'Mijn jeugd was niet minder dan een hel'

Cornald Maas in gesprek met kinderen van gescheiden ouders. Dit keer Lara van der Krift (37), managementassistent in de hulpverlening....

‘Mijn moeder is lesbisch en dat wist ze al vanaf haar middelbareschooltijd. Maar ze is Finse en in Finland was dat toen strafbaar. En haar vader accepteerde het niet. Ze heeft daarna amechtig geprobeerd het te ontkennen. Intussen werd ze penvriendin van mijn vader. Ze zochten elkaar op en mijn vader werd op slag verliefd. Mijn moeder is uiteindelijk naar Nederland gekomen. Maar nadat mijn zus was geboren en ze zwanger was van mij, wilde ze eigenlijk al weg. Het kwam er ook van, een jaar na mijn geboorte; van de ene op de andere dag pakte ze haar biezen en ging ze terug naar Finland.

Ze dacht, heb ik later begrepen, dat ze mijn zus en mij niks te bieden had, dat we beter bij onze vader konden blijven. Die bleef in overspannen toestand achter. We kregen absurd veel verschillende gezinshulpen en we hebben ook nog in een pleeggezin gewoond. Dat liep uiteindelijk mis omdat de vrouw in dat gezin, die onvruchtbaar was, ons eigenlijk wilde hébben. Uiteindelijk trouwde mijn vader met onze oppas. Niet uit liefde, maar omdat zij voor ons, zijn kinderen, zou kunnen zorgen.

Dat liep anders. Zij was veel jonger dan hij en ze had geen idee wat het moederschap inhield. Ze werd, naast mijn introverte vader, al snel een klassieke stiefmoeder. Ze behandelde ons niet goed, was verdrietig en gefrustreerd en reageerde dat op ons af. We konden niks goed doen. Ik ging erin geloven, in haar verhalen. Ik dacht dat ik slecht was. Mijn vader wilde niet zien hoe mijn stiefmoeder opereerde en ik durfde hem, angstig als ik was, amper iets te vertellen. Ook als hij er fysiek wel was, was hij er niet. Hij ving onze signalen niet op, hij realiseerde zich niet hoe erg het was; mijn jeugd was niet minder dan een hel.

Mijn zus werd op een gegeven moment het huis uitgezet en ik, tot dan toe de bemiddelaar, bleef alleen achter. Een jaar lang heeft mijn stiefmoeder niet tegen me gepraat, ook niet als we ’s avonds samen aan tafel zaten te eten. Mijn vader wist niet wat hij ermee aan moest. Nadat ik het huis uit was gegaan om in Amsterdam te studeren, heb ik mijn stiefmoeder achttien jaar lang niet gezien of gesproken. Ik was ook niet langer welkom in mijn ouderlijk huis, zo werd me door haar te verstaan gegeven. Mijn vader kwam voortaan naar Amsterdam en dan bezochten we een tentoonstelling, we aten wat samen en dronken een glaasje wijn.

Tijdens al die ontmoetingen, vele jaren lang, heb ik geprobeerd met hem te praten over wat er gebeurd was, maar dat bleef toch moeilijk. Ik trouwde, jong nog, en na een tijdje liep mijn huwelijk op de klippen. Dankzij mijn vriend, met wie ik nu zeven jaar een relatie heb, werd ik wat milder. Hij was geduldig als ik somber was en dwong me om mezelf uit te spreken. We kregen twee kinderen. Daarvan raakte ik aanvankelijk in paniek. Ik dacht: hoe moet dat? Kan ik dit wel? Steeds was er de angst dat ik hetzelfde zou zijn als mijn moeder. Mijn ingepakte tas stond bij wijze van spreken al klaar.

Van mijn vader verwachtte ik intussen niet veel meer; ons contact was goed zo, besloot ik, ik hoefde niet meer het onderste uit de kan te halen. En net toen ik daarmee in het reine gekomen leek te zijn, gebeurde het: een jaar geleden, toen mijn vader op zijn motor op weg was naar Amsterdam, verongelukte hij. Ik belandde in een achtbaan. Opeens stond ik, in het mortuarium, weer oog in oog met de stiefmoeder die ik achttien jaar lang niet had gezien. En toch, gek genoeg, waren mijn zus, zij en ik in staat om in goed overleg de uitvaart te regelen. Tijdens de crematie zei mijn stiefmoeder het voor het eerst, en ook nog in het openbaar: dat ons gezin mislukt was. Dat voelde als een vorm van erkenning.

Sindsdien zie ik haar af en toe. In de eerste weken na mijn vaders dood heb ik haar geholpen zaken uit zijn leven af te handelen. Ze heeft me veel over hem verteld. Uiteindelijk zijn ze samen toch gelukkig geworden. En mijn vader bleek ook veel meer in het middelpunt van de belangstelling te hebben gestaan dan ik had gedacht. Hij had veel vrienden en hobby’s en zette zich voor veel mensen in.

Mijn moeder heb voor het eerst weer gezien toen ik 23 was, nog voor mijn vader overleed. Ik wilde haar eenmalig ontmoeten, schreef ik haar, om haar kant van het verhaal te horen. Ze kwam naar Amsterdam. Een echte pot, een kerel haast, heel nerveus, die in het café waar we heen gingen alleen maar zat te janken. Ik voelde geen enkel raakvlak. Pas na de dood van mijn vader heb ik haar weer gezien, in het gezelschap van de vrouw met wie ze inmiddels is getrouwd, een jeugdliefde van de middelbare school. Maar ook toen voelde ik geen enkele connectie. In een e-mail heb ik haar laten weten dat ik haar niet meer wil zien, niet uit boosheid, maar omdat er niks tussen ons is. ‘Ik heb geen verleden met je en geen heden’, schreef ik haar, ‘en ik zie ook geen toekomst met je.’

Lang heb ik het gevoel gehad dat ik er niet toe deed, dat ik niks zou kunnen. Ik had er niet moeten zijn, was mijn overtuiging, het is terecht dat mensen me niet zien staan. Door de dood van mijn vader is dat veranderd. Ik ben vastbesloten er iets van te maken. Mijn zus vroeg het laatst: ‘Je hebt je leven lang gepiekerd, is het niet ook een opluchting dat hij overleden is?’ Het precieze antwoord weet ik niet, maar ik merk wel dat er een bepaalde rust in mijn leven is gekomen, voor het eerst. Ik kan van mijn vader niets meer verwachten, dus ik hoef ook niet langer teleurgesteld te zijn.’

Meer over