Vakantieliefde

Jan kreeg spijt zo gauw hij wegreed van Ursula op die camping aan het Lago Maggiore

Na een paar dagen kalverliefde vertrok de Nederlandse Jan van de camping waar hij de Zwitserse Ursula ontmoette. Maar waarom had hij zijn adres nou niet gegeven?

Vakantieliefde - vkm1038 Beeld Inez van Vuren
Vakantieliefde - vkm1038Beeld Inez van Vuren

Ursula (65) uit Zwitserland

‘De magie zat hem in zijn zwembroek: een rood-wit gebloemde bermuda. En dan had hij ook nog eens lang blond haar en een exotische naam die ik dromerig hardop uitsprak als ik weer alleen was: Jan, of zoals ik het zei: Jáán. Het was de zomer van 1969, vanuit Luzern reden we met het gezin naar een camping aan het Lago Maggiore. Eerst helpen de tent opzetten en daarna op verkenning. Jan zat in een rubberboot, het water glinsterde, en ik kon maar een ding bedenken om zijn aandacht te trekken: dat bootje moest om. Hij reageerde door me nat te spatten, wat volgens dezelfde internationale campingwetten zoveel betekende als: ik vind jou ook leuk. Jáán, Jáán, zong het door mijn hoofd, ook al bleek die naam het equivalent van het Zwitserse ‘Hans’. Maar toen we even later samen door het dorp liepen en hij mijn hand pakte siste ik: Hör auf. Mijn broer liep achter ons, en ik wilde niet dat mijn ouders erachter zouden komen dat ik een vriendje had. De dagen erop was hij koeltjes en het had niet veel gescheeld of dit was het einde van een prille verliefdheid geweest. Maar ik gaf niet op en sloot me aan bij het groepje Hollanders waar hij ook bij hoorde. En op een middag vroeg hij: wil je met me naar de overkant van het meer varen?

In zijn half lekke rubberboot peddelde hij het Lago Maggiore over. Waar we over spraken, geen idee, als we al spraken. Zo goed was zijn Duits niet. We ontdekten net op tijd dat we een roeispaan kwijt waren, Jan viste hem uit het water en uitgeput bereikten we de overkant, maar de beloning was zoet. Daar, aan de andere kant van het Lago Maggiore, zoenden we voor het eerst. En eenmaal terug op de camping, waar onze familie ons met hun verrekijkers als het ware het water uitkeken, benauwd over het lek in de rubberboot, was het ‘aan’ tussen ons. Een paar dagen later was Jans vakantie voorbij. We stonden vroeg op om zo lang mogelijk samen te kunnen zijn en wachtten, verdrietig en verstrengeld, op een heuveltje net buiten het dorp tot we zijn vaders donkergroene volgepakte Skoda zagen aankomen. Hij stapte in. Ik huilde en toen hij wegreed besefte ik dat ik niet eens om zijn adres had durven vragen. Was hij het vergeten? Of gaf ik meer betekenis aan wat er gebeurd was dan hij? Zijn zus had een Italiaanse scharrel in het dorp, die wel hun adres had, dat troostte me, maar de echte verlossing kwam toen ik een paar dagen na zijn vertrek op het campingkantoortje een brief kreeg, gericht aan Ursula aus der Schweiz. Verstuurd vanuit Frankrijk, waar ze op weg naar huis nog een paar dagen kampeerden. Dus toch. Jan vond me leuk.

Vanaf dat moment begonnen we elkaar te schrijven. We spraken af dat we elkaar het jaar erop weer zouden zien, op dezelfde camping, maar vlak voor die zomervakantie werd zijn zus ernstig ziek en het zou nog tot Pasen 1971 duren voor ik hem opnieuw ontmoette. Wij waren in die zomer van 1970 wel naar Italië gegaan. Ik had mijn moeder geholpen vriendschap te sluiten met zijn tante en om die te bezegelen reden we dat voorjaar erop naar Nederland. Het was Goede Vrijdag toen we eindelijk zijn huis, het ware doel van de door mij geïnitieerde reis, aandeden. ‘Zal ik Jan bellen?’, vroeg zijn moeder luchtig, ‘die zit bij zijn vriendin.’ Natuurlijk, een vriendin. Hoe kon het anders, een jongen als hij. In een zwarte ribbroek, een zwart ribjasje en hoge laarzen, zijn haar nog even lang als ik me herinnerde en op zijn neus dezelfde ziekenfondsbril, kwam hij aangereden. Op zijn Puch. Zal ik je mijn kamer laten zien?, vroeg hij. Over die vriendin spraken we niet meer.

We waren inmiddels twee jaar ouder dan toen in Italië, herkenden iets in elkaar wat de liefde aanwakkerde en serieuzer maakte en met Kerst zochten we elkaar opnieuw op. Dit keer hadden we geen begeleiders meer nodig, tot groot misprijzen van mijn vader die mij mijn keuze voor ‘die buitenlander’ tot zijn dood nooit heeft vergeven. Op de dag dat Jan me in 1973 kwam halen met de oude Austin van zijn zus en ik voorgoed naar Nederland zou verhuizen, de dag dat ik op de uitkijk stond op het dak van mijn school en hij veel later dan afgesproken en stinkend naar koelvloeistof van de kokende motor kwam aanrijden, draaide mijn vader me zonder iets te zeggen de rug toe. Ik was 18 en stapte in, huilend om de afwijzing van mijn vader maar vastbesloten en verliefd. Bijna drie jaar later zijn we getrouwd, in 1975, ik in een bruine bloes met roesjes en een crèmekleurige lange rok van Peek en Cloppenburg. Nooit een seconde spijt gehad van mijn radicale besluit. Ik ben lerares Duits geworden en ben in financiële zin altijd zelfstandig gebleven. Ook al deed het pijn dat mijn vader niet alleen Jan maar zelfs onze kinderen nooit heeft willen leren kennen, zou ik alles, stap voor stap, toch zo weer over doen. Jan is me vanaf het eerste moment in die geweldige zwembroek, intens vertrouwd.’

Jan(67) uit Nederland

‘Tien kilo brieven hebben we elkaar in drie jaar geschreven, ik heb ze laatst allemaal van zolder gehaald en bekeken. Ik leerde Ursula kennen een week na de maanlanding, op 22 juli 1969. Ze was een beetje een hippie met lange blonde haren en had iets sterks en onafhankelijks. Zelf was ik in die tijd een 16-jarig, verlegen mannetje in een geleend rubberbootje, en stomverbaasd dat dit bloedmooie meisje belangstelling voor mij toonde. ’s Avonds op een terras hield ik haar hand vast, veel te overmoedig kennelijk, want ze trok die schielijk terug en zei iets in het Duits wat ik niet kon verstaan. Zie je wel, dacht ik, veel te hoog gegrepen. Maar in de dagen erna bood de discodancing van de camping redding, we dansten en alles kwam goed, zo goed, dat ik voldoende zelfvertrouwen kreeg om haar een dag later in mijn geleende bootje mee te vragen naar de overkant van het Lago Maggiore.

Ik had nog nooit echt met een meisje gezoend. Maar na vier uur roeien bereikten we de oever en was haar zachte kus mijn ultieme beloning. En toen we laat in de middag weer aankwamen op de camping, zag iedereen dat het ‘aan’ was tussen ons. Haar ouders waren er niet al te blij mee, en dat ik twee dagen later weer weg moest omdat onze vakantie voorbij was, daarover haalden ze hun schouders op. ‘Maak je niet druk, jongens genoeg’, zeiden ze tegen hun huilende dochter. En natuurlijk hadden ze gelijk, wat kon zo’n vakantieliefde nou te betekenen hebben? Nog steeds verlegen durfde ik haar niet om haar adres te vragen, en reed ik van haar weg, het dorp uit waar we onze eerste zoenen hadden uitgewisseld en zulke lekkere ijsjes hadden gegeten.

Maar na een uur op de achterbank kreeg ik spijt. Het afscheid was hartverscheurend geweest, mijn ouders vonden het heel zielig voor hun Jantje en waren een stuk meer begaan met ons dan de hare. Wat had ik gedaan? Ik zou haar misschien nooit meer zien. Dus toen we een tussenstop maakten in Frankrijk deed ik mijn adres in een envelop en stuurde die naar Fräulein Ursula aus der Schweiz op de Italiaanse camping. We begonnen onze brieven met Liebe, maar dat veranderde toen ik in 1970 een vriendin kreeg. De frequentie van onze correspondentie nam af, de brieven werden formeler. Pas toen ze met Pasen 1971 ineens naar Nederland kwam, zag ik echt wie ze was en vlogen we elkaar in de armen.

Ze was nog mooier dan twee jaar ervoor. Ze leek op Melanie, die Amerikaanse zangeres. Lang blond haar, prachtig figuur. En wat ik het allermooist aan haar vond was de manier waarop ze niet van plan leek anderen te laten bepalen hoe ze haar leven zou inrichten, ze was onafhankelijk en vrij. Vanaf dat moment was het weer aan, die vriendin heb ik vaarwelgezegd, ik reed zo vaak als ik kon naar Zwitserland, soms vertrok ik voor een weekend op vrijdagmiddag rechtstreeks van de academie. Het klinkt wee, maar als we langer dan een paar weken gescheiden waren, raakten we acuut bedrukt. Ik heb nog uitgezocht of ik in Zwitserland verder kon studeren, maar dan had ik problemen gekregen met de dienstplicht en twee jaar wachten tot de dienstplicht voorbij was, wilden we niet. Dus verhuisde ze uiteindelijk naar Nederland, op haar 18de. Voorgoed.

Toen onze eigen dochter op haar 22ste een half jaar naar Zimbabwe ging en we haar op Schiphol uitzwaaiden, begreep ik voor het eerst wat Ursula’s vader moet hebben gevoeld toen Ursula in juli 1973 bij mij in de Austin mini stapte om voorgoed naar Nederland te verhuizen. De reis naar Luzern was vol ontberingen geweest, iedere honderd kilometer moest ik stoppen om de koelvloeistof bij te vullen, één keer verbrandde ik me toen ik te haastig de dop openschroefde, en de hete stoom tegen mijn borst sloeg. Maar na een korte douche reden we linea recta weer terug naar Nederland, ik had het gevoel niet hard genoeg op het gaspedaal te kunnen trappen. Nu begon ons leven pas echt. Haar vader bleef binnen, zwaaide ons niet uit maar we moesten wel weg, konden gewoon niet langer zonder elkaar. Een paar maanden eerder had haar moeder wel haar goedkeuring gegeven, maar niet nadat ze ons eerst door een psycholoog had laten doorlichten, ze dacht dat we totaal krankzinnig waren geworden. Maar ook die man moest toegeven dat we alles perfect op orde hadden: een plek waar we konden wonen, en Ursula was aangenomen voor de opleiding MO-Duits. ‘Ik ben het er nog steeds niet mee eens’, zei haar moeder, ‘maar jullie hebben mijn zegen.’ De eerste anderhalf jaar hebben we met zijn tweeën in een klein kamertje bij mijn ouders ingewoond. Tot we verhuisden naar de flat sliepen we op een tweepersoonsluchtbed. Het deerde ons niet.’

Meer over