Met mooi gebaar is nog geen onrecht hersteld

De commissie-Van Kemenade is op willekeurige gronden op 250 miljoen uitgekomen als rechtsherstel voor in de oorlog beroofde joden. Volgens Hella Rottenberg lijkt dat op het afkopen van een morele schuld, wat niet de bedoeling was....

DE commissies Van Kemenade, Scholten en Kordes hebben nuttig werk gedaan. Ze hebben geprobeerd te reconstrueren hoe de beroofde joodse bevolking na de oorlog hersteld is in haar eigendomsrechten en of er bij banken, verzekeraars, de effectenbeurs en de overheid nog tegoeden lagen die aan joden toebehoorden en niet waren teruggegeven.

Alleen al het feit dat dit onderzoek serieus, grondig en deskundig is gebeurd, is belangrijk. Niet zozeer omdat er een tamelijk braakliggend historisch terrein is ontgonnen, maar omdat de rapporten afrekenen met mythes. Het idee dat er onmetelijke rijkdommen verduisterd zijn die nog ergens bij Nederlandse instellingen verborgen liggen, kan nu op basis van feiten naar het rijk der fabelen worden verwezen.

Er zullen altijd mensen blijven beweren dat er voor 'miljarden' door Nederlandse instellingen is geprofiteerd - hoor maar wat Amerikaanse vertegenwoordigers van het Joods Wereldcongres en Nederlandse joden in Israël zeggen - maar tegen de vracht aan feitenmateriaal houden hun aanklachten geen stand.

Het graven naar de precieze gang van zaken bij het rechtsherstel heeft banken, verzekeraars en de overheid genoopt tot zelfonderzoek, tot een hernieuwd besef van de eigen houding jegens het handjevol joden dat de oorlog had overleefd. Ook al is het beeld dat uit de rapporten naar voren komt niet wezenlijk anders dan wat Presser en De Jong in hun standaardwerken hadden geconcludeerd, het is zinvol dat er vanuit een hedendaags perspectief een gefundeerd oordeel ligt over 'goed en fout na de oorlog'. Want al te gemakkelijk dreigen vijftig jaar na dato vertekeningen op te treden.

Aanvechtbaar daarentegen is de aanbeveling van de commissie-Van Kemenade aan de regering 'een gebaar' te maken, 'een materiële tegemoetkoming' aan de joodse gemeenschap te geven. Van Kemenade reageerde als door een wesp gestoken toen er commentaren klonken dat het bedrag van 250 miljoen een slag in de lucht was. Maar hij erkende zelf dat de omvang van de 'tegemoetkoming' hoogst subjectief was. De commissieleden hadden lang gepraat, gewikt en gewogen, en waren unaniem tot de slotsom gekomen dat 250 miljoen voor een gebaar 'redelijk en billijk' is.

De afwegingen van de commissie zijn ondoorzichtig gebleven en Van Kemenade heeft niet duidelijk kunnen maken waarom deze aanpak is gekozen. Door een arbitrair bedrag te noemen, lijkt het op afkopen van een morele schuld, en daar was het niet om begonnen. De bedoeling was juist zo precies mogelijk uit te pluizen welke joodse tegoeden ten onrechte naar de Nederlandse overheid waren gevloeid en die vervolgens terug te betalen.

Als het onderzoek niets aanwijsbaars had opgeleverd, was de aanbeveling van Van Kemenade nog te begrijpen geweest. De commissies hebben echter allerlei tegoeden gevonden die achteraf gezien ten onrechte in de kas van de overheid zijn beland, variërend van belastingaanslagen tijdens de oorlog tot de spotprijs waarvoor de staat Westerbork en Vught overnam, kampen die op kosten van de gedeporteerden waren ingericht.

De onderzoekers hebben vast niet alles kunnen traceren, en beslist niet tot op de cent nauwkeurig, maar waarom worden de bedragen die gevonden zijn, niet gebruikt als uitgangspunt voor een regeling? Door de verzekeraars is het voorbeeld van een dergelijke benadering gegeven.

Het argument dat Van Kemenade heeft aangevoerd, is merkwaardig en getuigt van weinig begrip. Volgens hem zou de overheid in dat geval alles moeten optellen en aftrekken wat van joden is ingehouden en aan joden is verstrekt, inclusief de uitkeringen voor vervolgingslachtoffers. Wat die sociale uitkeringen - vergelijkbaar met de WAO, maar veel moeilijker om voor in aanmerking te komen - te maken hebben met teruggave van geroofd eigendom, ontgaat mij.

Is het argument van Van Kemenade de werkelijke reden dat men op een willekeurig bedrag is uitgekomen? Of was de commissie bang dat een optelsom van de 'onbillijkheden', vermeerderd met inflatie, tot een veel hoger eindbedrag zou leiden? En werd de keuze ingegeven door de gedachte - die niemand ooit hardop zal toegeven - dat de verantwoordelijke autoriteiten nu eenmaal rekening moeten houden met het 'maatschappelijk draagvlak'?

Het zou een veel krachtiger en eerlijker indruk maken wanneer de commissie had gesteld: dit zijn de tegoeden die we bij de overheid gevonden hebben (rond de 65 miljoen) en vermeerderd met een (te bepalen) inflatiefactor adviseren we de regering dat bedrag in een fonds te storten.

Ongetwijfeld zou dan het touwtrekken over de hoogte van de vergoeding nog even doorgaan, maar dan had de regering met de rapporten in de hand zonder vrees, blaam of schuldgevoel kunnen antwoorden dat het deskundige en grondige onderzoek geen ruimte laat voor andere conclusies. De regering heeft zich gehaast de aanbeveling van de commissie-Van Kemenade over te nemen, in de hoop nu snel van de kwestie te zijn verlost. Maar het is niet te laat op die beslissing terug te komen en nog eens kritisch te kijken naar de motivatie van de commissie.

Wie een streep onder het verleden wil trekken, slaagt daar eerder in door onrecht echt recht te zetten, dan door zomaar een mooi gebaar te maken.

Meer over