Fotoserie

Molukkers in Nederland hebben nog altijd heimwee naar de eilanden van hun voorouders

null Beeld Gerard Wessel
Beeld Gerard Wessel

Ze kwamen zeventig jaar geleden naar Nederland, de Molukse militairen met hun gezinnen. Ze waren in dienst geweest van de Nederlandse overheid en dreigden het slachtoffer te worden van het streven naar onafhankelijkheid door Indonesië. Het zou tijdelijk zijn, maar werd voor altijd. Toch is het streven naar een eigen republiek nog springlevend. Net als de heimwee naar de tropen, bij jong en oud.

Kota Inten, Atlantis, New Australia; vrijwel elke Molukse Nederlander kent nog de namen van de elf schepen waarmee hun families in 1951 vanuit Java naar Nederland voeren. Soldaten van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (Knil) dat een jaar eerder werd opgeheven, werden samen met hun vrouwen en kinderen naar Nederland overgebracht.

Op het eiland Java waren ze niet meer veilig, omdat ze in de jaren daarvoor aan Nederlandse zijde hadden gevochten tegen de Indonesische onafhankelijkheid, die desondanks was gerealiseerd. Ook konden ze niet terug naar de Molukken, want daar was de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) uitgeroepen, en werd een guerrillaoorlog tegen de Indonesiërs gevoerd. Als tussenoplossing werden ze naar Nederland gehaald, het zou immers maar voor even zijn.

Veel hadden ze dan ook niet bij zich, de Molukkers die in de havens van Rotterdam en Amsterdam aankwamen. Want er zou snel een oplossing komen voor ‘hun probleem’.

Meteen al wachtte de mannen bij aankomst een eerste grote teleurstelling: ze waren van het Knil overgegaan naar het Nederlandse leger, maar ze kregen allemaal ontslag. Omdat er in het naoorlogse Nederland nauwelijks woningen waren, werden de gezinnen ondergebracht in leegstaande kloosters, kazernes en zelfs voormalige Duitse concentratiekampen.

Een half jaar wachten werd een jaar. Een jaar werd vijf jaar. In het begin zorgde Nederland voor hun onderhoud, maar dat hield vanaf midden jaren vijftig op. En toen drong bij de Molukkers langzaam het besef door dat ze misschien wel voor altijd moesten blijven in een land dat hen was vergeten. Ze hadden ook verwacht dat Nederland de Republiek der Zuid-Molukken zou erkennen, zodat ze terug konden. Maar ook dat gebeurde niet.

Sommige groepen binnen de Molukse gemeenschap begonnen hun woede te richten op Nederland. Met als gevolg gewelddadige acties in de jaren zeventig, waarbij veertien doden vielen. Die incidenten leidden er wel toe dat de Nederlandse overheid werk ging maken van de integratie van Molukkers.

Veel Molukkers vertrokken uit hun eigen woonwijken, en trouwden met Nederlanders. Ze gingen naar de Molukken op vakantie, om toch te beseffen dat Nederland hun thuis is. Maar het ideaal van een eigen staat, en de heimwee naar de eilanden van hun voorouders is bij veel van hen nog altijd springlevend.

Wies van Groningen Beeld Gerard Wessel
Wies van GroningenBeeld Gerard Wessel

Wies van Groningen (91), schrijver

Molukse achtergrond: Vader Barend was een Rotterdamse Knil-militair en trouwde in Nederlands-Indië met Clara Hukom uit Oma (Haruku).

Wies: ‘Na zes jaar kreeg elke Nederlandse Knil-militair groot verlof en zo belandde ons gezin in 1939 in Nederland. Vanwege de oorlogsdreiging in Nederland keerde mijn vader alleen naar Indië terug. Op mijn eerste schooldag hier werd ik met stenen bekogeld omdat ik een kleurtje had. Er zat een gat in mijn hoofd, mijn moeder ging verhaal halen. Ze zei tegen het schoolhoofd: ‘Ik had dit niet verwacht op een christelijke school.’

Mijn moeder had een gave die veel Molukse vrouwen hebben. Op een nacht droomde ze dat mijn vader door ons huis liep; in vol ornaat bezocht hij onze slaapkamers en nam afscheid, waarna hij verdween via het tuinpad. De volgende ochtend zei ze: ‘Papa is dood.’ Uit een bericht van het Rode Kruis na de oorlog bleek de datum exact te kloppen. Hij was als dwangarbeider aan uitputting overleden aan de beruchte Birma-spoorlijn. Toen er in 1946 studenten uit het Molukse dorp Haruku bij ons op bezoek kwamen en mijn moeder Maleis met hen kon spreken, zag ik haar voor het eerst weer ­lachen. Pas toen realiseerde ik me dat ik anders was, het leidde tot een jarenlange zoektocht naar mijn identiteit. Door veel te lezen over Molukkers kwamen herinneringen aan mijn vervaagde Indische jeugd terug, zoals bergtochten die ik met mijn vader maakte. Na mijn 60ste ging ik er over schrijven. Ik was bibliothecaris bij het Moluks Historisch Museum in Utrecht en het viel me op dat alle boeken over mannen gingen; het leger, de oorlogen, het koloniaal bestuur. Niets over de vrouwen. Ik begon met het opschrijven van mijn moeders verhalen, daarna interviewde ik Molukse vrouwen die taboes hadden doorbroken. Ik ontdekte hun wellevendheid en hun trots op hun identiteit en geloof. Ook al spreek ik hun taal niet, ken ik niet alle tradities, ben ik niet gelovig zoals de meeste Molukkers, ik merkte: in hun gezelschap voel ik me thuis.’

Johannes ‘Jo’ Ayal Beeld Gerard Wessel
Johannes ‘Jo’ AyalBeeld Gerard Wessel

Johannes ‘Jo’ Ayal (93), oud-militair

Molukse achtergrond: Kwam op 8 april 1951 in Rotterdam aan met de Roma. Na opvangkampen in Steenwijk, Elburg en Barneveld, vestigde hij zich in Hippolytushoef.

‘Daar stond ik dan tussen al die andere Knil-militairen op de Rotterdamse kade; tegen mijn zin, want ik had terug naar de Molukken gewild, maar dat mocht niet van Soekarno. We kregen een papier in onze handen gedrukt, waarop stond: ‘Eervol ontslag.’ Ontslag? Wat! Ik voelde me boos, bedonderd en machteloos.

Ik heb als jongen voor de Nederlandse vlag gestreden. Ik stond oog in oog met een even jonge onafhankelijkheidsstrijder; het was hij of ik – ik zie nog zijn verbaasde blik toen ik hem doodde en ik lijd daar nog altijd onder. Voor we op 7 maart 1951 vanuit de haven van Jakarta vertrokken, hadden we het aanbod gekregen om dienst te nemen in het nieuwe Indonesische leger. Ik had toen geweigerd. Omdat ik niet meer wist wat te doen en ik me bovenal militair voelde, meldde ik me in Nederland alsnog daarvoor aan en was van plan terug te gaan. Maar mijn moeder schreef: ‘Niet doen! Ze zetten je in tegen onze mensen op de Molukken.’ En dus zette ik de knop om en bleef ik hier.

Ik trouwde als enige van mijn groep met een Hollandse, daar kreeg ik veel commentaar op. Ik heb mijn eiland Saparua altijd gemist. Daar voelde ik me echt vrij. Mijn moeder heb ik nooit meer gezien. De woede is weggeëbd, maar ik ben nog altijd zeer teleurgesteld in Nederland.’

Orpa Goergoerem Beeld Gerard Wessel
Orpa GoergoeremBeeld Gerard Wessel

Orpa Goergoerem (69), gastspreker

Molukse achtergrond: Vader Corinus was Knil-militair. Op 23 maart 1951 kwam hij met zijn hoogzwangere vrouw in Rotterdam aan met de Atlantis. Ze werden ondergebracht in Schattenberg, het voormalige Kamp Westerbork.

Orpa: ‘Sinds een paar jaar ben ik gastspreker op scholen, waar ik het Molukse verhaal vertel. Elke keer verbaast het me weer hoe weinig men van onze geschiedenis weet. Als ik zeg dat ik ben opgegroeid in Westerbork, schrikken ze vaak en vragen: ‘Woonde u daar dan met Joden samen?’ Ze weten niet dat wij daar in de jaren vijftig werden gehuisvest.

Ik had er een heerlijke jeugd; altijd buitenspelen, de warmte en gastvrijheid – je liep bij elkaar in en uit. Dat had ook nadelen, want er was veel sociale controle en druk. Mijn ouders hadden zich snel neergelegd bij het feit dat we niet teruggingen. Toch durfden ze dat niet hardop te zeggen, want de fanatiekelingen in het kamp speelden de baas en die streden voor een snelle terugkeer naar de RMS, Republik Maluku Selatan. Gezinnen die het daar niet mee eens waren, werden weggejaagd, en niet bepaald zachtzinnig. In 1963 verhuisden we naar de Molukse wijk in Assen. Veel jongeren daar hingen maar wat rond, ze bleven boos en schopten aan tegen alles wat Nederlands was. Ik wist: als ik iets van mijn leven wil maken, moet ik daar weg. Het werd aanvankelijk niet geaccepteerd dat ik een Nederlander huwde, uit de wijk verhuisde en een eigen carrière koos. Mijn vader had al een Molukker op het oog en we waren jaren niet welkom thuis.

Ik heb leuke banen in het onderwijs en de gehandicaptenzorg gehad. Mijn Molukse vriendinnen vonden me sombong – verwaand. Gelukkig zie ik de huidige generatie wel initiatieven nemen en zich mengen. Onze drie kinderen kwamen altijd graag bij mijn ouders in de Molukse wijk. We hebben ze meegenomen naar de Molukken. Eerder was ik er al met mijn ouders geweest, dat was een rare gewaarwording. Ik was er een vreemde; ik voelde me geen Indonesiër, geen Molukker en geen Nederlander; ik voelde me niets.’

Mathijs Frederik ‘Tete’ Siahaya Beeld Gerard Wessel
Mathijs Frederik ‘Tete’ SiahayaBeeld Gerard Wessel

Mathijs Frederik ‘Tete’ Siahaya (71), actievoerder

Molukse achtergrond: Kwam met zijn ouders op 29 april 1951 met de New Australia in Amsterdam aan. Ze verbleven onder meer in Schattenberg en Kamp Vught. In 1961 verhuisde het gezin naar de Molukse wijk in Moordrecht.

Tete: ‘Vorige maand begroef ik twee Moordrechtse wapenbroeders met wie ik op 31 augustus 1970 de ambassadeurswoning in Wassenaar bezette. Overleden aan corona, net als vele anderen hier. Onze wijk crepeert, maar je leest er niets over. Onze actie destijds was gericht tegen het staatsbezoek van Soeharto, die in 1966 de toenmalige president van de Republiek der Zuid-Molukken liet executeren.

Jarenlang had ik mijn vader zien lijden; Nederland had zijn status en waardigheid afgenomen. Ik radicaliseerde, en het was de tijdgeest. Wij dachten: als de guerrillabewegingen in Zuid-Amerika en de Palestijnse bevrijdingsorganisatie PLO met geweld aandacht krijgen voor hun zaak, kunnen wij dat ook. Zonder doordacht aanvalsplan kwamen we met drie busjes aan in Wassenaar, ik ging voorop. Een op wacht staande politieman trok zijn wapen en een van ons schoot hem in een reflex dood. Twaalf uur lang hielden we mensen gegijzeld. We wilden niet opgeven, maar premier De Jong zegde toe aan RMS-president-in-ballingschap Johan Manusama, die bemiddelde dat hij met Soeharto over de onafhankelijkheid van de Zuid-Molukken zou spreken. Dat deed hij vervolgens niet, weer werden we bedonderd. Buiten zag ik dat de internationale pers massaal was toegestroomd; onze zaak was wereldnieuws. Doel bereikt.

We kregen uiteindelijk allemaal een jaar celstraf. Omdat ik nog een voorwaardelijke celstraf had openstaan voor een actie uit 1966, toen ik molotovcocktails had gegooid naar de Indonesische ambassade, moest ik langer zitten dan de anderen. Daarna hield ik het gewelddadig actievoeren voor gezien; ik had al een gezin, ik wilde iets positiefs doen. Ik begeleidde Molukse jongeren in werkgelegenheidsprojecten. Nu leid ik een stichting die door onderwijs kansarme landgenoten in de Molukken een toekomstperspectief biedt. Dat geeft me veel voldoening. Maar een radicaal ben ik altijd gebleven. Want mijn volk is tegen zijn wil hierheen gebracht. ‘Gedeporteerd’, zeg ik altijd. En hoewel ik de gewelddadige acties van 1975 tot 1978 afwijs, omdat daarbij onschuldige burgerslachtoffers vielen, heb ik er begrip voor. Ze hebben ervoor gezorgd dat het Molukse ideaal levend is gebleven: in meer dan veertig wijken werd vorig jaar de RMS-vlag gehesen om ons 70-jarig bestaan te vieren.’

Vanity Lewerissa Beeld Gerard Wessel
Vanity LewerissaBeeld Gerard Wessel

Vanity Lewerissa (29), voetballer

Molukse achtergrond: Grootvader korporaal Augustinus Lewerissa kwam van Nusa Laut, het kleinste van de vijf Ambonese eilanden. Met zijn gezin kwam hij op 29 april 1951 in Amsterdam aan met de New Australia.

Vanity: ‘Bij Ajax kreeg ik techniektraining van oud-voetballer Simon Tahamata, hij speelde net als ik voor Oranje en is nog altijd ontzettend populair in de Molukse gemeenschap. Hij is nog net zo technisch als vroeger. We hebben dezelfde Molukse mentaliteit: giftig en fanatiek als het moet. Oudere mensen noemen we uit respect ‘oom’ of ‘tante’, en ik mag ‘oom Simon’ zeggen. We hebben een band, hij begrijpt het als er iets speelt in mijn omgeving. Toen er bijvoorbeeld onrust was in Heer, de Molukse wijk in Maastricht, omdat er een Nederlands gezin werd geplaatst, hebben we daarover gepraat. Als Molukkers willen we bij elkaar wonen om voor elkaar te zorgen en onze tradities te behouden. Ook ik als half-Molukse, die niet in de wijk opgroeide. Ik zal mijn afkomst nooit verloochenen. Vaak vragen medespeelsters: ‘Hoe zit het dan?’ Dan leg ik uit dat we geen vluchtelingen zijn, dat we hebben gevochten voor Nederland en schandalig zijn behandeld. Ik heb altijd de pijn en het verdriet bij mijn oma gezien, dat was heel naar. Een tante leert me nu Molukse gerechten bereiden zoals sajoer tjampur, een groentegerecht, ajam ritja, geroosterde kip, en ikan pepesan, hete makreel. Ik wil ze later doorgeven aan mijn kinderen. En ja: ik hou ook van carnaval. Zo jammer dat het dit jaar niet door kon gaan. Ik heb de Molukse en Limburgse gezelligheid in me.’

Terence Schreurs Beeld Gerard Wessel
Terence SchreursBeeld Gerard Wessel

Terence Schreurs (43), actrice

Molukse achtergrond: Moeders familie Wonmaly komt van het eiland Serua. Opa Tjalo was dominee en tot 1962 werkzaam op Biak (Nieuw-Guinea).

Terence: ‘In 1996 was ik met mijn familie voor het eerst in Indonesië. Toen ik de vliegtuigtrap afkwam, kleurde de ondergaande zon de wereld oranje. Het was prachtig. Opeens kon ik de verhalen van mijn moeder en grootouders aanraken en ruiken. Ik dacht: hoe hebben jullie dit kunnen achterlaten? Die reis was een openbaring. In mijn jeugd probeerde ik zo wit mogelijk te zijn, vooral lichamelijk. Terwijl mijn lichaam meer contact wilde met de aarde. Op de basisschool werd ik gecorrigeerd als ik in kleermakerszit zat. ‘Ga gewoon zitten, dat is niet netjes’, zeiden de leerkrachten dan. Of, als ik gehurkt iets uit mijn tas pakte, kreeg ik opmerkingen van klasgenoten als: ‘Zit je te poepen ofzo?’ Ik schaamde me en dacht dat het fout was. Maar in Indonesië zag ik iedereen doen wat mij was afgeleerd. De vrouwen liepen er zoals de zee haar golven maakt. Hun blote voeten schoten wortel, hun zitten was aards en oer. Ik kwam erachter dat mijn lichaam nooit iets verkeerd had gedaan. Sindsdien voel ik me trots op mijn kleur en afkomst en lichamelijk en geestelijk vrij. Mijn afkomst werd een drijfveer in mijn carrière om net een stapje meer te zetten, zodat Molukkers trots op me konden zijn. Belangrijk is ook mijn rol in de film De Punt geweest, over de met geweld beëindigde treinkaping van 1977. Mijn rol was gebaseerd op de 21-jarige Hansina Uktolseja, de enige vrouw onder de gijzelnemers. Ze werd bij de bestorming gedood, net als vijf andere kapers. Het was een daad uit liefde voor haar ouders. De Molukkers is veel beloofd en ze zijn genaaid en genegeerd. Maar ondanks alles zit er een enorme kracht in ons, die zal altijd blijven bestaan. Net als onze keuken en onze humor.’

Met dank aan Sabrina Cols, Helen Matitahatiwen-Hitipeuw, Achim Pelupessy en Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden.