Lessen voor de reiziger naar God

Aurelius Augustinus (354-430) was een onvermoeibare verspreider van het christelijk geloof. In De doctrina christiana legt hij de christelijke leer uit door te laten zien hoe de Bijbel moet worden gelezen....

door Kees Fens

IN HET PRIESTERKOOR van de Augustinuskerk in de torenstad San Gimignano is in een reeks van zeventien fresco's het leven van de patroonheilige van de kerk afgebeeld. De schilder ervan is Benozzo Gozzoli en dit werk van hem wordt gerekend tot de hoogtepunten van de Florentijnse schilderkunst van de vijftiende eeuw (maar wat wordt daar niet toe gerekend?).

De cyclus begint met de eerste 'schoolgang' van Augustinus in zijn Noord-Afrikaanse geboorteplaats Thagaste en eindigt met zijn dood in Hippo, ook in Noord-Afrika. De twee beroemdste delen zijn die van de docerende Augustinus. Hij is gezeten in een schitterende zetel, kijkend in een boek voor zich, omgeven door oudere leerlingen, die eerder schijnen na te denken over het net gehoorde dan te luisteren. De latere bisschop is hier nog de deftige klassieke retor.

De tweede afbeelding laat Augustinus zien te paard, rijdend door een overvol landschap, door een hele stoet andere paardrijders gevolgd, een renaissance-heer onderweg. Hij is op weg naar Milaan, om daar retoriek te gaan doceren. Maar hij zal er Ambrosius ontmoeten en gedoopt worden. Zo lijkt hij voor de heerlijkheid van het te ontvangen geloof gekleed.

De afbeelding van de reizende Augustinus is het beeld geworden van de trekkende gelovige, wiens levensreis leidt van aarde naar hemel, van het land naar het beloofde land, in het spoor van de eerste 'reiziger': Abraham. Hij is ook gezien als het beeld van de zich steeds ontwikkelende westerse mens en diens cultuur. Men weet het nooit - schilders van dergelijke fresco's kregen de ideeën aangereikt door theologen -, maar onmogelijk lijkt het mij niet dat de afbeelding van de reizende Augustinus mede een verwijzing is naar een passage uit diens De doctrina christiana.

In het begin van het eerste boek, waar hij het heeft over het gebruiken en het genieten van de realiteiten en over beide tezamen, schrijft hij: 'Stel, we zijn vreemdelingen die alleen maar gelukkig kunnen leven in hun vaderland en we willen, ongelukkig als we zijn door ons verblijf in den vreemde, aan die ellendige situatie een einde maken en terugkeren naar ons vaderland. Dan hebben we vervoermiddelen over land en zee nodig die we moeten gebruiken om het vaderland waarvan we moeten genieten te bereiken. Maar als we plezier hebben in de toeristische attracties onderweg en in de reis zelf, gaan we er toe over te genieten van wat we hadden moeten gebruiken. We willen onze reis niet vlot beëindigen, worden verstrikt in een verkeerd soort genietingen, en raken vervreemd van de geneugten van ons vaderland die ons gelukkig kunnen maken.'

De lezer, zeker die van Augustinus' tijd, heeft de dubbelzinnigheid van de passage meteen opgemerkt. Wat een voorbeeld is, is meteen een beeld. Haast ten overvloede laat hij erp volgen: 'Zo is het ook in dit sterfelijk bestaan, waarin we ver van de Heer in den vreemde zijn.' En de weg is de terugweg naar het vaderland waar we gelukkig kunnen zijn. Zo wordt de reizende Augustinus de christen op weg, via Milaan, zou ik haast zeggen, uit een steeds vreemder wordende wereld naar zijn eindbestemming. De reis is een terugreis, de paradox van het christendom waarin vooruitgaan een terugkeren is.

Men mag ook bij het fresco van de docerende Augustinus aan De doctrina christiana denken, want de prediker die de retor werd, is ook een bijna onvermoeibare leermeester (schreef hij de hele De stad Gods niet als antwoord op een vraag van een leerling?). Augustinus legt graag uit, ook en misschien vooral in zijn preken, en hij is een meester in dat didactisch object bij uitstek: het voorbeeld.

Deze passage kan kenmerkend zijn; ze volgt op de tekst 'Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond': 'Het is net als met ons spreken: het woord dat we in ons hart dragen, wordt geluid, opdat datgene wat we in onze geest dragen, de geest van de toehoorder binnenglijdt via zijn lichamelijke oren. Dit heet spraak. Toch wordt onze gedachte niet ook in datzelfde geluid omgezet. De gedachte blijft intact op haar eigen plaats en neemt slechts de vorm van stemgeluid aan om de oren binnen te dringen, zonder enige schade op te lopen door de verandering die zij ondergaat. Op dezelfde manier verandert het Woord Gods niet en is het toch vlees geworden, opdat het in ons zou wonen.'

Met reizen, gebruiken en genieten lijken we ver van het hoofdonderwerp van De doctrina christiana: het lezen van de Bijbel. Nog ervan afgezien dat in Augustinus' wereld alles met elkaar samenhangt en elkaar verklaart: wat hij in het boek onderricht, is wat te gebruiken en hoe tot het genieten te komen. Maar dat laatste woord is dan van het zinnelijke naar het geestelijke opgeschoven: genieten is van God genieten en dat wil zeggen in Gods liefde zijn. Waarom leest men de Bijbel? Om Gods wil te leren kennen. En dat is ook de liefde. Misschien is dit wel een van de mooiste gedachten: wie die Liefde kent, de heilige kluizenaar bijvoorbeeld, kan zonder de Bijbel leven. Hij is uitgelezen - in meer betekenissen.

Wat Augustinus nu doet in De doctrina christiana, is leesles geven. Maar dat in een indrukwekkend theologisch kader. In de inzet van de proloog zet hij de doelstelling van het werk, waarvan hij het grootste deel in 397 uitgaf, maar dat pas in voltooide staat dertig jaar later zou uitkomen, uiteen: 'Er zijn bepaalde voorschriften voor de studie van de Bijbel die in mijn ogen met groot profijt kunnen worden onderwezen aan wie met de studie bezig zijn. Zij kunnen dan vorderingen maken, niet alleen door de lectuur van de andere auteurs die de verhulde passages uit de Schrift hebben ontsloten, maar ook door zulke passages zelf op te helderen. Ik ben van plan deze regels te onderwijzen aan wie de wil en de capaciteiten heeft om te leren, indien de Heer onze God mij hetgeen Hij me gewoonlijk ingeeft wanneer ik erover nadenk, ook niet onthoudt, nu ik erover schrijf.'

De laatste woorden zijn uiteraard een prachtige omschrijving van de moeilijkheid van het schrijfproces: dat wat in de geest ligt, equivalent op papier te krijgen. Wat opvalt is dat zowel de geschriften van anderen - en dat zijn uiteraard de gezaghebbende - en de eigen lectuur tot verheldering kunnen leiden. Zonder de traditie kan de individuele lezer niet lezen. Hij dient echter ook onderricht te worden, door dit boek voor hem bijvoorbeeld, maar dat onderricht is evenzeer, bij alle oorspronkelijkheid van de auteur, een product van de traditie: die van het lezen in het algemeen en van de Bijbel in het bijzonder.

Kenmerkend is ook het gebruik van het woord 'verhullend'. Het zal in andere vormen - 'duister' bijvoorbeeld - in de verhandeling terugkeren. De Bijbel is het boek van God, die soms de eerste hermetische schrijver lijkt. Hij verbergt veel in zijn tekst; de lezer is de ontdekker daarvan. Het inzicht moet ook gewonnen worden.

De eisen die aan de lezer gesteld worden, zijn niet gering. Christelijk lezen is zwaar, als het christelijk leven. Waarschijnlijk is dit de mooiste paradox uit het hele werk (die voor alle onderwijs lijkt te gelden): men moet al bijna alles weten, om nog te kunnen leren. Men moet de hele Schrift kennen om een enkele passage eruit te kunnen verhelderen. In het verklaren van een tekst in het licht van andere teksten is Augustinus zelf een meester.

De theoloog blijft de wetenschapper. Een bijzonder karakteristieke opmerking staat in het tweede boek: 'Onbekendheid met realia maakt figuurlijke wendingen duister, wanneer we geen weet hebben van de aard van levende wezens, stenen en planten of van andere dingen die in de Schrift vaak voorkomen ter wille van een vergelijking.'

Alleen met de kennis van de letter is de kennis van de geest mogelijk; het beeld is onkenbaar zonder kennis van het voorbeeld. En dat is een gezonde vorm van literair realisme. We moeten alles kennen en gebruiken om tot het genieten te komen. Gebrek aan kennis - niet alleen feitelijke, maar ook literaire - maakt dwalingen mogelijk. Maar voor de geest des onderscheids is de Liefde tot God de centrale norm. Wat daarvan afleidt, is een mislezing. Hogere idee van verkeerde interpretatie bestaat niet.

Het eerste boek gaat over de realiteiten, die ook alleen als zodanig verstaan willen worden. Het tweede over de tekens en dat handelt - met vaak schitterende passages - over het overdrachtelijke taalgebruik.

Het boeiendst is voor mij het derde boek, dat over de zo vruchtbare (en gevaarlijke) meerduidigheid handelt. Wat hij hier bijvoorbeeld over het voorlezen zegt - ook dat is een vorm van verkondiging en dus een mogelijkheid tot kennisnemen van de Bijbel - is heel mooi. Geen theorie zonder praktijk. Heel wat voorbeelden van verschillende soorten lezing zijn in de verhandeling opgenomen, waarbij de scherpzinnigheid soms even groot is als de gezochtheid.

Het laatste boek handelt over de presentatie en dat gaat voor een groot deel over Augustinus' 'vak', de retorica. Men leert uit het gehoor. Dat kan in een verhandeling over een boek een vreemd onderdeel zijn. Maar ook bijbelboeken zelf blijken voorbeelden van schitterende presentatie, in een samenvallen van stijl en inhoud. God is de beste retor.

De doctrina christiana is nu onder de titel Wat betekent de bijbel? in het Nederlands vertaald door Jan den Boeft, hoogleraar Latijnse taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, en Ineke Sluiter, hoogleraar Griekse taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden. Hun vertaling is bewonderenswaardig levendig, wat mede het gevolg is van het gebruik van hedendaagse begrippen ('toeristisch' in een hierboven gegeven citaat bijvoorbeeld) die nergens anachronistisch aandoen. Hun inleiding en de noten zijn uitvoerig en zonder meer voortreffelijk.

Over de Nederlandse titel valt te twisten, omdat het in het boek in feite ook over de hele christelijke leer gaat en de Bijbel zelf het grote teken van God en van het christelijk leven zelf lijkt te worden. Maar misschien houd ik niet erg van titels met vraagtekens, hoewel het didactisch karakter van het boek in de vraag tot uitdrukking kan komen.

In elk geval: De doctrina christiana is ook een reisboek. Wie het zo diep mogelijk heeft verstaan en dus genoten, is aan het einde van zijn levensreis: hij staat voor het beloofde land. Daar zal hij lezen met de ogen van de ziel. En pas dan alles verstaan. Want hier blijft het behelpen. Ook daarom schreef Augustinus, de beste lezer, deze gids.

Meer over