ColumnSylvia Witteman

‘Kom in het zonnetje, anders word je nooit lekker bruin’, vleide mijn moeder vroeger

null Beeld
Sylvia Witteman

Aan het zonnige Bellamyplantsoentje zat ik me een beetje in Parijs te wanen. Het wordt deels overschaduwd door de ritselende blaadjes van twee gigantische, knoestige notenbomen, rond een klaterende fontein vol spelende kinderen en een half leeggelopen opblaaskrokodil. Met een bekertje koffie keek ik hoe ze vrolijk joelend rondplensden in het water. Ouders liepen af en aan om hun kroost met factor 50 in te smeren. Eén meisje van een jaar of 5 had zelfs een speciaal zwemshirt aan, met lange mouwen, om haar tegen de zon te beschermen.

Toen ik klein was gold de zon nog als bron van welzijn. Je kon niet bruin genoeg zijn: ‘lekker bakken’ was het devies. Mijn moeder smeerde ons, kinderen, daartoe een likje zonnebrandolie op de schouders, van het merk ‘Piz Buin’ (wij kinderen noemen het uiteraard ‘PisBruin’).

Het rook heerlijk naar kokos, maar van een ‘beschermingsfactor’ was toen nog niet echt sprake. Piz Buin was in feite een soort braadvet, en wat zonnebaden betreft was er maar één scenario: eerst verbranden, en vervolgens vervellen. Op de derde dag begon de begeerde bruining. Hóé bruin, dat hing van je volharding af. In de jaren zeventig liefst poepbruin, al kreeg je dan ook een huid als een oude varkensleren koffer op de koop toe.

Zelf zat ik, ook toen al, liever in de schaduw, maar die was schaars op het strand. Ik weet nog hoe pijnlijk het zand ’s nachts in bed schuurde over mijn verbrande rug, en hoe het voelde als je voorzichtig zo’n lapje vel van je schouder trok. De huid daaronder was dan vochtig en vuurrood. Ik verdroeg dat strandbezoek alleen omdat ik zo graag in zee speelde. Daardoor bleven mijn benen bleek. ‘Melkflessen’, werden ze spottend genoemd.

Het kleine meisje in de fontein maakte aanstalten haar T-shirt uit te trekken. Dat begreep ik wel. Het is vervelend om kleren aan te hebben in het water. Bovendien had haar huid een tint die men ‘olijfkleurig’ noemt (wat ik nooit begrepen heb, want olijven zijn groen, paars of zwart); van dat vriendelijke namiddagmeizonnetje zou ze niet snel te lijden hebben.

‘Lotus! Houd je shirt aan!’, riep haar vader vanaf zijn bankje. Het meisje gooide het shirt in het water, waarna de man op blote voeten naar haar toe waadde en het opnieuw over haar tegenstribbelende lijfje trok. ‘Je wilt toch niet verbranden?’, suste hij.

‘Kom nou in het zonnetje, anders word je nooit lekker bruin’, vleide mijn moeder vijftig jaar geleden, als ik me probeerde terug te trekken in de schaduw van haar strandstoel.

Het is ook nooit goed.