Librisprijs leert: de hel, dat zijn andere vrouwen

Volgens de jury van de Libris Literatuurprijs was dit jaar de kwaliteit weer bar van de door vrouwen geschreven boeken....

‘Zit ik weer in die wijventroep,’ verzuchtte Annie M. G. Schmidt, ooit bibliothecaresse van beroep. Was ze uit Middelburg naar Amsterdam gekomen om in de openbare bibliotheek te werken, had ze wéér louter vrouwelijke collega’s, met alle sores van dien. Ik denk vaak aan die woorden, zeker toen ik de column in de Volkskrant las van literatuurcritica Aleid Truijens (‘Vrouwen moeten weer iets, ook in de literatuur’, 18 mei) – die weer een reactie was op de verhandeling van literatuurcritica Ingrid Hoogervorst in Trouw (‘Beter je best doen, meisjes!’, 28 april).

Terwijl mannelijke literatuurcritici zich de afgelopen weken druk maken over de relatie tussen literatuur en werkelijkheid, en ieder zweempje van persoonlijke animositeit toedekken met het maatschappelijk belang van hun discussie, buigen vrouwelijke literatuurcritici zich over de literaire aspiraties van hun seksegenoten en kan ik het niet laten me aangesproken te voelen, daartoe aangespoord door een onmiddellijk opborrelend en bijna niet te onderdrukken persoonlijk ressentiment.

Laat ik de kwestie eerst eens academisch proberen te benaderen. Hoogervorst schrijft haar stuk naar aanleiding van de opmerkingen van Cox Habbema, die zich in haar hoedanigheid als voorzitter van de Libris Literatuurprijsjury geschokt toonde over het niveau van de vrouwelijke inzendingen. Zo graag had ze vrouwen een prijs gegund, maar ja, het ging toch allemaal alleen weer over relatietje zus en ellendetje zo.

Ook de klachten van haar Engelse evenknie, Muriel Gray, de juryvoorzitster van de Orange Broadband Prize, worden door Hoogervorst met instemming aangehaald: saaie, triviale romans over typisch huishoudelijke onderwerpen als verlies van een kind en echtscheiding, het is het enige wat vrouwen weten te produceren.

Zou nou Cox Habbema noch Muriel Gray, en in hun kielzog Ingrid Hoogervorst dus, er enig idee van hebben dat zij zich laten verleiden tot een uitspraak die niet eens meer een cliché genoemd kan worden, maar die een idée reçue is met een baard van een eeuw of twee?

Ieder jaar weer is het raak. ‘Te veel olijke meisjesboeken’, zwatelde vorig jaar de jury van de Gouden Uil-literatuurprijs, als schaamlapje voor hun longlist vol olijke jongensboeken. Stel dat het fenomeen literatuurprijzen al sinds de 19de eeuw bestond en de juryrapporten bewaard waren, dan konden we een bloemlezing samenstellen van uitspraken van juryleden die iedere keer weer naar hun hoofd grijpen in het aangezicht van zo veel vrouwelijk onvermogen.

Het ergerlijkste is dat het juist het vrouwelijke jurylid of de vrouwelijke voorzitter van haar hart moet dat het weer zo buitengewoon armoeiig gesteld is met de oogst aan vrouwelijke inzendingen. Zoals het Vlaamse jurylid zich altijd geroepen ziet de producten van eigen bodem af te kammen – maar gelukkig voor de Belgen hebben wij Hollanders een onstuitbaar en diep ontzag voor de Vlaamse literatuur –, zo is het vrouwelijk jurylid er als de kippen bij om onderling zeer diverse schrijfsters weg te zetten als eendimensionale realisten.

Welk duister mechanisme hieraan ten grondslag ligt? Tja, het beweegt zich ergens tussen queen bee-gedrag en zelfhaat in. Eenmaal een felbegeerd plekje op de apenrots bemachtigd, betonen vrouwen zich nu eenmaal de felste criticasters van hun seksegenoten.

‘Willen vrouwen meer kans maken op literaire bekroningen, dan zullen ze boeken moeten schrijven waarin de literaire verbeelding een vrije vlucht neemt,’ beweert Hoogervorst. Eindelijk een recept dat de dames boven hun schrijfdressoir kunnen hangen. Ik hoor mijn eigen stem inmiddels, en die is ver verwijderd geraakt van academische sonoriteit. Het probleem met dit debat, als het al een debat is en geen natuurramp, is dat het kennelijk alleen op schrille toon gevoerd kan worden.

Ik probeer het nog maar eens met zo laag mogelijk stemgeluid: het is geen kwestie van verbeelding, maar van perceptie. Geen kwestie van kwaliteit, maar van waardering. Waarom kunnen geheel verschillende romans van vrouwen worden afgedaan als damesromans, doelgroepproza, olijke meisjesboeken? Waarom worden overpeinzingen over popmuziek, hardlopen en voetballen nooit olijk, triviaal, mannelijk genoemd? Waarom wordt een volstrekt onleesbaar boek van een man a priori serieus genomen, evenals een doorgeschoten sentimenteel egodocument?

Komen we uit bij de reactie van Truijens, die geloof ik er hetzelfde over denkt als ik en voorbeelden geeft van de verschillen in waardering van het werk van P.F. Thomése en Esther Jansma. De één wordt geprezen om zijn moed, de ander is voorgoed een dooiekindertjesdichteres. Helemaal zeker weet ik het niet, hoe Truijens het bedoelt – zij heeft voor een ironische benadering van de natuurramp gekozen, wat ook een manier is zelf een beetje okselfris te blijven. Vooral weet ik het niet zeker, omdat ze in haar eigen recensiepraktijk – voordat ze autobiografisch ging schrijven – menige roman wegzette onder de noemer vrouwelijk geneuzel. Good old Annie wist het al: de hel, dat zijn de andere vrouwen.

Meer over