Die ene meldingWijkagent Fons Lens

‘Je kon ons opvegen, ik kreeg de schrik van m’n leven’

In ‘Die ene melding’ interviewt Wil Thijssen politiemensen over de gebeurtenissen na een specifieke melding die hun kijk op het vak ingrijpend hebben veranderd. Deze week: wijkagent Fons Lens (54), die als surveillant bij een doorzoeking iemand over het hoofd zag.

Wil Thijssen
null Beeld Anne Stooker
Beeld Anne Stooker

‘Ik kan me dit verhaal nog tot in detail herinneren. Mevrouw Damen, een hoogbejaarde vrouw, had een antiekwinkel op het Noordeinde hier in Den Haag. Ze was dementerend en belde vaak de politie over geluidsoverlast van de buren, maar steeds ging het om stemmen in haar hoofd. Geruststellen was doorgaans voldoende. Veel collega’s van het bureau kenden haar.

‘Op een ochtend tijdens de briefing zei de wijkagent: ‘Het gaat niet goed met mevrouw Damen, de zorg probeert haar in een opvang geplaatst te krijgen.’ De wijkagent legde uit hoe we, als we weer een melding vanuit de antiekzaak zouden krijgen, het huis binnen konden zonder veel braakschade te veroorzaken: met de voet op klinkhoogte was de deur open te duwen.

‘Nog geen week later kregen wij inderdaad een melding: de buren hadden de politie gebeld. Ze maakten zich zorgen omdat ze mevrouw Damen al een tijd niet meer hadden gezien. Ik had surveillancedienst en reed met een collega naar het Noordeinde.

‘Links naast het statige winkelpand was een houten deur die toegang gaf tot de woonruimte. Dus hup, maatje 44 naast de klink, en we stonden binnen. Het rook er muf. Overal slingerden dozen rond en lagen stapels vergeelde kranten. We moesten letterlijk onze weg vinden door over stapels rommel heen te klimmen.

‘Helemaal aan het eind van een lange gang kwamen we in de woonkamer. Ook daar stonden spullen en dozen hoog opgestapeld. Dat maak je als agent in de binnenstad wel vaker mee, dus daar keken we niet van op. Maar het is wel een teken aan de wand.

‘‘Politie! Mevrouw Damen! Hallo!’, riepen we, maar daar werd niet op gereageerd. Elk vertrek, er waren vijf of zes kamertjes, doorzochten we, kruip-door-sluip-door. Wc, badkamer – niemand.

‘Via haar woning konden we in de antiekwinkel komen. Dat was één grote ruimte waar een klein keukentje in zat. In die winkel stond duur spul. Wij vonden het best spannend. Je gaat toch naar binnen met de vraag: wat tref ik aan?

‘De deur van het keukentje klemde. Ik kon hem maar een klein stukje openduwen. Binnen bleef het stil. Mijn collega was al in het voorportaal van de zaak. Daar lag, onder de brievenbus, een berg post van anderhalve week oud. Omdat we mevrouw Damen nergens konden vinden, versterkte dat ons gevoel: het is gelukt om haar in de opvang te plaatsen.

‘Toen we terugliepen, kwamen we weer langs dat keukentje. Met z’n tweeën duwden we de deur nog een eind verder open. Ik wurmde me naar binnen. Een kast bleek tegen de deur te zijn geschoven. Het was er donker en bloedheet – een gaskacheltje loeide op de hoogste stand. Plotseling, toen ik mijn zaklamp aandeed, scheen ik recht in het gezicht van mevrouw Damen. Ik schrok me kapot. Daar zat ze, achter in het keukentje, lijkbleek en met gesloten ogen, verpakt in een deken die ze over haar hoofd had getrokken.

‘‘Ik heb haar gevonden’, riep ik naar mijn collega, ‘laten we alles maar bestellen’. Dat betekent dat de recherche moet komen, de forensische dienst en een lijkschouwer.

‘Het was een zielig gezicht. We hadden met haar te doen, hoe ze daar zo in haar eentje zat. Terwijl we in gedachten even stil naar haar stonden te kijken, klonk ineens: ‘Ik had jullie wel gehoord, hoor.’

‘Jezus, echt, je kon ons opvegen. Ik kreeg de schrik van m’n leven, we zakten nog net niet door de grond. We stonden aan de grond genageld. We dachten allebei: ze is overleden, en ineens begint een lijk te praten, zo voelde dat.

‘Dementie kent allerlei fasen en op dat moment was mevrouw Damen heel helder. We voerden een gesprekje met haar en ze zei dat ze het fijn vond dat we ons om haar bekommerden. Daarna zei ik: ‘Nou, mevrouw Damen, we gaan weer, maar we geven wel even door aan de wijkagent dat het niet zo goed met u gaat.’

‘Later hoorden we dat de wijkagent haar in diezelfde houding had aangetroffen. Dood. Wij waren de laatsten die mevrouw Damen hadden gesproken. Dat doet wel wat met je. Ze was al aan het sterven.

‘Door dit incident ben ik tienduizend keer alerter als ik een woning moet doorzoeken. Achter iedere deur en elk luikje kijk ik twee keer, en ik vertel dit verhaal aan nieuwe collega’s bij het doorzoeken van een pand.

‘Ik ben nu zelf wijkagent. Hier in de Haagse binnenstad maak ik van alles mee, van prostitutie tot de koning. Maar niets is zo schrijnend als mensen die je alleen in huis aantreft, helemaal vervuild, wereldvreemd, naar wie niemand omkijkt. Door mevrouw Damen ben ik extra alert op alleenwonende oude mensen zonder familie. Daar ga ik eens in de zoveel tijd even een bakkie doen. Zomaar. Even bijkletsen. Sommigen halen zelfs speciaal gebak, gewoon, om te vieren dat er even iemand is.’

Meer over