Mazelen hadden verdwenen moeten zijn

Experts weten niet waarom de mazelen opnieuw de kop opsteken. Er is immers een prik tegen. Die blijkt echter het epidemiepatroon onvoorspelbaar te maken....

Gerbrand Feenstra

DE mazelen zijn terug in Nederland. Volgens de jongste cijfers zijn van begin 1999 tot en met afgelopen week 2932 gevallen van mazelen geregistreerd. De mazelenepidemie die in juni vorig jaar de kop opstak in Rhenen en die zich sindsdien als een olievlek over de Nederlandse bible belt verspreidde, neemt daarvan met 2341 gevallen het leeuwendeel voor haar rekening.

Infectieziektenbestrijders staan voor een raadsel. Na de landelijke introductie van de vaccinatie tegen mazelen in 1976, had de ziekte volgens theoretische berekeningen in 1991 verdwenen kunnen zijn. Maar dat is niet het geval geweest. Na een piek in 1988 (ruim 1600 gevallen) volgde in 1993 opnieuw een forse epidemische 'verheffing' (ruim 800 gevallen) en nu, zes jaar later, is er opnieuw een epidemie.

Wat is er mis? Kloppen de theoretische modellen over de verspreiding van mazelen onder de bevolking niet? Of is er sprake van regelmatige herintroductie van het mazelenvirus, bijvoorbeeld uit omringende landen?

Dr. Jacco Wallinga, populatiebioloog bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, houdt het op het laatste. 'Mazelen lijkt niet endemisch in Nederland; soms is de ziekte nagenoeg verdwenen, ook in regio's waar minder kinderen zijn gevaccineerd. De aangiftecijfers geven geen aanwijzingdat de mazelen in stand worden gehouden in die streken van Nederland waar kinderen om religieuze redenen niet worden ingeënt. Wel kan de ziekte, na import van het mazelenvirus, zich hier na een aantal 'rustige' jaren heel snel verspreiden omdat het aantal vatbare kinderen groot is.'

Wallinga en zijn collega, de epidemiologe drs. Susan van den Hof, publiceerden afgelopen zaterdag in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) een analyse van het verloop van de aangiftes van mazelen tussen 1976, toen in Nederland werd begonnen met de mazelenvaccinatie, en september 1999. Sinds de introductie van de mazelenprik is het aantal gevallen van mazelen snel gedaald. In 1979, 1985, 1990 en 1998 bereikten de aangiftecijfers 'historisch' lage waarden. Maar tussendoor, in 1988, 1993 en nu vanaf 1999, piekten de aangiftecijfers weer.

Een gedetailleerde analyse van die pieken en dalen per regio laat zien dat ze zich over heel Nederland voordoen. De epidemie van 1988 heerste gelijktijdig in alle regio's van het land. De epidemische verheffing van 1993 daarentegen verliep asynchroon, alsof het mazelenvirus in de loop van de tijd van de ene naar de andere regio oversprong.

Synchroniciteit van mazelen-epidemieën lijkt inherent aan het beloop van de ziekte. Het virus besmet alleen (jonge) kinderen die geen afweer tegen de mazelen hebben. Wie eenmaal mazelen heeft gehad, is voor de rest van zijn leven tegen de ziekte beschermd. Pasgeborenen zijn tot een maand of zes, negen niet vatbaar voor de mazelen, omdat ze nog bescherming genieten van de antilichamen die ze van hun moeder hebben meegekregen. Na de eerste mazelenprik, op de leeftijd van veertien maanden, zijn kinderen eveneens beschermd tegen de mazelen.

Wie wél vatbaar is voor een mazeleninfectie en ziek wordt, is gedurende korte tijd, een kleine week, zeer besmettelijk voor zijn omgeving. Ongeveer een week na het begin van de infectie verspreiden patiënten met mazelen het virus via hoesten en proesten. Het virus, dat zich in de keelholte ophoudt, springt via kleine uitgeproeste druppeltjes op anderen over.

Epidemiologen die de verspreiding van de mazelen in kaart proberen te brengen, gaan van dit basispatroon van besmettelijkheid uit. In het zogenoemde SEIR-model voor infectieziekten worden achtereenvolgens het aantal vatbare personen (S), het aantal blootgestelde personen (E), het aantal besmettelijke personen (I) en het aantal herstelde patiënten (R) ingevoerd. Een cruciale parameter in dit model is de kans op overdracht van het mazelenvirus van besmettelijke naar vatbare personen.

In het wetenschappelijke tijdschrift Science van deze week (28 januari) presenteren vier onderzoekers uit Canada, Engeland en de VS een nieuwe versie van het SEIR-model voor mazelen. In hun artikel laten ze zien dat de kans op overdracht een doorslaggevende parameter is voor de regelmaat waarmee mazelenepidemieën voorkomen.

Die kans, aldus de onderzoekers, hangt nauw samen met de schoolperiodes. Tijdens schoolvakanties is de kans om met mazelen besmet te raken veel geringer dan in de periodes waarin (vatbare) kinderen op school veel met elkaar in contact komen.

Uit hun analyse van historische mazelenepidemieën in vier grote steden (Londen, Liverpool, New York en Baltimore) blijkt dat in de tijd dat er nog niet tegen mazelen werd gevaccineerd, er elk jaar of elke twee jaar een nieuwe epidemie de kop opstak. Kennelijk kostte het zoveel tijd totdat het aantal vatbare baby's en zuigelingen weer groot genoeg was om het mazelenvirus nieuwe grootscheepse verspreidingskansen te bieden.

Na de introductie van de mazelenprik (in Engeland rond 1968) wordt het patroon van mazelenepidemieën veel onvoorspelbaarder in plaats en tijd, aldus de onderzoekers. Met hun vereenvoudigde versie van het SEIR-model laten ze zien dat uiteindelijk variaties in het geboortecijfer en in de vaccinatiegraad in een land of regio de drijvende krachten zijn achter de verspreiding van mazelen. Hoe hoger het geboortecijfer, des het groter het aantal vatbare kinderen. Hoe hoger de vaccinatiegraad, des te geringer de kans op een epidemie.

En des te groter de kans om de mazelen in een land definitief uit te roeien, kan daaraan worden toegevoegd. Wallinga en Van den Hof memoreren in hun artikel in het NTvG dat Finland, waar de vaccinatiegraad op 97 procent ligt (in Nederland is die 94 procent), de mazelen niet langer voorkomen.

Meer over