Eenzame uitvaart

Mevrouw S. deed zo haar best, maar toch kreeg ze in Nederland nooit de kans waarop ze had gehoopt

Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk.

null Beeld Merel Corduwener
Beeld Merel Corduwener

Droomvrouwen uit Rusland! Ook uitgekeken op geëmancipeerde Nederlandse dames? Russinnen kunnen goed koken, zijn huiselijk en lief. Vraag nu onze gratis fotobrochure aan.

Mevrouw S., in 1962 geboren in Novosibirsk, wist vermoedelijk niet dat een twijfelachtig huwelijksbureau op deze wijze in een Nederlandse krant reclame voor haar maakte. Het was 1991, ze woonde in Sotsji aan de Zwarte Zee. De schrale Sovjet-jaren lagen achter haar, maar in de nieuwe Russische Federatie onder leiding van president Jeltsin was van de beloofde kapitalistische welvaart bepaald geen sprake.

In Moskou was ze aan een middelbare technische school opgeleid als stukadoor, op bouwplaatsen smeerde ze mortel op de muren. De communistische heilstaat van weleer streefde gendergelijkheid na, zwaar werk was niet alleen voor mannen.

Na een paar jaar stuken had ze er genoeg van en meldde zich aan op een academie voor kunstnijverheid. In 1982 behaalde ze het diploma, met klassiek borduren als specialisatie. Aan klassiek borduren was in de glasnost-jaren onder Gorbatsjov weinig behoefte, opnieuw kon ze mortel gaan smeren.

In Sotsji, waar een oom woonde, vond ze werk dat beter bij haar paste. Voor een congrescentrum ontwierp ze logo’s, voor een hotelketen menukaarten, voor de gemeente routekaarten met toeristische informatie.

Het was allemaal tijdelijk en leverde amper iets op. In het Westen, dacht ze, zou het leven beter zijn. Een vrouw met wie ze aan de academie had gestudeerd zei dat die droom voor haar bereikbaar was, omdat ze er goed uitzag: lang, blond en slank.

Westerse mannen waren volgens deze informant minder lomp dan Russische mannen, ze dronken niet zo veel en waren betrouwbaar. Een tussenpersoon bracht mevrouw S. met huwelijksbureau Amor in contact. Een fotograaf kwam foto’s van haar maken. Ze moest zich verleidelijk kleden, bevallige posen aannemen en stralend lachen.

Een 43-jarige Amsterdammer reageerde, hij woonde op eenhoog aan de Ceintuurbaan en had de advertentie in De Telegraaf zien staan. Hij zag er verzorgd uit op de foto die mevrouw S. van hem ontving: ringbaard, donkerbruine ogen, ietwat corpulent.

Op 14 december 1991 kwam ze op Schiphol aan, hij had haar ticket en andere onkosten betaald. Ze spraken elkaars taal niet, de communicatie verliep stroef. Ze trok bij hem in, op 23 juli 1992 vond het huwelijk plaats.

Het is onduidelijk wat de man deed voor de kost. Hij lustte vermoedelijk wel een borrel. In de woning van mevrouw S., waar ik op 16 september met twee medewerkers van Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (Trup) van de gemeente Amsterdam naartoe ben gegaan, vind ik foto’s van hem in een groezelig mapje.

De foto’s zijn genomen aan de toog van verschillende clubs en café’s. Kroegvrienden om hen heen, grijnzend heft hij het glas, de postorderbruid zit er verloren bij. Meteen na het huwelijk begon ze met Nederlandse les. ‘De cake in de oven stond nadat kookten de aardappelen’, lees ik in een schrift uit die tijd. ‘De zon schijnt nadat regent het.’

De man was minder rijk dan mevrouw S. misschien had gehoopt. Ze nam een krantenwijk en maakte kantoren schoon. Om voor beter betaalde banen in aanmerking te komen probeerde ze met hulp van een vertaalbureau haar Russische diploma’s om te zetten naar Nederlandse standaarden.

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen liet weten dat de middelbare technische school in Nederland onder het lager beroepsonderwijs viel. De academie van kunstnijverheid, volgens haar van hbo-niveau, kon in het geheel niet worden gewaardeerd omdat zo’n opleiding in West-Europa niet bestond.

Daarmee was haar achterliggende plan, wetenschappelijk onderwijs volgen, meteen ook van de baan. Ze zou de universiteit overigens nog vaak van binnen zien, toen het uitzendbureau haar in 1994 indeelde bij een schoonmaakploeg die collegezalen reinigde.

Het ging niet goed tussen mevrouw S. en de man. Na een ruzie keerde ze in 1995 voor enkele maanden terug naar Sotsji. In de voormalige datsja van Stalin, verbouwd tot hotel, werkte ze als kamermeisje.

In Moskou zocht ze haar moeder op. Haar vader, fabrieksarbeider, was in 1989 op 59-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van levercirrose. Ze ontmoette haar twee oudere broers, haar jongere zus en de oom, die haar een stukje bouwgrond in de buurt van Sotsji zou nalaten.

Ze ging weer naar Nederland, werkte opnieuw als schoonmaker. In 1996 vroeg ze bij de gemeente Amsterdam een vergunning aan om op straat portrettekeningen te mogen maken.

De gemeente vond het goed zolang ze haar diensten ‘niet luidkeels’ of ‘op andere hinderlijke wijze’ aan het publiek zou opdringen, lees ik in de ontheffing. Zeker een jaar lang heeft ze op de Nieuwmarkt en het Spui op verzoek van voorbijgangers houtskoolportretten gemaakt.

In april 1997 werd het huwelijk ontbonden. In een wanhopige brief die ze een paar jaar later aan de sociale dienst stuurde schrijft ze dat haar ex-man – hij is in 2018 overleden – haar ‘leuke leven’ had beloofd. Er kwam slechts ‘naarigheid’, het huwelijk was ‘zwaar verkeerd’. De ex-man was vaak boos op haar, hij had huwelijksbureau Amor veel geld betaald. De geleverde wederdienst was hem niet goed bevallen.

In de Bijlmer vond ze een kamer, aan de Varikstraat. Douche en keuken deelde ze met een andere bewoner. Ze gaf de moed niet op en betaalde het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) 500 gulden om de cursus ‘Een eigen bedrijf in Nederland’ te volgen.

Afgezien van een intussen vergeeld certificaat leverde de cursus haar niets op. De verschillende organisaties en instellingen die ze uit naam van haar eenmanszaak in de kunstnijverheid benaderde reageerden niet of afwijzend.

De hoofdrestaurator van de stichting Werkplaats tot Herstel van Antiek Textiel liet per brief weten dat ‘na uitvoerig intern overleg’ was besloten haar niet in te huren voor de restauratie van een historisch wandtapijt. Hij was onder de indruk van haar vaardigheden, die ze in het atelier in Haarlem was komen demonstreren, maar vreesde dat ‘de taalbarrière tussen u en ons vertraging en fouten in het restauratiewerk zou kunnen veroorzaken’.

Ze leefde zuinig, soms lukte het om wat te sparen. Dan stuurde ze een klein bedrag in dollars of goud naar familie in Rusland. Daar was, blijkt uit kopieën van brieven aan haar oudste broer, een schandaal uitgebroken.

Haar zus had ontdekt dat ze niet van dezelfde vader was. Begin jaren tachtig zou hun moeder er een affaire op hebben nagehouden, uit verdriet greep hun vader naar de fles. De een na oudste broer wilde wraak gaan nemen op de inmiddels bejaarde minnaar, er kwam politie aan te pas. Deze broer was ook een stevige drinker, hij kreeg kalmeringsmiddelen voorgeschreven en overleed toen plotseling.

De moeder stierf in 2002, gekweld door schuldgevoel. Mevrouw S. reisde met de trein naar Rusland om de begrafenis te kunnen bijwonen. Weer in Nederland kreeg ze last van haar rug, het schoonmaakwerk ging traag.

Een zekere Wim bracht kortstondig geluk. Hij hielp haar met de verhuizing naar de de Retiefstraat. Met Wim bracht ze in de zomer van 2003 een week door op Tenerife, daarna verdween hij spoorloos uit haar leven.

Thuis aan haar bureau maakte ze sieraden en borduursels die ze in boetiekjes in het centrum van Amsterdam probeerde te verkopen. In 2004 vroeg ze een uitkering aan, het voelde als een nederlaag.

‘Ik ben van nette familie opgevoed, altijd werken, nooit geld vragen’, schrijft ze in de brief aan de sociale dienst. ‘Als papa wist dat ik uitkering kreeg, hij kreeg infarkt. Ik heb veel gewerkt, keurig vak geleerd. Ik dacht dat ik nooit arm zal worden. Dit kruis op mijn rug te zwaar.’

Ze begon warrig gedrag te vertonen, sloot zich op in de woning, sliep op een bank in de huiskamer. Als er rekeningen betaald moest worden ging ze naar een buurthuis waar computers stonden, zelf had ze er geen. Boodschappen deed ze bij Vkus, een supermarkt met Russische producten.

Begin augustus van dit jaar kwam de onderbuurvrouw van mevrouw S. terug van vakantie. Het tapijt in de huiskamer zat vol met vliegjes. Ze zoog de vliegjes op, de volgende dag waren ze er weer.

De vliegjes bleven terugkomen, ook toen ze het tapijt naar een stomerij had gebracht, wat 90 euro kostte. Misschien was het van slechte kwaliteit, ze zocht op internet om te zien of mensen met een vergelijkbaar tapijt er ook last van hadden.

Ze rook een afschuwelijke stank toen ze de trap opliep om iets uit het berghok op de zolderverdieping te halen. Haar vader, die om de hoek snackbar Snorretje uitbaat, zei dat ze de politie moest bellen, ook omdat de brievenbus van de bovenbuurvrouw, die haar in het trappenhuis altijd schichtig voorbijschoot, propvol met post bleek te zitten.

In de huiskamer, naast de bank waar ze op sliep, troffen agenten aan wat over was van mevrouw S. Het mysterie van de vliegjes was opgelost: door oude boorgaten in het plafond van de onderbuurvrouw vielen larven naar beneden.

Op zoek naar documenten die licht moeten werpen op haar financiële situatie en een eventueel testament, dat niet wordt gevonden, komen de Trup-medewerkers merkwaardige voorwerpen tegen: een in plastic gewikkelde babypop, een imitatiefoetus van een tweeling in een glazen pot en talloze tasjes die als matroesjka’s in grotere tassen zijn verstopt.

Een van de tasjes bevat een sleutel die op de meterkast past. In de meterkast hangt een rugzak met daarin nog wat tasjes. In het laatste tasje treffen de Trup-medewerkers een stapeltje vijftig euro-biljetten aan en een kleine gouden ketting, genoeg om de uitvaart te dekken die anders door de gemeente had moeten worden betaald.

In een brief aan haar broer uit 2015 schrijft mevrouw S. dat haar tanden uitvallen. Om geld uit te sparen heeft ze haar telefoonabonnement opgezegd. Ze wil terug naar Rusland, haar plan is om een huisje te laten bouwen op het stukje grond van haar oom. Het geld in de meterkast was mogelijk voor dit huisje bestemd.

Maandag 27 september, begraafplaats De Nieuwe Ooster aan de Kruislaan. Zes dragers, eenvoudige kist en een bloemstuk. Met Anneke Brassinga, dichter van dienst, neem ik in de kleine aula plaats. We wachten tot 10 uur, niemand verschijnt.

Na de vondst van het lichaam heeft de politie contact opgenomen met de Russische ambassade in Den Haag, zodat de oudste broer en de zus van mevrouw S. konden worden opgespoord. Tevergeefs, de Russen deden niets.

De kopieën van de brieven aan haar broer zijn ongeadresseerd. Zijn achternaam, en die van de zus, zijn in Rusland allesbehalve uniek, zoeken op internet en sociale media leidde evenmin tot resultaat.

Mevrouw S. krijgt eerst een nocturne van Tsjaikovski te horen, daarna van diezelfde componist het andante cantabile uit het Strijkkwartet Nr. 1, gebaseerd op het Lied van de Wolgaslepers. Wolgaslepers moesten in het tsaristische Rusland boten stroomopwaarts trekken, een vorm van sisyfusarbeid die me van toepassing lijkt op het leven van mevrouw S.

Interieur

In de doorzichtige zak ademt ademloos de baby –
dodepop, wit kruippak aan, met bloemetjes. Ernaast,
het deksel toegedraaid, gedijt sinds jaar en dag

in het broodbelegpotje van glas de Siamese tweeling,
ongeboren, het plastic vlees nog fris. Wij hoeven niet
te weten wat voorafging, wat hier bezegeld als reliek –

bij het licht van dood en heden zien we je gevangenis,
je verleden. Zwaar van kraaltjes, borduursels, patronen,
iconen, lapwerk bij rijgsteek steken gebleven toen

moed zonk, hoop vlood. Het leven geeft bijna alles
één keer gratis. Maar kijk, in het damestasje opgeborgen
in een damestas, en nog een damestasje opgeborgen in

een damestas en zo tot twintig keer toe: in het laatste
ritsvak van het allerlaatste tasje, daar vinden wij de sleutel
van meterkast brandkast vol opgespaard opgetast goud,

als geld vermomd je hart dat zich wou openvouwen,
een warme huls om iets wat klein en teer –

zoals een matroesjka in haar holte een matroesjka
bewaart en daar binnenin nog één en nog één en zo maar door
tot in ’t oneindige van al je talloze zo moederzielallenige

seconden – dan, opeens, zijn ze op. Siberisch meisje
aan het eind van de wereld, tsarina van je arme zelf,
in het volle gemis van omhelzing ben je weggegleden.

Anneke Brassinga schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.

Meer over