Liefdesbrieven van een kampbeulHoofdstuk II

Liefdesbrieven van een kampbeul

Fokko Dettmer (75) verdiept zich aan de hand van brieven in het leven van zijn vader, Willem van der Neut, een gevreesde SS-bewaker. Aflevering II: Van der Neut in Kamp Amersfoort, waar hij gevangenen martelt en verliefd wordt op Erika.

null Beeld Fieke Ruitinga
Beeld Fieke Ruitinga

Dit is de tweede aflevering van ‘Liefdesbrieven van een kampbeul’. De overige vijf afleveringen verschijnen in de Volkskrant. Nu al verder lezen of het hele verhaal beluisteren? Dat kan hier, mits je abonnee bent. Het verhaal is ingesproken door Gijs Scholten van Aschat.

1.

De appèlbel klonk vroeg die zondagmorgen, vroeger dan normaal, wat tot onrust leidde onder de gevangenen, die zich in hun stapelbedden warm probeerden te houden. Ze hoorden rumoer. Iemand denderde de barak binnen, zo’n SS’er met een grijs uniform en een pet met een doodskop erop. Hij sloeg wild met zijn knuppel in het rond.

‘Heraus, Hunde!’

Schreeuwend en vloekend joeg hij de gevangenen de vrieskou in. Wie treuzelde, kreeg er van langs.

Het was Nieuwjaardsdag 1945. De bewaarders van Kamp Amersfoort waren woest dat de avond daarvoor twee gevangenen ontsnapt waren. De rest moest boeten. En dus haastten zeker duizend schaars geklede mannen zich nu bibberend naar de besneeuwde appelplaats, waar ze in de houding moesten gaan staan.

Toen begon het getreiter. De bewaarders, die volgens sommige getuigen zwaar onder invloed waren, blaften commando’s naar de gevangenen.

‘Hinlegen!’

‘Aufstehen!’

‘Hinlegen!’

Graatmagere mannen moesten gaan liggen, weer opstaan, door de sneeuw robben, rollen, kikkeren. En ondertussen kregen ze er met knuppel en zweep van langs. Dolle bewaarders dansten over de ruggen van de kruipende gevangenen en plantten hun laarzen in gezichten, waarna slachtoffers bleven liggen ‘met verwrongen mond als in een schreeuw ten hemel’, zoals een getuige zich later herinnerde.

Vooral de Nederlandse SS’er Willem van der Neut maakte ‘een zeer sadistische indruk’, schreef een gevangene na de oorlog in een schriftelijke getuigenis aan het Directoraat Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging. ‘Deze heb ik persoonlijk van knuppel zien verwisselen, aangezien de vorige in zijn handen op de ruggen van de gevangenen was afgebroken, tot er nog een klein stompje over was.’

Ontsnappen aan de mishandelingen was onmogelijk. Wie probeerde zich te verschuilen in de ziekenbarak, werd door de bewaarders weer naar de appelplaats gesleurd. Ze ‘waren ten laatste volkomen uitgeput’, zei Johan Scheps na de oorlog. ‘Des middags tegen drie uur werd eindelijk de strafoefening gestaakt; waarschijnlijk doordat de beulen zelf vermoeid geraakten.’

Toen pas kregen de ergste gewonden een behandeling.

2.

Station Maarn. Een dinsdagochtend in maart, 75 jaar na het bloederige Nieuwjaarsappèl. Ik stap uit de stoptrein, het miezert. Als ik met mijn rolkoffer de trap afdaal, zie ik Fokko al breed lachend in de tunnel staan.

‘Hoe is het?’ vraag ik.

‘Ja best’, zegt hij, onderkoeld als altijd. Zijn ogen twinkelen.

Fokko en ik gaan op reis. Een beladen reis, want hij is de zoon van Willem van der Neut, de zoon van een van de sadistische kampbewaarders die gevangenen afranselden in de sneeuw. Na de oorlog wist Van der Neut uit de gevangenis van Breda te ontsnappen, waarna hij in de Duitse stad Uslar een nieuw leven opbouwde. Fokko, die net na de bevrijding geboren werd, hoorde daarna nooit meer iets van hem. Samen gaan we op zoek naar sporen.

We wandelen naar zijn rode ­Renault Clio, mikken mijn koffer in de achterbak en stappen in.

‘Het blijft de hele tijd regenen’, zegt Fokko.

‘Dat past wel bij deze geschiedenis’, zeg ik, ‘regenachtig weer.’

Nog diezelfde middag zullen we een bijzondere ontmoeting hebben. Ik was in een Duits telefoonboek gestuit op een Van der Neut in de buurt van Uslar: Willem-Dirk.

Ja, hij was familie van Willem van der Neut, liet hij me per e-mail weten, maar hoe die verwantschap in elkaar stak, liet hij in het midden.

‘Alles Weitere dann in einem persönlichen Gespräch’, schreef hij.

Ik vroeg er nog een keer naar – tevergeefs – en liet het toen maar zo. We hoopten in elk geval dat hij ons kon vertellen hoe het leven van Van der Neut er na zijn beulswerk had uitgezien. Voelde hij spijt? Kan iemand die zulke gruwelijke dingen deed überhaupt een normaal bestaan leiden?

Fokko draait de A12 op, trapt het gaspedaal in. Daar gaan we.

3.

Fokko’s biologische vader arriveerde in het voorjaar van 1943 in het Polizieliches Durchgangslager Amersfoort, een rommelig oord bestaande uit een bakstenen keuken, vier houten barakken, negen stenen barakken en een enorme hoeveelheid prikkeldraad. Het was een doorgangskamp, van waaruit de nazi’s gevangenen doorstuurden naar concentratiekampen elders. Van der Neut werkte er als Rottenführer.

Dat hij op dat moment lekker in zijn vel zat, lijkt uitgesloten. Hij keerde net terug van het oostfront, waar hij anderhalf jaar lang met ­

SS-Division Wiking tegen het Rode Leger had gestreden. Daarbij waren twee van zijn broers, die zich eveneens vrijwillig bij de SS gemeld hadden, om het leven gekomen. Een derde broer was gesneuveld in dienst van de geallieerden. En dan lag ook het huwelijk van Van der Neut nog in de kreukels.

Kort nadat hij in Amersfoort begonnen was, zaten er nog geen tien gevangenen in het kamp. Het gros was onlangs naar Duitsland gedeporteerd of overgebracht naar een nieuw kamp in Vught, dat net gereed was. Even leek Kamp Amersfoort overbodig te worden, maar dat veranderde toen de Duitsers de teugels strakker aan begonnen te trekken. Kamp Amersfoort kreeg in mei 1943 een doorstart.

Het aantal gevangenen groeide gestaag. Waren het er in de zomer enkele honderden, in de maanden daarna liep dat op tot tweeduizend. In totaal zouden er tijdens de oorlog 35 duizend mensen vastzitten in het kamp.

Er verbleven vooral mannen die geprobeerd hadden zich te onttrekken aan de verplichte tewerkstelling. Ook politieke gevangenen belandden in Kamp Amersfoort – leden van het verzet, mensen die onderduikers hadden geholpen of lieden die geweigerd hadden hun radio­toestel in te leveren. En dan waren er natuurlijk de Joodse gevangenen, die als enigen verplicht hun baard moesten laten staan, zodat ze goed herkenbaar waren.

Die laatste groep trok er geregeld met Van der Neut op uit, in het zogeheten Jodencommando, dat het zwaarste werk kreeg toebedeeld. ‘Ik ben bij dit commandovoeren op zeer wrede, beestachtige wijze tegenover deze Jodengevangenen opgetreden’, bekende hij na de oorlog tijdens een verhoor. ‘Zo stak ik onder andere hun baard in brand of rolde deze op een potlood in roterende beweging, tot zij kreunden of schreeuwden van pijn. Verder heb ik hen vele malen met een zware knuppel en met de vuist mishandeld, soms tot zij in elkaar zakten.’

4.

Willem van der Neut kwam uit een fout nest. Dat moet meegespeeld hebben, een duwtje in de verkeerde richting.

Hij werd op 6 januari 1917 geboren in Nieuwkoop, als derde van negen kinderen. Zijn moeder Cornelia vertelde na de oorlog aan psychiater Pieter Baan, die een rapport over Van der Neut schreef, dat Willem ‘een schat van een jongen’ was, die zich tijdens zijn jeugd normaal had ontwikkeld en de zeven klassen van de lagere school doorliep zonder ook maar een keer te blijven zitten.

‘Hij had de prettige, kalme aard van zijn vader’, schreef Baan. ‘De andere broers zijn meer obstinaat, hebben meer de aard van de moeder, die inderdaad een oppositiefiguur is, doch wel een openhartige, niet onaardige indruk maakt.’

Die obstinate moeder was in de jaren dertig gecharmeerd geraakt van het nationaalsocialisme. Al in 1934 meldde ze zich aan bij de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland. De NSB was twee jaar daarvoor door Anton Mussert opgericht. Op zijn 18de werd ook haar zoon Willem lid.

‘Zijn moeder, mijn grootmoeder - dat was een grote dikke vrouw’, zegt Fokko in de auto naar Duitsland. ‘Zij had de broek aan, zij was de baas. En ze was geen moffenhater, hè? Laat ik het zo maar zeggen.’

In 1978 vertelde een zus van Willem van der Neut aan Het Vrije Volk waar het allemaal was misgegaan.

‘Als moeder, in de jaren dertig, in Utrecht, in het Wilhelminapark, toevallig die gestruikelde dame niet overeind had geholpen, dan was het heel anders met ons verlopen’, zei ze tegen de verslaggever. ‘Die mevrouw bleek naderhand mevrouw Mussert te heten, en zo is moeder daar later in huis werkster geweest. Daar werd ze fanatiek pro-NSB. En thuis werd dat op de kinderen, vooral op de jongeren die nog geen twintig waren en zo beïnvloedbaar, overgedragen. Wim is daar het duidelijkste slachtoffer van geworden.’

Zus Mien noemde hun vader in hetzelfde krantenartikel een lafaard. ‘Hij verschool zich altijd achter de brede rug van moeder, letterlijk, want ze was een dik mens. Hij had moeten optreden, haar als man en baas thuis daar vanaf moeten houden. Hij heeft het niet gedaan, en hoewel ik weet dat hij beslist tégen was, heeft hij moeder maar haar gang laten gaan. In die overheersende positie van ma zijn we bijna allemaal te gronde gegaan.’

5.

Die avond bij Stender. Daar sloeg de vonk over, als we de brieven mogen geloven die Willem van der Neut na de oorlog vanuit de gevangenis aan Erika stuurde. Deze Joh. Stender – zoals hij later in krantenberichten genoemd wordt – werkte ook in het kamp. In juni 1944 vierde hij zijn verjaardag.

De kansen in de oorlog leken toen al te keren. Diezelfde maand stuurden de geallieerden duizend schepen vanuit Engeland naar de overkant van het kanaal, waar tienduizenden soldaten de Franse stranden bestormden. Misschien begon het gesprek tussen Willem van der Neut en Erika dus wel zo.

‘Het ziet er niet goed uit, met die invasie van Normandië.’

‘Ik ben bang.’

Ik stel me een bedompt etablissement voor, waar een grammofoonspeler zoete Duitse liederen speelt. Of misschien zaten ze in een karig ingerichte huiskamer met een bank, waarop Van der Neut en Erika steeds dichter bij elkaar kropen. Twee dolende zielen die op jonge leeftijd – hij 27, zij 23 – al flink wat leed te verstouwen hadden gekregen.

Spraken ze over Dirk, Gerrit en Adriaan, de drie gesneuvelde broers van Willem van der Neut? En over Fokko Kruize, de SS’er met wie Erika zich had verloofd en die drie maanden eerder was omgekomen bij een bombardement op vliegbasis Soesterberg? Het is goed mogelijk dat ze hun eigen verdriet weerspiegeld zagen in de ogen van de ander.

‘Ik heb toen de hele avond met je zitten praten en je begreep me’, schreef Van der Neut in 1948 vanuit de gevangenis aan Erika. ‘Terwijl je zelf pas zoveel had verloren, je had nog tijd en plaats voor de armoe en ellende van de ander. Ja Erik, die avond ben ik van je gaan houden.’

Uit een andere brief: ‘Na de gesprekken die we die avond samen hadden kwam ik tot de ontdekking dat toch niet alles even rot is en slecht is als ik dacht.’

6.

‘Een speciale liefhebberij van Van der Neut was ons te laten wieden tussen de prikkeldraadversperringen’, zei de 34-jarige onderwijzer Marcus Meents op 23 november 1946 tegen de recherche. ‘Op ons buik moesten wij dan tussen het opgerolde prikkeldraad kruipen, waarbij Van der Neut met een stok tussen het draad door ons opjoeg. Zelfs mensen van hoge leeftijd liet hij dit werk verrichten, waarbij men verward raakte in het prikkeldraad en aan alle kanten zich verwondde.’

7.

Toen hij aanpapte met Erika, was Willem van der Neut geen vrij man. Een kilometer of twintig verderop, in Hilversum, woonde zijn echtgenote met hun 4-jarige dochter Corrie en baby Alie. Hij kwam er niet of nauwelijks.

Na de oorlog schreef Van der Neut aan Erika hoe de twee elkaar ontmoet hadden. Het was 1936, zijn vrienden hadden allemaal een vriendinnetje en ook hij begon als 17-jarige een ‘door de natuur gedreven belang te stellen in het vrouwelijke geslacht’.

Hij leerde Maria kennen, nam haar mee naar de bioscoop en wachtte haar op na zangles. Aanvankelijk was dat allemaal vooral vriendschappelijk, en ‘om niet bij de anderen achter te blijven’, zoals hij aan Erika schreef. Maar na verloop van tijd gebeurde toch ‘wat nu eenmaal niet uit kan blijven als twee geslachten veel met elkaar omgaan’.

In die naoorlogse brieven aan Erika schreef Van der Neut ook dat ze vaak met elkaar bakkeleiden en hij nooit van Maria gehouden had. En o ja, hun huwelijk was een moetje geweest. In het najaar van 1939 bleek ze namelijk zwanger.

‘Nu was het helemaal niet meer mogelijk om een eind aan onze omgang te maken’, schreef Van der Neut daarover. ‘Maar daar was ook nog een andere gedachte die me bezighield en dat was: het zal met ons nog wel goed komen en ik krijg haar nog wel lief.’

8.

‘Hij vroeg hierna of ik honger had, omdat ik volgens hem voor ik dood ging moest eten’, vertelde de 49-jarige Meijer Avan West op 10 december 1946 over Van der Neut tegen twee rechercheurs. ‘Tevens vroeg hij of ik graag rookte en meteen stak hij een sigaret op die hij evenwel onmiddellijk op mijn ontblote rug doofde. Verder vroeg hij mij of ik getrouwd was en kinderen had en of ik zijn revolver wel eens gezien had, waarmede hij mij om vijf uur zou doodschieten. Het was op dit moment tien minuten voor vijf en precies om vijf uur richtte hij, nadat hij wat met het wapen gespeeld had, de loop op mijn slaap. Hij telde tot drie en haalde de trekker over. Het schot ging echter niet af en hij merkte op: ‘Verrek, nu heb ik hem vergeten te laden, even een paar boontjes er in doen.’ Hij liet mij hierop de patronen zien en laadde de revolver. Wederom zette hij de loop op mijn slaap, telde tot drie en zei plotseling: ‘Neen, laat ik nog een week wachten.’’

9.

Als Willem van der Neut niet thuis bij zijn vrouw was, en dat gebeurde de eerste maanden van hun huwelijk geregeld, dan was het nog wel te harden.

Vanaf de zomer van 1939 diende hij in het Nederlandse leger, dat vanwege de toegenomen Duitse dreiging de algemene mobilisatie had afgekondigd. 300 duizend soldaten waren over het hele land verspreid. Ze trainden voor een eventuele inval, waar toen nog niet serieus rekening mee gehouden werd.

Na de inval van de Duitsers, de snelle overgave van Nederland en de geboorte van Corrie ontstond ‘het eerste conflict dat tussen haar en mij plaatshad’, schreef Van der Neut in 1949 aan Erika. Maria werd namelijk ziek, ze kreeg tbc en belandde in het ziekenhuis.

Omdat Van der Neut niet met Corrie thuis kon blijven, stelde hij voor bij zijn ouders in te trekken, zodat zijn moeder voor het kind kon zorgen. Maar daar voelde Maria weinig voor. Corrie kon beter naar háár ouders, zei ze.

Hoe het conflict zich verder ontvouwde, laat zich niet meer objectief reconstrueren. Ik weet alleen hoe Van der Neut er in zijn naoorlogse brieven over schreef aan Erika. Dat hij zijn eigen gedrag daarin oppoetste, lijkt evident.

‘Ik wilde mijn dochtertje dat kerngezond was niet overleveren aan een huishouden waar minstens 3 leden van tbc waren’, schreef hij. ‘Ik heb haar dit ook verteld maar werd voor gek verklaard.’

Uiteindelijk ging hij toch overstag. Hij trok met Corrie in bij zijn schoonouders. Dat ging goed, schreef hij, tot hij een ontdekking deed ‘die zo misselijk was dat ik het niet in deze brief kan schrijven’. Hij wilde Corrie daar geen dag langer in huis hebben.

Een rapport van Pieter Baan onthult wat er aan de hand was. De psychiater noteerde in 1949 dat Van der Neut daar moest slapen ‘bij 2 broers van zijn vrouw die beiden homoseksueel waren’.

’s Avonds in het ziekenhuis besprak Van der Neut de situatie met Maria, die haast ontplofte. Hij was een leugenaar, hij probeerde haar familie zwart te maken. En dat alleen om Corrie bij zijn eigen ouders onder te kunnen brengen.

‘Die avond heb ik na het bezoek uren door de straten lopen dwalen en ten laatste ben ik niet naar haar en niet naar mijn ouders gegaan, maar naar het eigen huis waar het stil was en ik mijn gedachten over alles liet gaan. Daar hebben zich toen de gedachten in me gezet dat ik maar weg moest gaan.’

Kort daarna meldde hij zich vrijwillig bij de SS.

10.

Onderweg naar Uslar vraag ik het Fokko nog maar eens. Of hij ooit contact zocht met die halfzussen van hem, waarover hij na zijn pensioen voor het eerst las in de brieven.

‘Nee’, zegt hij stellig. ‘Ik heb geen behoefte aan contact met de kinderen van Van der Neut.’

‘Ook niet met Willem-Dirk, die we straks spreken?’

‘Ik wil vooral weten hoe Willem van der Neut in Duitsland leefde’, zegt Fokko. ‘Of hij daar nog een gezin heeft gesticht, waar hij gewerkt heeft, of hij zijn leven heeft gebeterd. En hoe hij er nou mee is omgegaan, want hij moet de herinneringen aan dat kamp altijd met zich meegedragen hebben, als je ziet wat hij uitgespookt heeft.’

11.

In het najaar van 1944 kreeg Willem van der Neut er een klusje bij. De kampleiding selecteerde hem als schutter in het vuurpeloton.

De executies in Kamp Amersfoort lijken niet los te staan van de opmars van de geallieerden en de groeiende paniek bij de Duitsers. Op 5 september 1944 deed het gerucht de ronde dat de vijandige troepen al bij Breda zouden zijn. Veel NSB’ers en anderen die Duitsland welgezind waren vluchtten op deze Dolle Dinsdag naar Duitsland.

Drie dagen later schoten Van der Neut en consorten drie personen dood bij de grote schietbaan op de Leusderheide, op een steenworp afstand van het kamp.

Na de oorlog bekende Van der Neut dat hij lid was geweest van meerdere executiepelotons. Veel ­details daarover heb ik niet kunnen vinden. Had hij zich er zelf voor aangemeld? Zou hij eronderuit gekund hebben? Stond hij te trillen op zijn benen toen hij de trekker overhaalde? Ik weet het niet.

En ik weet al helemaal niet of hij Erika erover vertelde op de dag dat ze van hem zwanger raakte. Ook dat was rond die tijd.

12.

Hij miste haar. En daarom sprong Willem van der Neut in de herfst van 1944 op de fiets. Toestemming had hij niet gevraagd voor de reis, want die zou hij toch niet krijgen. Wel regelde hij dat iemand zijn dienst zou overnemen.

‘Ik moest toen naar je toe er was niets wat me kon tegenhouden’, schreef hij later vanuit de gevangenis, in een van de brieven waarin hij terugkeek op de periode dat ze koortsachtig verliefd waren.

Erika was na Operatie Market Garden vertrokken uit het kamp. Geallieerde troepen hadden gepoogd vanuit Eindhoven door te stoten naar Arnhem en Nijmegen, wat tot paniek in Kamp Amersfoort had geleid. De Duitsers besloten de kampadministratie naar Oldenzaal te evacueren. En Erika moest mee.

Van der Neut vertrok die zaterdagmorgen om drie uur uit Amersfoort. Volgens zijn berekeningen zou hij dan rond het middaguur in Oldenzaal arriveren. Maar dat viel tegen. Halverwege – in zijn brieven sprak hij over Zwolle, maar het ligt meer voor de hand dat hij Deventer of Zutphen bedoelde – kreeg Van der Neut een lekke band. Hij klopte bij verschillende adressen aan, maar niemand kon of wilde hem helpen.

Terwijl hij bommen hoorde vallen, zoals hij later schreef, besloot Van der Neut te voet verder te gaan, ‘ondanks de pech toch in jouw richting, want daar was ik niet meer van terug te brengen’. Uiteindelijk lukte het hem een lift te regelen. En zo stond hij die zaterdagmiddag toch bij Erika voor de deur.

‘Liefste’, schreef hij in een andere brief, ‘het was toen net of ik voelde dat je me nodig had. En toen ik daar voor je stond, wist ik dat het juist was. Je kon het daar alleen met al die vreemden niet meer uithouden en was dan ook blij dat ik naar je toe kwam.’

De terugreis verliep die zondag voorspoediger, schreef Van der Neut. ‘Ik ging om een uur of acht bij je vandaan en was om drie uur weer terug. Ze hadden me geheel niet gemist.’

13.

‘Ook heeft van der Neut tijdens werkzaamheden (...) mij met een potlood in het oog gestoken’, vertelde de Amsterdamse lederimporteur Nathan Keizer op 21 maart 1947 tegen de recherche, ‘tengevolge waarvan ik enige dagen volstrekt blind ben geweest, aangezien ik het andere oog miste, hetgeen deze bewaker bekend was’.

14.

Opeens haar stem. Willem van der Neut stond op wacht bij de slagboom van Kamp Amersfoort. En daar was ze, in de duisternis. Erika. Helemaal uit Oldenzaal gekomen om afscheid van hem te nemen.

Ze zou kort daarop naar Duitsland vertrekken, blijkt uit verschillende bronnen. Haar ouders achterna, die op Dolle Dinsdag het land ontvlucht waren. Mogelijk vreesden ze represailles, omdat haar vader zaken deed met Duitsers te paard. In de werkplaats achter het huis in Soest repareerde hij zadels en leidsels.

Dus daar was Erika. Op de momenten dat Van der Neut niet met zijn knuppel achter de gevangenen aanzat, zullen ze gewandeld of gefietst hebben, want allebei hielden ze van de natuur. En af en toe legde Van der Neut misschien een hand op de buik van Erika. Ze wisten al dat ze zwanger was.

Na die paar gelukkige dagen bracht Van der Neut haar terug naar Oldenzaal, waarbij ze de laatste kilometers vanaf Hengelo moesten lopen, een nachtelijke wandeling die Van der Neut later meerdere malen in zijn brieven zou aanhalen.

Niet veel later namen ze afscheid. Ze zouden elkaar pas na de oorlog weer zien, in een van die gevangenissen van waaruit Van der Neut haar honderden brieven zou schrijven.

Meer over