Met kritiekloze hulp is Rwanda niet gebaat

Nederland geeft Rwanda hulp terwijl berichten over misstanden toenemen. Evert van Bodegom en Elske van Gorkum bepleiten herijking van de voorwaarden....

IN zijn reactie van 24 juni op het artikel van Rik Delhaas (Forum, 11 juni) pleit minister Pronk voor meer en gerichtere steun aan Rwanda, ondanks de vele negatieve ontwikkelingen.

Na de afschuwelijke gebeurtenissen in 1994 heeft Nederland de Rwandese overheid het voordeel van de twijfel gegeven en gepoogd Rwanda te steunen in het proces van wederopbouw. Pronks standpunt om de regering te steunen ten einde op den duur ruimte te maken voor mensenrechten en een democratisch systeem moet worden geprezen. Er moeten donorregeringen bereid zijn in dergelijke situaties risico's te nemen omdat het land anders gegarandeerd in chaos achterblijft. Maar hoe lang verdient een land als Rwanda het voordeel van de twijfel? Waar ligt de grens en hoe meet je of deze grens is bereikt?

Na vier jaar van aanhoudende en verontrustende berichten over de verslechterende situatie en de rol die de Rwandese overheid hierin speelt, moeten donoren zich deze vraag stellen. Welke consequenties moeten worden getrokken uit de berichten over mensenrechtenschendingen, de slechte rechtsgang, het twijfelachtige dorpvormingsbeleid, de etnische en parallel daaraan lopende economische tweedeling en het onderdrukken van het maatschappelijk middenveld?

Het recente Amnesty-rapport toont aan dat mensenrechtenschendingen door de verschillende partijen aan de orde van de dag zijn en dat er geen verbetering zichtbaar is. Daar komt bij dat de waarnemers van Unhrfor in mei door de overheid gedwongen zijn hun werk te staken.

Het moment lijkt aangebroken om duidelijke voorwaarden te stellen. Het verlenen van toestemming aan de Unhrfor om in Rwanda de mensenrechten te monitoren zou één van de voorwaarden moeten zijn die donoren aan hun steun verbinden.

De internationale gemeenschap is over het algemeen aarzelend geweest in het aanspreken van de Rwandese overheid op haar falen. Veel werd getolereerd wegens de enorm zware opgave waar de regering van een land na een genocide voor staat.

Ook schuldgevoel over de passieve houding tijdens de genocide en de angst de nieuwe regering tegen zich in het harnas te jagen, droegen hieraan bij. Als echter de internationale gemeenschap de misdaden niet bekritiseert en hier consequenties aan verbindt, wordt het verkeerde signaal gegeven.

De non-gouvernementele organisaties staan niet alleen in hun kritische houding ten aanzien van de ontwikkelingen in Rwanda. Minister Pronk heeft kennelijk ook aarzelingen. Het feit dat hij president Kagame van Rwanda nu in één adem noemt met Kabila (Congo) en de Taliban (Afghanistan), geeft aan dat zijn houding tegenover het huidige regime is gewijzigd.

Het Nederlands beleid gaat uit van een procesbenadering waarin de richting van de ontwikkelingen in Rwanda maatgevend is voor de bereidheid van de Nederlandse overheid verdere hulp te geven. Die ontwikkelingen zijn negatief, vindt minister Pronk klaarblijkelijk ook. De vraag is nu of er überhaupt nog mogelijkheden zijn om een 'stem van binnenuit' te steunen en welke dit dan is.

In zijn reactie op Rik Delhaas geeft minister Pronk aan dat het falende beleid van de Rwandese overheid voor hem reden is om meer en vooral gerichter steun te geven. Wij zijn van mening dat een evaluatie van het beleid tot nu toe de eerste stap zou moeten zijn. Er moet inzicht komen in de manier waarop het geld tot nu toe is besteed.

Er moeten duidelijke ijkpunten worden geformuleerd zodat evaluatie van de Nederlandse bilaterale steun en van de steun via multilaterale instituten in Rwanda mogelijk is. IJkpunten zouden het herstel van de rechtstaat, de ontwikkeling van een passende vorm van democratisering en een bijdrage aan het overbruggen van etnische tegenstellingen moeten zijn. De evaluatie zal inzicht moeten geven in de vraag waar er op dit moment nog ruimte is voor een effectief beleid.

Het argument van minister Pronk dat weinig effectieve hulp beter is dan geen hulp, is het argument van de burgemeester in oorlogstijd. Zolang geen evaluatie heeft plaatsgevonden, is moeilijk in te zien waarom het toekomstige beleid niet een voortzetting van het oude beleid zal worden, en een ruggesteun voor een in toenemende mate falend regime.

Op internationaal niveau zou daarom een daad moeten worden gesteld. Donorregeringen moeten de hulp aan strenge voorwaarden binden en niet effectieve hulp stopzetten. Hulp aan de bevolking kan het beste direct, buiten de regering om, worden gegeven. Hulp aan de overheid kan alleen worden gegeven wanneer duidelijke resultaten worden behaald.

De dialoog met de regering van Rwanda moet worden voortgezet, maar tegelijkertijd zou de Nederlandse regering duidelijk moeten maken dat een dialoog niet betekent dat alles gewordt accepteerd.

Resultaten moeten worden getoetst aan hun bijdragen aan de opbouw van de rechtstaat, de ontwikkeling van een passende vorm van democratie en aan hun bijdrage aan de overbrugging van etnische tegenstellingen. Daarnaast moet armoedebestrijding centraal blijven staan.

Evert van Bodegom is medewerker van de Stichting Oecumenische Hulp en Elske van Gorkum is medewerker van ICCO.

Meer over