columneva hoeke

Logeren: ik wil het niet, ik kan het niet, ik doe het niet

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

In de appgroep werd het idee geopperd voor een weekendje weg en nog geen minuut later wemelde het er van de plannen. We zouden hier eten en daar drinken, naar museum zus en kerkje zo en voor wie dan nog puf had, was er ook nog yoga. ‘En,’ typte iemand, ‘ik stel mijn huis beschikbaar, bedden genoeg!’

O jee.

Ik ben gek op eten en dol op drinken, en musea en kerkjes, ik zou niet zonder kunnen, maar aan één ding heb ik een geweldige hekel, en dat is logeren.

Ik wil het niet, ik kan het niet, ik doe het niet.

Logeren is de hel en sinds Sartre weten we, de hel, dat zijn de anderen.

Logeren is het bed van de ander, in het ergste geval sámen in het bed van de ander, en dan de hele nacht niet durven draaien. Logeren is opgelegde beleefdheid, zoeken naar het wc-licht, de ontdekking dat iemand die je hoog hebt zitten konijnensloffen heeft. Logeren is ’s ochtends met z’n allen aan de ontbijttafel en dat je dan moet práten, want je mond houden en gewoon eten, dat doe je alleen met mensen die eigen zijn. Ik heb ook al eens meegemaakt dat de heer des huizes eerst uitgebreid in zijn ogen en gezicht ging zitten wrijven alvorens de kaas beet te pakken, zo hup, overdwars, de afdrukken stonden erop, en ik kan u vertellen, dan heb ik meteen gegeten en gedronken. Andersom zal het overigens ook geen feest zijn om tegenover mij te zitten, want de vrouw die de avond daarvoor nog handjeklap door de zaal ging, zit ’s ochtends het liefst dom voor zich uit te staren.

Als kind wilde ik het al niet, logeren. Of eigenlijk wilde ik het wel, maar daar kwam ik rond middernacht op terug. Eén keer mocht ik inderdaad terug naar huis, maar dat was omdat ik aan de overkant woonde, al die andere keren moest ik het gewoon uitzitten, of liever gezegd uitliggen, die hele lange ellendige nacht, met het kind dat overdag nog je trouwe vriendin was geweest in diepe rust naast je, zij wel. Nooit zal ik de vader vergeten die me halverwege de nacht vermanend toesprak en in een andere kamer legde, in mijn eentje: en nu slapen.

En tobben is het gebleven. Tijdens mijn studie had ik een vriendin die niets liever deed, gezellig toch, met z’n allen op een luchtbed in de huiskamer, maar al stonden we tot 5 uur ’s ochtends op de bar, dat tollende meisje in de eerste tram van de dag, dat was ik, verlangend naar eigen bed en bedoening. De keren dat ik bij een of andere aardige knaap bleef slapen: zelfde verhaal. Zodra er gesnurk klonk, pakte ik mijn biezen, zachtjes, altijd zorgen dat de gesp van je riem niet tegen de vloer aan komt, want als zo’n man wakker werd had je meteen wat uit te leggen, waar ga jíj naar toe, en wat zeg je dan, nog in sluiphouding bij de deur, het ligt niet aan jou? Er bestaat een foto waarop ik op een matras op de grond lig, ik zie er knap, want jong, maar ongelukkig uit.

Nu voerde het te ver om al deze gedachten in de appgroep te delen en dus deed ik er het zwijgen toe, net zolang totdat dat in de gaten liep en het woord specifiek tot mij werd gericht: ging ik nou mee of niet?

Toen moest ik wel. Hotsebotsend kwam het eruit, met veel gesorry en geslijm, want alleen in dit hoekje van de krant ben ik een grote jongen. Maar het gekke was: niemand vond het gek. Integendeel! Alle begrip, geen probleem, ieder zijn meug, nou goed, u kunt zich mijn opluchting vast voorstellen.

Dus nu ga ik alsnog.

Meer over