PostuumJean-Paul Belmondo (1933-2021)

Met zijn aangeboren bravoure was Jean-Paul Belmondo hét gezicht van de nouvelle vague

Jean-Paul Belmondo  met in zijn mondhoek een onafscheidelijke gauloise. Een mannenman, dat kon toen nog. Beeld Getty
Jean-Paul Belmondo met in zijn mondhoek een onafscheidelijke gauloise. Een mannenman, dat kon toen nog.Beeld Getty

De Franse acteur Jean-Paul Belmondo speelde in tientallen films, vooral in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Maandag overleed hij op 88-jarige leeftijd.

Een held van je vader, dat was Jean-Paul Belmondo. Rubberen lippen als Mick Jagger en die ironische twinkeling in de ogen à la Tony Curtis. In zijn mondhoek een onafscheidelijke gauloise. Een mannenman, dat kon toen nog. Zijn aangeboren bravoure bezorgde hem in de jaren vijftig, zestig, zeventig de gunfactor bij het grote publiek. Bébel noemden ze hem liefkozend. Veel warmer dan collega-acteur Alain Delon, zijn grootste rivaal. Daar was altijd iets mee, al speelden ze (Borsalino, 1970) ook weleens samen.

Verscheen Belmondo op het scherm dan viel een glimlach niet te onderdrukken. Om zijn good looks niet te verspelen gaf hij in 1949 zijn loopbaan als amateurbokser op, hoewel hij zijn eerste drie partijen op k.o. had gewonnen – in de eerste ronde nog wel. Dat uithalen met zijn knuisten kwamen Belmondo in zijn latere filmloopbaan nog goed van pas.

Een uitgesproken Franse acteur, maar er zat ook iets Italiaans in, van vaders kant. Vader Paul Belmondo was beeldhouwer, en dat zijn zoon de kunsten in wilde was thuis dan ook geen probleem. De jonge Jean-Paul – op 9 april 1933 geboren te Neuilly-sur-Seine, een deftige voorstad van Parijs – ging theater studeren aan de Nationale Academie. Volgens de overlevering was hij de beste van zijn jaar maar een diploma kreeg hij niet, omdat hij meespeelde in een pastiche over de schoolleiding. De rebel Belmondo was geboren.

Wonderjaar

Zijn eerste rollen bestonden nog uit toneelstukken in de provincie, en voor tv dook hij op als D’Artagnan in De drie musketiers – een logische keuze. Dat was in 1959, maar zijn wonderjaar was aanstaande. Claude Chabrol castte hem in de thriller À double tour (1960). Dat viel al goed, maar het was de debuterende regisseur Jean-Luc Godard die hem in À bout de souflle (1960) promoveerde tot een slechterik om van te houden. Het verhaal, heel in het kort: de kruimeldief Michel steelt een auto en doodt per ongeluk een achtervolgende motoragent. Hij wil op de vlucht naar Italië en probeert de hippe Amerikaanse journalist Patricia (Jean Seberg) te verleiden om met hem mee te gaan.

Ogenschijnlijk een eenvoudig verhaaltje, losjes gebaseerd op de lotgevallen van de echte crimineel Michel Portail. Maar dat was niet de charme van de film. Die bestond uit de revolutionaire jump cuts in de montage, kris-kras sprongen vooruit in de tijd, en meer nog uit de improvisaties die Belmondo produceerde op de vaak wat warrige aanwijzingen van de nieuwbakken regisseur. De film werd een internationale hit, en plotseling was Belmondo hét gezicht van de nouvelle vague. Belmondo, achteraf: ‘Ik heb werkelijk geen idee wat ze daarmee bedoelden. Nouvelle vague?’

Schermende edelman

Maakte niet uit, sindsdien vond hij zichzelf – vaak als gangster, soms als schermende edelman – terug op de set naast grote namen als Lino Ventura, Jeanne Moreau, Sophia Loren, Claudia Cardinale, Gina Lollobrigida, Anna Karina en Emmanuelle Riva – allemaal Europese filmelite. Maar of hij nu weinig fiducie kende in het vervolg van zijn loopbaan, of dat het publiek erom vroeg, al in 1963 publiceerde hij maar vast zijn autobiografie Trente ans et vingt-cinq films – dertig jaar en vijfentwintig films. Als in: je weet maar nooit hoe mijn carrière zal verlopen.

Het viel alleszins mee. In 1964 domineerde hij het lijstje van succesvolle films in Frankrijk met L’homme de Rio waarin hij zijn ontvoerde vriendin uit de klauwen van juwelendieven moet redden. Dit is de film waarmee Belmondo zichzelf opnieuw uitvond, en wel als actieheld, die bovendien het liefst zelf zijn stunts deed. Je leest het terug op het affiche: ‘Parachutes… Alligators… Moordenaars… Vrouwen… Je denkt dat het makkelijk is? Alleen voor een grote avonturier zoals ik.’

En hij meende het: ‘Ik prefereer,’ verklapte hij in 1964 aan The New York Times ‘het avonturengenre boven de intellectuele Franse cinema van Alain Resnais of Alain Robbe-Grillet.’

Stripboeken

Het had ermee te maken dat hij hij in zijn jeugd al liefhebber was van stripboeken, met name Kuifje. Wat dat betreft zal het Belmondo plezier hebben gedaan om te lezen dat zijn gelaatstrekken de basis vormden voor de populaire westernreeks Blueberry van de Waalse auteur Jean-Michel Charlier en de Franse tekenaar Jean Giraud.

Jean-Paul Belmondo op het podium tijdens de uitreiking van de Césars in 2017 in Parijs. Beeld REUTERS
Jean-Paul Belmondo op het podium tijdens de uitreiking van de Césars in 2017 in Parijs.Beeld REUTERS

In 1967 nam hij een sabbatical. ‘Ik had het gevoel dat het echte leven aan mij voorbij trok.’ Hij keek wat rond in Hollywood, maar kreeg niets aangeboden wat hem beviel, en bovendien had hij geen zin om Engels te leren, hij was een Franse acteur per slot. Na anderhalf jaar keerde hij terug op de set, maar hij liet zich nu ook wat vaker casten in komedies en romantische drama’s. Daar bovenop begon hij zijn eigen productiefirma, voordat hij in 1987 terugkeerde naar zijn oude liefde: het theater. Zin laatste grote filmrol was in 1995 als hoofdpersoon Henri Fortin in Claude Lelouch’ versie van Les Misérables. Nadien werd hij getroffen door een hartinfarct, waarna hij in 2008 met Un homme et son chien nog eenmaal voor de camera verscheen. De gevolgen van zijn gezondheidsproblemen waren duidelijk zichtbaar.

Maar zo zullen we ons Jean-Paul Belmondo na bijna honderd Franse en Italiaanse films niet herinneren. Wij houden van zijn jeugdige branie, liefst met pet op, een echte Europese filmster. Uit een andere tijd, dat wel.

Meer over