KARDINAAL SIMONIS

Ter gelegenheid van Simonis' veertigjarig priesterjubileum mocht Volkskrant-fotograaf Daniel Koning eerder dit jaar langskomen om in het bisschoppelijk paleis aan de Utrechtse Maliebaan het dagelijks leven van de hoogste rooms-katholieke leider van Nederland in beeld te brengen....

Ook zien we de eminentie met een jolige blik en een lichtzinnige geruite pet boven het zwarte pak met bisschopskruis, als een buutreedner, bij zijn gedateerde jongensfiets (terugtraprem, twee sloten, de bedrading van de koplamp lijkt in het ongerede), als celebrant tijdens de mis in de huiskapel van het paleis, en als organist in diezelfde gewijde ruimte.

Maar de meeste en werkelijke roomsheid gaat toch uit van de grootste foto, die waarop Simonis met drie collega's in de eetkamer de lunch gebruikt. Dit is een gewijd moment, waar de dienaren van het goddelijk woord de tijd voor nemen. Vier mannen rond de wit gedekte tafel, twee aan twee tegenover elkaar, in donkere pakken met priesterboord. Het meubilair is zwaar en ademt onvergankelijkheid en warsheid van de waan van de dag, zoals alles in deze ruimte. In de hoek staat iets dat op een wijwatervat met bijbehorende kwast lijkt, maar het kan ook een doofpot zijn - of een wijnkoeler, want de glazen staan al klaar op tafel.

De kardinaal heeft de soepterrine voor zich staan, schept de borden vol en deelt uit. Hij lijkt de balletjes eerlijk te verdelen, hij doet dit werkje in elk geval met een geconcentreerde blik in zijn ogen, maar zijn gezicht straalt vooral de tevredenheid uit van een mens die nu even geen moeilijke vergaderingen hoeft te leiden. Het is tijd voor de inwendige mens, van geestelijk voedsel alleen kan men niet leven, en hij zal het zich laten smaken.

Een besloten mannenclub van tradities en vaste waarden is het, en boven de geur van de soep uit moet het daar vooral naar ruiken. Naar pastorie. Een zweem van wierook en kaarsen, dikke tapijten, pluchen stoelen, zware gordijnen, oude boeken, vulpeninkt, gepoetste schoenen, asbakken, lang meegaande pakken en boorden, week vlees, dichte ramen. Er valt niet tegenaan te stofzuigen. Ook hier treedt de buitenwereld gefilterd en verbaasd door de vitrages naar binnen, alsof daar een andere werkelijkheid heerst, wat ook zo is.

Binnen heeft de tijd stil gestaan. Het is er 1931, het geboortejaar van de kardinaal. Hier heerst nog het Rijke Roomsche Leven, en Simonis' kennelijke hang daarnaar, in kleding, houding, interieur, het verdedigen van oude dogma's en zijn rechtlijnige opstelling inzake homoseksualitet, abortus en euthanasie moeten voortkomen uit onzekerheid over het onbekende, uit angst die voortspruit uit een gebrek aan visionaire kracht. Tot troost zoekt hij liefde en geborgenheid bij de mannen die de Moederkerk hoeden. Mannen zoals hij, getrouwd met Gods volk. Dat hij als kleuter al met zijn kinderaltaartje speelde, op zijn zesde reeds besloot pastoor te worden, moet verklaard worden uit de behoefte aan grotere zekerheid en onvergankelijkheid dan het volle leven kan bieden, en die slechts worden gevonden in de eeuwigheid, in de warme schoot en de liefde die de kerk van Rome haar herders verschaft.

Voor twijfel, wat iets anders is dan onzekerheid, is geestkracht en creativiteit nodig. De onzekere zoekt zekerheid in dogma's, en behoeft dan niet meer te twijfelen, ook en vooral niet meer aan zichzelf. Hij zoekt de gebaande paden, die zijn uitgesleten door processies van generaties voorgangers en die alle als vanzelf naar Rome leiden, waar de finale zekerheid heerst. Het is de makkelijkste weg, maar voor sommigen liggen er geen andere open. Zijwegen zien ze niet. Ze kijken slechts achterom om te zien hoe het was en weten dan weer hoe het moet zijn.

Velen hebben hem in zijn ogen ten onrechte om zijn conservatisme bekritiseerd, wat hem raakte en ook wel pijn deed. Maar de zekerheid dat niet hij maar slechts de wereld veranderde, gaf kracht. Als kapelaan werkte hij weliswaar in de wereld, hij ging onvermoeibaar op huisbezoek en liet zich niet uit het veld slaan als zijn komst onwelkom bleek, maar hij zag de wereld niet als de zijne. Zijn brillenglazen vormden de ruiten die het zicht op de realiteit zeefden en die hem in staat stelden zich terug te trekken in zijn geestelijke binnenkamer, waar het straatrumoer als onwerkelijk kan worden ervaren.

Wel lijkt Simonis zelf ook in te zien dat, zoals veel vrienden en goede kennissen menen, het kardinaalschap voor hem te hoog is gegrepen. Maar hij heeft dan ook niet gegrepen. Meer dan pastoor hoefde niet, maar van kapelaan werd hij meteen tot bisschop benoemd. Hij twijfelde daarover, maar wie was hij om de paus, en de roepstem van God, te weerstaan. Gezagsgetrouw en gehoorzaam nam hij de last van het besturen op zijn schouders, waar hij liever als zielzorger voort was gegaan. Zo ging het ook bij benoeming tot aartsbisschop en vervolgens tot kardinaal.

De Echo van Rome wordt hij wel genoemd, wat ongetwijfeld juist is, en ook de reden voor die benoemingen moet zijn geweest. Maar Rome zal zich niet gerealiseerd hebben dat het geen veldheer maar een ongeleid projectiel losliet in de Nederlandse godsdienstoorlog van de jaren zeventig. Simonis is emotioneel en impulsief, maakt zich kwaad en polariseert. Hij is geen man van de dialoog, maar een zetbaas die orders uitvoert, ten diepste overtuigd van het eeuwige gelijk van de kerk, en die daarbij met regelmaat over de rand gaat. Ondoordachte uitspraken zijn daarvan het gevolg, zoals recentelijk de parallel die hij zag tussen abortus, euthanasie en geweld op straat, alle voortkomend uit de afwezigheid van de onvoorwaardelijke erkenning van het recht op leven.

Hij was daarover op de televisie in debat met minister Borst, die zich boos en teleurgesteld toonde. Hij begreep het niet en legde het nog eens uit. Daar zat geen manager van een onderneming, maar een wat schuwe man, zacht en enigszins binnensmonds pratend - hoewel hij uit Lisse komt klonk er in zijn spreken onhoorbaar een zachte 'g', zozeer heeft hij zich ingeleefd - die het in zijn eentje leek op te nemen tegen de wereld, maar op een angstige manier. Hij zat daar omdat het moest. Hij was de kapelaan die hij altijd gebleven is, met de paus als zijn pastoor.

Meer over