ColumnSylvia Witteman

Moestuintjes! Je ziet de weelderige aardbeienvelden al voor je, maar de werkelijkheid bestaat uit een verregend balkon op het noorden

null Beeld
Sylvia Witteman

Bij de supermarkt stond een collectant voor een goed doel. Voor slechte doelen wordt zelden gecollecteerd, al is dat natuurlijk in the eye of the beholder: dit was in elk geval een doel aan welks goedheid geen twijfel bestond. Iets met kinderen.

Zieke kinderen, of kinderen zonder schoon water in een ver land; het is me ontgaan, maar kinderen zijn kinderen dus ik gaf die collectant een tientje, dat wil zeggen, ik hield mijn telefoon tegen zijn pinautomaat, waarna mijn virtuele tientje dapper de sprong waagde.

De collectant, een knappe jongen, lachte zo stralend dat het me een beetje van mijn stuk bracht; toen gaf hij mij ook nog, allemaal voor dat ene tientje, een piepklein kartonnen doosje. ‘Het brengt geluk’, zei hij, nóg eens met die lach.

Thuis bekeek ik het doosje. ‘Klavertje vier’ stond erop. In het doosje zat een minuscuul bloempotje met twee knolletjes. Ach ja.

Hoeveel van die doosjes heb ik niet gekregen in mijn leven? Alleen al die ‘moestuintjes’ van de supermarkt. Moestuintjes! Je ziet de weelderige aardbeienvelden al voor je, nietwaar, de sappige peentjes, knakgrage sperziebonen, glanzende pompoenen zover het oog reikt, en dan ik, die met mistige blik over de vruchtbare vlakte staar, mijn arm om de schouders van mijn oudste zoon, de woorden sprekend die iedere moeder gesproken wil hebben: ‘Jongen, eens zal dit alles van jou zijn.’

De werkelijkheid bestaat uit een verregend balkon op het noorden, waar niets wil groeien. Nooit. Nog geen tuinkers. Tientallen van die verneukeratieve ‘moestuintjes’ heb ik daar hoopvol begoten en gekoesterd, met kwalijk dampende schimmels en korstmossen als enig resultaat. Trouwens, klavertjesvier bestaan niet eens.

Maar ja, weggooien is ook weer zo wat, dus hield ik het prulletje toch onder de kraan, zette het op het balkontafeltje, tussen opa’s overvolle asbak en de uitdampende gymschoenen van mijn jongste, en vergat dat hele klavertjevier.

Wie schetst mijn verbazing toen ik, luttele dagen later, het balkon op slofte en daar een heuse plant aantrof, roze bloemetjes en al, met klavertjes vier ter grootte van dankbare kinderhanden. Mijn mond viel open, bijna net zo ver als toen dat tweede vliegtuig de Twin Towers ramde. Een wonder!

Terwijl ik verrukt de tere blaadjes bekeek kwam huisgenoot P. binnen. ‘Ik heb de auto in de prak gereden’, verklaarde hij. Het was, geloof ik, niet zíjn schuld maar die van Elon Musk; hoe dan ook, die auto was naar de vaantjes, maar P. was ongedeerd. Hij had alleen een bloedrode stip midden op zijn voorhoofd, van de klap.

Hindoes lopen ook wel met zo’n stip, maar dan expres.

Dat brengt geluk, geloof ik.

Meer over