InterviewRoel Oostra (100 jaar)

‘Mijn hele leven ben ik een enorme bofkont geweest’

Roel Oostra is evenals de Volkskrant 100 jaar. Hoe kijkt de voormalige banketbakker en theaterdirecteur terug op de eeuw die achter hem ligt en wat vindt hij van het huidige tijdsgewricht?

Marjon Bolwijn
De 100-jarige Roel Oostra uit Drachten.
 Beeld Aurélie Geurts
De 100-jarige Roel Oostra uit Drachten.Beeld Aurélie Geurts

Fier, met gestrekte rug zit hij in de leunstoel in de achterkamer van zijn met boekenkasten gevulde hoekwoning in Drachten. Roel Oostra wijst naar de hoek waar nu een lichtgroene stoel staat, een donatie om de ruimte te vullen waar vier jaar lang het bed van zijn zieke vrouw Corrie stond. Sinds haar overlijden in mei dit jaar zorgen drie dochters die in de buurt wonen dat hun vader elke dag een van hen op de koffie krijgt, met een plak Drachter turf erbij. Voor het eerst in tachtig jaar zal hij Kerst vieren zonder zijn echtgenote. ‘Dit is een moeilijke maand’, klinkt het nog net hoorbaar. En in één adem, met ironie in zijn stem: ‘Op mijn leeftijd begeef je je niet meer op de huwelijksmarkt.’

Als Oostra de voordeur uitstapt en naar rechts kijkt, ziet hij zo’n honderd voetstappen verderop in rode neonletters ‘De Lawei’ staan, de naam van de schouwburg waarvan hij 25 jaar directeur is geweest. De Friese amateur-cabaretier maakte landelijk naam als ontdekker van jong talent als Youp van ’t Hek en Herman Finkers. Hij maakte zich geliefd onder optredende artiesten, die de jaarlijkse Roel Oostraprijs in het leven riepen voor het meest gastvrije theater van het land. Met een bijna voortdurende grijns op zijn gezicht graaft Oostra voor de interviewer in zijn geheugen.

Wat is een van uw mooiste jeugdherinneringen?

‘Wat een moeilijke vraag, dat is zó lang geleden. Ik zou kunnen vertellen dat ik zwaar gepadvinderd heb vanaf mijn 12de. Ik heb er zaken geleerd waar ik nooit meer iets mee heb gedaan, zoals knopen leggen en het morse-alfabet. Wat ik er wel aan heb overgehouden, is dat ik nooit ben gaan roken en ook de alcohol heb laten staan. Nou ja, de laatste tijd drink ik af en toe een glaasje wijn of port, voor de gezelligheid. Dus denk niet dat, als je straks weggaat, ik een kast opentrek om in mijn eentje een hele fles soldaat te maken.’

Wat ziet u als de grootste verandering van de afgelopen eeuw?

‘De digitalisering. De eerste computers zie ik nog voor me.’ Hij spreidt zijn armen. ‘Enorme bakbeesten. En nu loopt iedereen rond met een klein apparaatje waar je alles mee kunt, zelfs beeldbellen. Ja, ik heb er ook een, en een Ipad waarop ik de letters van de Volkskrant zo mooi kan vergroten. Ik ben noodgedwongen ook deel geworden van de digitale wereld, want mijn tweewekelijkse column Pakepraat verschijnt niet meer in de Pluskrant, die is opgeheven, maar op DichtRbij.nl. De digitalisering heeft er wel voor gezorgd dat er minder gezelligheid is. Mensen vermaken zich met hun apparaten en komen minder vaak bij elkaar. Voor de computer zijn intrede deed was er in elke plaats een rijk verenigingsleven waaraan bijna iedereen deelnam en kende je iedereen in de straat.’

Welke ervaring in de oorlogsjaren maakte de meeste indruk op u?

Eerst de kolder: ‘In augustus 1939 werd ik gemobiliseerd. Daar had ik natuurlijk geen zin in. Maar het ging niet door. Ik denk dat zodra Hitler hoorde dat de Fries Roel Oostra was opgeroepen voor het leger, hij zich bedacht en afzag van de inval in Nederland.’

Dan serieus: ‘Eén moment ben ik enorm bang geweest. In april 1945 voerden Duitse soldaten een razzia uit in de straat waar ik zat ondergedoken. Bij de benzinepomp voor het huis hing een spandoek: wie zich niet meldde zou erschossen worden. Ik hield mij schuil in een keukenkastje, helemaal opgevouwen. Ineens dreunden soldatenlaarzen door de keuken. Nu ben ik er geweest, dacht ik. Zoals je ziet, hebben ze mij niet ontdekt.

‘De avond voordat ik in september 1942 ging onderduiken om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen, zal ik ook nooit vergeten. Ik besloot goede vrienden gedag te zeggen, de Joodse familie Turksma aan de Stationsweg hier in Drachten. Het duurde lang voordat de deur openging. Op een gegeven moment zag ik tussen de gordijnen het witte gezichtje van moeder Betsie, ze vreesde verkeerd volk. Haar man Mozes was al opgepakt. Betsie liet mij binnen en zei: ‘Als hij daar flink werkt, zullen ze hem wel goed behandelen.’ Achteraf bleek Mozes toen al omgebracht. Ik vertelde een onderduikadres voor haar en haar dochter Doortje te weten, maar ze wees het aanbod af met de woorden: ‘We willen andere mensen geen last bezorgen’. Bij het afscheid gaf ze mij vier gevulde koeken mee. Korte tijd later zijn Betsie en Doortje ook opgepakt en rechtstreeks naar de gaskamers gebracht.’

Na de oorlog werd u banketbakker. Hoe wordt een bakker theaterdirecteur?

‘Mijn hele leven ben ik een enorme bofkont geweest. Ik ben overal ingerold. De vader van Corrie had een banketbakkerij. Na de oorlog had hij te weinig personeel, wat doe je dan als aspirant-schoonzoon? Je slooft je uit voor de man en gaat hem helpen. Ik haalde mijn diploma’s en jaren later nam ik de zaak over. In mijn vrije tijd trad ik op met mijn eigen cabaretgezelschap, De Spinnekop, waarvoor ik de teksten schreef. Met onze voorstellingen traden we wel 74 keer op, drie keer per week, in cafés, dorpshuizen, bij verenigingen. We wilden moderne, vrolijke voorstellingen maken, niet alleen over boeren en aardappels.’

Hij zingt het openingslied van elke voorstelling:

Wy bin yn it miel fan it libben / ‘t ûnmisbere leppeltsje sâlt / in sankje, in grapke, in praatsje / dêr reizgje wy mei troch de wrâld / Wy wolle mei elts graach yn goedens / dat nimme jim wol fan ús oan / mar kin wy in stikeltsje stekke / dan wurd dat net útstelt oant moarn

(Wij zijn in de maaltijd van het leven / het onmisbare lepeltje zout / een liedje, een grapje, een praatje / daar reizen we mee door de wereld. / Wij willen graag met iedereen goed opschieten / dat geloven jullie toch wel / maar zien wij zaken die kritiek behoeven / dan stellen we dat niet uit tot morgen)

‘Toen Drachten in 1960 een theater kreeg – het was nog meer een dorpshuis dan de grote schouwburg die we er later van hebben gemaakt – stelden ze als directeur iemand uit Zwolle aan. Dat bleek niet zo’n succes. De gemeente wilde van hem af en vroeg of die functie niet iets voor mij was. Ik zei: ik doe het als jullie mij de komende drie jaar niet voor de voeten lopen, want ik heb hier geen verstand van en jullie ook niet. Ik ben theaters in het hele land afgegaan om te zien hoe je een theater runt.’

Uit de tijd van zijn cabaretgezelschap De Spinnekop, 1959/1960 . De foto hoort bij de voorstelling 'Merkegasten' waarvan Roel Oostra ook de schrijver was.  Beeld Aurélie Geurts
Uit de tijd van zijn cabaretgezelschap De Spinnekop, 1959/1960 . De foto hoort bij de voorstelling 'Merkegasten' waarvan Roel Oostra ook de schrijver was.Beeld Aurélie Geurts

Youp van ‘t Hek zei in de Leeuwarder Courant: ‘Onder cabaretiers was Drachten een van de populairste speelplekken en dat kwam door Roel Oostra.’

‘Door mijn ervaring als amateur-cabaretier wist ik wat artiesten nodig hebben: aandacht. Als ze aankwamen ontving ik hen persoonlijk en informeerde naar hun reis. Ik keek de hele voorstelling – zat schouwburgdirecteuren komen niet of aan het eind vijf minuten en steken dan hun duim hoog: uitstekend! – en zei na afloop iets aardigs. En ik gaf ze altijd bitterballen mee voor onderweg naar huis.’

U heeft cabaretiers als Herman Finkers en Youp van ‘t Hek ontdekt. Hoe deed u dat?

‘En Fons Jansen niet te vergeten, een grote. Hij maakte ontzettend leuke grappen over het katholieke geloof. De pastoor was niet blij met deze nieuwlichterij in De Lawei, en bezoekers beklaagden zich in de foyer erover dat hij de hemelpoort aanveegde. Maar vervolgens waren al zijn voorstellingen uitverkocht. Ik ging kleine zaaltjes in het land af en organiseerde ieder jaar een theaterdag waar jonge talenten achter elkaar een korte voorstelling mochten geven. Ze kregen goed te eten. Daar kwam Herman Finkers bijvoorbeeld op af, en het Deep River Quartet.’

Zaten er ook eigenheimers tussen de artiesten?

‘De cabaretier Wim Kan kon soms ineens heel boos worden. Een keer stonden enkele bezoekers vlak voor het einde van zijn voorstelling op om als eerste bij de bar te zijn. Na afloop ging hij wel vijf minuten tegen mij tekeer: ik moest mijn gasten opvoeden. Zijn vrouw Corry Vonk liep tussen ons heen en weer en zei: ‘Let maar niet op hem, hij stopt zo wel.’ Toen ik hem gedag wilde zeggen, bleek hij al in de auto weg te rijden. Zijn vrouw draaide het raam naar beneden: ‘Mijn man is verdrietig’, zei ze. Ik was verbijsterd.’

Wat vindt u van cabaret anno nu?

‘Van der Laan en Woe vind ik ontzettend leuk en knap, maar ze praten zo snel. Dat doen alle cabaretiers tegenwoordig, het is soms moeilijk te volgen. Als je nu naar Wim Kan luistert valt op hoe kalm hij sprak, maar zijn verhaal zat wel stikvol grappen.’

Hoe schat u de overlevingskansen van de Friese taal in?

‘Die blijft bestaan, de taal is zo rijk aan uitdrukkingen en zo mooi van klank. In mijn jonge jaren sprak 90 procent van de Drachtenaren Fries. Sinds Philips hier kwam, is dat minder geworden. In de kleuterklas waar ik voor corona voorlas in het Fries zat maar één kind dat de taal thuis sprak. Mijn eigen kleinkinderen spreken ook geen Fries.’ (Doet alsof hij begint te huilen.) ‘Dat komt denk ik doordat al mijn vijf kinderen met een niet-Fries zijn getrouwd. Dat had ik destijds beter in de gaten moeten houden.’

Na tachtig jaar samenzijn moet u zonder uw vrouw verder, vraag je je na zo’n lange tijd af wie je bent zonder de ander?

‘Het scheelt dat ik optimistisch van aard ben. Ik ben nog nooit zo emotioneel geweest als nu. Op tv hoeft maar iemand een bloemetje aan een ander te overhandigen en ik begin al te huilen. De avonden zijn lang als je niemand hebt om tegenaan te zeuren. Ik kan wel gaan zitten treuren, maar daar schiet ik niks mee op.

‘De afgelopen vier jaar dat ik voor Corrie heb gezorgd, was ik de huisman. Zo ontdekte ik hoe druk zij het altijd heeft gehad. Achteraf denk ik: ik heb veel aan haar te danken want ik werkte veel, van vroeg in de ochtend tot laat in de avond, alleen tijdens het avondeten was ik even thuis. Zij gaf mij alle ruimte. Het betekende ook dat de kinderen weinig aandacht van mij hebben gekregen en ik veel van hen heb gemist. Dat betreur ik. Mijn vrouw stond vrijwel alleen voor de opvoeding. Nu profiteer ik van hoe goed zij dat heeft gedaan, want de kinderen zijn zo zorgzaam voor mij. Ik ben nog steeds een bofkont.’

Roel Oostra

geboren: 29 augustus 1921 in Oosthem

woont: zelfstandig, in Drachten

familie: een broer (95 jaar), vijf kinderen, elf kleinkinderen en drie achterkleinkinderen

weduwnaar sinds: mei 2021