Jonge Algerijnen vinden alleen gehoor bij moslimbroeders

In de desolate Parijse voorsteden vormen Algerijnse jongens de probleemgroep. Ze voelen zich verlaten door de autoriteiten. Alleen 'mannen met baarden' luisteren naar hen....

Van onze verslaggever Fred de Vries

Het tafereel bij de ingang van het flatcomplex doet denken aan een van die vele banlieue-films die sinds het succes van La Haine zijn gemaakt. Een groepje donkere jongens hangt rond bij neergelaten rolluiken en komt als één man in beweging als er een oude Peugeot komt aanrijden.

De deuren gaan open, een jongen buigt zich naar binnen. Er komen mobiele telefoons te voorschijn. De omgeving wordt nauwlettend in de gaten gehouden. Na enige tijd rijdt de auto weer weg en slenteren de jongens terug.

Franconville is een noordelijke buitenwijk van Parijs, een half uur met de trein. Het is bovenal een fris ogend, door de stad opgeslurpt dorp, waar mannen met alpino petjes nog jeu de boules spelen in het park. De perkjes worden goed onderhouden. Je ziet er geen graffiti. In de verte beginnen de glooiende heuvels van het platteland.

Het groepje jongens hangt rond voor de ingang van de wijk Fontaine-Bertin, een van de twee verzamelingen sociale-woningbouwflats die afbreuk doen aan het dorpse karakter van Franconville. Ze zijn hier in de jaren zeventig neergezet toen iedere voorstad haar quotum kreeg toegewezen. Franconville ontving vooral Noord-Afrikaanse moslimfamilies uit Argenteuil, dat inmiddels berucht is om zijn drugs en criminaliteit. De ongeveer 5000 bewoners van de twee wijken maken 15 procent van de bevolking uit.

De jongens noemen hun wijk 'Chicago'. Dat klinkt stoerder dan Fontaine-Bertin. Ze wijzen op een leeg pand. 'Dat was het jongerenhuis', zegt Riad. 'Het was tot één uur 's nachts open. Je kon er eten, drinken, tv kijken, muziek maken, dansen.' Het buurthuis werd gesloten nadat er een schotelantenne was ontvreemd. Volgens de jongens gebeurde de sluiting op last van 'die klote-burgemeester'.

Er rijdt een politieauto langs. De jongens reageren als door een wesp gestoken. 'Teringlijers!' Middelvingers priemen omhoog. De politie gaat op jacht naar 'gasten' die de heuvels als motorcrossgebied gebruiken, legt Riad uit.

Riad is een jaar werkloos. Zijn ouders kwamen naar Frankrijk na het einde van de Algerijnse burgeroorlog in 1962. Hij groeide op in Argenteuil. 'Daar kun je hard drugs krijgen. Hier is het hasj.'

Er is niemand die iets voor de jeugd doet, klagen de jongens in koor. Alleen de mannen met baarden komen af en toe langs om naar hen te luisteren, de moslimbroeders. 'Mensen worden religieuzer', zegt Riad. 'Ik ook. Ik ben islamitisch opgevoed. Maar vanaf mijn veertiende werd ik minder praktiserend. Nu komt het terug.'

Jongens als Riad en zijn maten vormen de probleemgroep in de desolate Parijse voorsteden. Ze zijn met zijn tienduizenden, werkloos, gewelddadig, crimineel. Ze voelen zich in de steek gelaten door de autoriteiten. Wanhopig probeert de Franse overheid te voorkomen dat ze in handen vallen van de 'fundamentalisten'. In Franconville speelt zich op microniveau af wat er in de gehele banlieue gebeurt.

Deze kleine voorstad heeft nog iets extra's. Of Riad weet dat er een leider van het verboden Algerijnse Islamitisch Heilsfront (FIS) bij hem in de buurt woont? 'Jazeker.' 'Die vent is gek', schreeuwt een van zijn kameraden. 'Helemaal niet', zegt Riad boos.

Die 'terrorist' heet Moussa Kraouche. Hij woont in een flat op twee minuten lopen. Begin jaren negentig was hij woordvoerder van de FAF, de Franse afdeling van het FIS. Lang mocht hij zijn gang gaan, totdat de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Pasqua, zijn tanden liet zien. Op 9 november 1993 werd Kraouche met tachtig anderen opgepakt. Hij zat drie weken vast omdat hij 'banden had met een terroristische groep'. De politie had pamfletten bij hem gevonden van de extremistische GIA.

Later bleek dat die daar waren neergelegd door de geheime dienst. Kraouche werd vrijgelaten, maar bleef onder huisarrest. Zijn papieren werden afgenomen. Hij verloor zijn baan op het gemeentehuis en leeft van 'giften'.

De problemen van de migranten in Parijs zijn vergelijkbaar met die van migranten in Nederland, België, Duitsland. Het draait om integratie, racisme en werkloosheid. Maar in Frankrijk is de oplossing extra moeilijk vanwege de kwestie Algerije, toen en nu.

Algerije was 130 jaar lang deel van Frankrijk, niet als kolonie maar als département. In de oorlog van 1954 tot '62 kwamen een miljoen Algerijnen om het leven. Na de onafhankelijkheid begon een trek van Algerijnen naar Frankrijk op zoek naar werk. Zij leefden daar met verbitterd teruggekeerde kolonisten en gevluchte Algerijnse collaborateurs.

De Fransen behandelden de Algerijnse gastarbeiders met dédain. 'Eerst vechten jullie je dood voor je onafhankelijkheid en dan komen jullie hierheen om er beter van te worden', luidde het verwijt. Integratie werd een probleem.

Zeker toen het FIS begin jaren negentig de verkiezingen in Algerije won en het land een islamitische staat dreigde te worden. 'Het gevaar bevindt zich op twee uur vliegen', zei men in Frankrijk. Parijs hielp het Algerijnse leger in de strijd tegen de islamisten, die de wapens in 1992 oppakten.

Die strijd beperkte zich niet tot Algerije. In Frankrijk vond in 1995 een reeks bomaanslagen plaats, onder meer in de Parijse metro, die zouden zijn gepleegd door Algerijnse extremisten. Het FIS houdt vol dat de Algerijnse geheime dienst achter de aanslagen zat. Maar het kwaad was geschied: elke gelovige Algerijn werd voor de Franse politie een potentiële terrorist. De politici, de media, heel Frankrijk raakte geobsedeerd door het islamisme.

'Men is vreselijk bang voor de islam', zegt Kraouche. 'Die angst is gebaseerd op vooroordelen. Veel schuld ligt bij de Franse media. Die informeren om te desinformeren.' Omstandig vertelt hij hoe het moslimverenigingen de afgelopen jaren onmogelijk is gemaakt met banlieue-jongeren te werken, hen op het rechte pad te houden of te brengen. 'Moslimverenigingen en moskeeën worden afgeschilderd als broedplaatsen van terroristen. Maar in wijken waar je een bidzaal hebt, zijn veel minder drugsproblemen, want er is een dialoog tussen de jeugd en de moslimleiders. Het wordt ons alleen heel moeilijk gemaakt. Er is hier in Franconville zelfs geen moskee.'

Op het stadhuis van Franconville bagatelliseert men die angst voor de islam. 'In beide sociale-woningbouwwijken zijn een stuk of tien, vijftien echte probleemjongeren', zegt plaatsvervangend burgemeester Marie-Christine Cavacchi. 'Wij proberen de jongeren uit die wijken met de jeugd uit de rest van Franconville te mengen, ze aan gezamenlijke activiteiten te laten deelnemen.'

Daarom heeft de gemeente 1500 'jongerenpaspoorten' uitgegeven, die de houders recht geven deel te nemen aan hiphopavonden, sport, uitstapjes naar het Stade de France. 'In iedere wijk is er een groepje dat per se niet wil meedoen', zegt Cavacchi. Daarnaast patrouilleert de politie druk in de probleemwijken en wordt er alles aan gedaan om te voorkomen dat het op de scholen finaal uit de hand loopt, zoals elders in Parijs.

Nee, zegt Cavacchi, een moskee is er inderdaad niet in Franconville, dat wel vier kerken telt. 'Moslims bidden in een naburige gemeente.' En voorzover zij weet zijn er ook geen moslimverenigingen actief in de banlieue. 'Maar fundamentalisme is geen probleem, hoewel je de afgelopen paar jaar wel steeds meer meisjes met hoofddoeken ziet.'

Het zijn werelden die elkaar niet raken. 's Avonds rijdt Kraouche met twee baardige moslimbroeders door de uitgestorven straten van Franconville om de dichtstbijzijnde moskee te laten zien. Daarna wisselt hij met een aantal 'broeders' van gedachten. De gebedsruimte in het naburige Ermont blijkt een kamer in een hostel voor mannelijke gastarbeiders, die daar voor 500 gulden per maand een onderkomen huren van twaalf vierkante meter.

In de flat van Kraouche wachten zeven mannen op onze komst. Vijf Algerijnen en twee Marokkanen, allen goed opgeleide dertigers. Sommigen zijn pas enkele jaren diep gelovig. 'We zijn door een fase heengegaan waarin we niet praktiseerden', zegt de onderwijzer Abdelazim. 'We kregen nooit de kans onze wortels te ontdekken. Ik had alles. Westerse vrienden, ik woonde niet in een krottenwijk, maar ik miste iets.'

Jurist Idriss valt hem bij: 'Ik heb gestudeerd, eerst in Algerije, later hier. Net als de meesten was ik onder de indruk van de westerse cultuur. Ik heb alles gelezen: Marx, Lenin, Kant. Maar op een gegeven moment begreep ik dat ik daarin de waarheid niet vond. Als je hier wilt integreren moet je je hele persoonlijkheid opgeven. De Fransen willen assimilatie, geen integratie.'

Het gesprek komt op de stuurloze jongeren van de banlieue. 'Het is onze taak die jongeren te redden', zegt Abdelazim. 'Maar zodra we dat proberen, krijgen we het etiket fundamentalist opgeplakt en wordt de vereniging verboden.'

Er volgt een zevenstemmige litanie tegen de Fransen, het Franse systeem, en over de Algerijnse problematiek. Er worden voorbeelden aangedragen van mensen die de Franse nationaliteit niet kregen omdat ze een hoofddoekje hadden, van vrienden die werden opgepakt omdat ze mensen zouden hebben bekeerd, van massa-arrestaties van moslims.

Wat doorklinkt is oprechte frustratie. Dat er niet naar hen wordt geluisterd, dat ze niet voor vol worden aangezien. En bovenal dat hun geloof alleen wordt geassocieerd met haat en intolerantie. 'Ze proberen de bevolking te mobiliseren tegen de islam. Er is een psychose gecreëerd, om te voorkomen dat men de deugden van de islam leert kennen.'

Meer over