Macho's in Lhasa

Elke ochtend en elke avond lopen duizenden Tibetanen de kleine kora in de binnenstad of de grote kora rond Lhasa....

Onder de trappen van het Drepungklooster staan twee blonde mannen in lange blauwe jurken. Een van de mannen heeft zijn ogen dicht terwijl hij lichtjes heen en weer zwaait. Af en toe gaat er een rilling door zijn lijf. De andere man houdt zijn hand boven zijn hoofd in zegening, hij prevelt een stroom van woorden.

Na een kwartier is de prevelende man klaar. Zijn pupil opent zijn ogen en slaakt een gelukzalige zucht. De man omhelst hem. Nog meer mensen komen hem feliciteren. Ze dragen allemaal dezelfde zilveren schijf op hun borst. Tientallen Tibetaanse moniken en nonnen in het rood staan er verwonderd naar te kijken. Leunend op elkaar, armen over elkaars schouders. Zachtjes fluisterend zonder hun ogen van het tweetal af te houden. Je ziet niet elke dag twee buitenlanders een spektakel van zichzelf maken. Meestal komen toeristen juist naar hen kijken. Naar hun kale hoofden, hun rode kleren en hun eeuwenoude klooster.

In Lhasa kun je onzichtbaar zijn als toerist. Chinezen rijden hun zwaarbeladen karretjes de stoep op, precies waar jij loopt. Tibetaanse pelgrims lopen stoïcijns biddend de kora terwijl toeristen foto's schieten in hun gezicht. In de Potala lopen anonieme trossen toeristen de heilige vertrekken rond. 'En hier ontving de Dalai Lama zijn gasten.'

De Potala? Ach ja, de Potala. Het winterpaleis van de Dalai Lama, de paus en keizer van de Tibetanen, die hier allang niet meer woont. Hij zit veilig in India, waar hij nog steeds hof houdt. Sinds hij eind jaren vijftig zijn land uitvluchtte, staat zijn klooster leeg. De Chinezen onttakelden het paleis en zetten er een groot slot op. Tot Tibet weer ontsloten werd voor buitenlanders. De Chinezen beseften dat de toeristen goudgeld wilden betalen om het mythische gebouw van binnen te bekijken.

De Potala is nu netjes gerestaureerd. Alles staat achter glas, het hele paleis, alle gebedsruimtes, alle beelden. Hier branden geen boterlampen en staan geen bakjes water voor dorstige boeddhabeelden. Geen lucht van wierook, geen schalen fruit en koek. Wel bankbiljetjes die stiekem in kieren en gaten zijn geduwd. De eeuwenoude boeddha's in hun gouden mantels zitten er donker en eenzaam bij.

De Potala is nog steeds prachtig. Je moet alleen een stukje wegrijden om haar te zien. Daar is gelukkig gelegenheid voor geboden. Een parkeerlaantje en een plantsoen, vlak aan de rivier. Hier kun je 'de foto' maken van het witte en bruine luchtkasteel. De klassieke hoek vanwaaruit de Potala weer uittorent boven Lhasa.

Vroeger had de Potala alleen de Tibetaanse stad aan zijn voeten. Mooie stenen huizen, geelgekalkte kloostertjes en een wirwar van geplaveide straatjes. Nu staan er nette witbetegelde Chinese wijken met piepkleine winkeltjes. Tien drogisterijen, tien schoenenwinkels, tien muziekzaken. Een van de straten, vlakbij de kazerne, bestaat volledig uit kapsalons. In het ene zaakje knipt de kapster zorgvuldig iemands neusharen bij. In de naburige salon zoent een zwaargeschminkte vrouw een man in uniform. Wanneer ze ziet dat ik kijk, sluit ze snel het gordijn. De Spicegirls zijn ook populair in Lhasa. De Chinese meisjes wankelen op hun torenhoge schoenen.

Zo klein als de Chinezen zijn, zo groot zijn de Tibetaanse nomaden: de Kampa's uit het oosten. Het wemelt ervan. Grote stoere mannen. Brede schouders, dikke buiken en lange benen. Een rode wollen pluim hangt langs hun gezicht, een witte benen ring in hun vlecht. Eén schouder van hun colbertje hangt leeg naar beneden. Ze dragen hun westerse pak zoals ze hun leren mantel dragen: één schouder bloot.

Ze keuren mij geen blik waardig. Dit zijn krijgers en struikrovers. Macho's vooral. Gouden ringen om hun vingers, lopen ze nietsziend de pelgrimsweg mee. 'Kampa's zijn helemaal niet religieus', vertelt mijn gids. Hij is een bleke stads-Tibetaan, een familielid van een hoge lama en volgens eigen zeggen aan de beurt voor edele reïncarnatie. Als hij tenminste stopt met roddelen. 'Ze doen wel alsof ze godsdienstig zijn, maar ze willen enkel geld verdienen. Ze verkopen onze antieke kunstvoorwerpen aan het buitenland.' Hij zwijgt over hun lange verzet tegen de Chinese bezetters.

Ik zie de Kampa's vooral veel biljart spelen. De straten van Barkhor (de Tibetaanse wijk) zijn bezaaid met biljarttafels. Bij zonsopgang en zonsondergang lopen ze mee in de kora, de pelgrimsroute rond Barkhor, met de klok mee, zoals het hoort. Elke ochtend en elke avond lopen duizenden Tibetanen de kleine kora in de binnenstad of de grote kora rond Lhasa. De laatste wordt vooral gedaan door oude vrouwen met veel tijd. Ze draaien onafgebroken hun gebedsmolens in het rond en zeggen hun mantra's op. Ze laten tegelijkertijd hun hondje uit.

De kleine pelgrimsroute is een lust voor het oog. Mensen reizen honderden kilometers om deze kora te lopen. Nomaden van de vlakten in dikke leren bontmantels en brokken siersteen in de stroom van vlechten op hun rug. Een geweven plunjezak over hun schouder geworpen, geborduurde laarzen aan hun voeten. Een dikke gele monnik met een hoornen bril en een piepklein gleufhoedje, die zijn oude paraplu als wandelstok gebruikt. Veel vrouwen lopen al breiend met vier naalden. Andere draaien hun gebedsmolens en babbelen met hun buurvrouw. Een zuigeling hangt op de rug van zijn moeder. Zijn broek is gemakshalve in tweeën gespleten. Zijn bruine billetjes steken eruit.

Een tussenstop van de kora is de Jokhang, de tempel op het centrale plein. In tegenstelling tot de Potala nog volop in gebruik. Hier gooien de pelgrimsgangers zich ontelbare malen languit op de grond. Een klein meisje moet het prosterneren nog onder de knie krijgen. Haar moeder duwt haar plat op de grond. Uit de twee reusachtige aarden wierookbranders komen dikke wolken rook die de pelgrims tijdelijk aan het gezicht ontrekken. De toeristen staan in dikke rijen om het tempelplein heen en klikken zich suf.

De Chinezen laten de Tibetanen hun kora, al lijkt het op een protestmars. Zoals ze ook de Tibetaanse huizen restaureren en prachtige fotoboeken en cd's maken van dit schilderachtige volk. Iedereen wil de gouden daken van Lhasa zien. De toeristen betalen wel. Lhasa is een groot museum waarvan de Chinezen de zaalwachters zijn.

Een oude monnik in een klooster net buiten Lhasa grijpt mijn hand wanneer hij hoort dat ik uit Nederland kom. 'Goed', zegt hij en kijkt me diep in de ogen. Dan verdwijnt hij snel met zijn bezem achter de glazen kijkkasten. In een ander klooster zie ik een klein fotootje van de Dalai Lama tussen het tuingereedschap.

Onze Tibetaanse gids leidt ons met een opgerold Chinees vlaggetje door de kloosters. We pesten hem. Rol die vlag eens uit joh. 'Nee', zegt hij koppig en blijft de gidsenvlag stijf opgerold houden. We bespreken zijn status. Hij is opgegroeid in India, heeft daar gestudeerd en leidt nu toeristen rond in Tibet. Af en toe vertelt hij 'echte verhalen' over de situatie terwijl hij gespannen om zich heen kijkt. Ik luister ongemakkelijk. Zouden de Chinezen zelfs het Tibetaanse verzet als toeristische attractie zien?

Ik zie een in het roodgeklede kale non op een rode fiets. In het rode mandje op haar stuur ligt een rode linnen tas. Elle staat erop in grote glimmende lettters. In het klooster Drepung dragen de Amerikaanse reli's hun mis op in de boeddhistische gebedsruimte. Twee aan twee staan ze met hoogopgeheven gezicht voor het grote boeddhabeeld. Hand in hand.

Meer over