het dan werkelijk zo dat geen één politieke partij, geen één politicus van naam, het aandurft de kont tegen de krib te gooien en te zeggen: het is genoeg geweest? Het verbod op drugs is uitdrukking van een welbepaalde, buitengewoon naargeestige opvatting van wat democratie zou zijn: democratie is de dictatuur van de meerderheid. De rechten van individuele burgers zijn van secundair belang. De normen van de meerderheid dienen met behulp van de wet te worden opgelegd. Het is een visie die zelden expliciet wordt uitgesproken, maar wel degelijk de kwaadaardige kern vormt van de war on drugs.

En het is een opvatting die steeds vaker wordt gehoord, al neemt het in Nederland vooralsnog meestal de bekende spruitjesvorm aan. Wij winden ons op over plasseks en Rockbitch. Mevrouw Sorgdrager wil toezicht op videotheken, zodat de kinderen geen geweld zien, en de heer Patijn is druk doende raambordelen te sluiten waarvan de kozijnen enkele centimeters te groot zijn. Maar kooigevechten - moeten we die ook niet verbieden? En piramidespelen - ook verbieden! Wij houden in Nederland niet van dat soort spelletjes. Te riskant, een nette burger tart het noodlot niet.

In de Verenigde Staten gaat men al verder. Daar worden oude wetten tegen seksuele perversiteiten in het leger geactiveerd. Beroepsmilitairen die aan overspel of orale seks doen, kunnen tot tien jaar gevangenisstraf worden veroordeeld. Kinderen mogen er in veel steden 's avonds de straat niet meer op. Avondklok. Dat zal ze leren. Wie zijn baby tijdens winkelbezoek voor een moment in een onbewaakte kinderwagen laat staan, wordt in de handboeien afgevoerd. Trouwens: men krijgt er zo twintig jaar gevangenisstraf voor wat cannabis.

Ik neem het volgende waar: in de hele westerse wereld begint zich in de poriën van de liberale rechtsstaat een monster te vormen. Wij moeten op onze zaak passen. Ook u, mevrouw en meneer, die geen behoefte aan een paddestoeltje hebben.

Erikvan Ree is socioloog.

Meer over