Jakarta creëerde een etnisch kruitvat

Het is te eenvoudig het etnisch geweld in West-Kalimantan toe te schrijven aan vooroordelen en verschillende levensstijlen. Vooral het regeringsbeleid van transmigratie en dertig jaar verwaarlozing op allerlei gebied eist zijn tol, analyseert Gerrit de Boer....

IN HET noordwesten van de Indonesische provincie West-Kalimantan vindt sinds enkele weken een regelrechte etnische zuivering plaats. Slachtoffer hiervan zijn de Madurezen, immigranten afkomstig van een eiland ten noorden van Java. Ze vormen het doelwit van een grenzeloze volkswoede onder aanvoering van Maleiers en Dayaks, twee oorspronkelijke bevolkingsgroepen die de meerderheid vormen in het gebied.

Tot nu toe zijn al meer dan tweehonderdvijftig Madurezen vermoord. En dat aantal zal zeker nog oplopen. De wijze waarop ze aan hun einde komen tart iedere beschrijving. Ze worden onthoofd, in stukken gehakt en zelfs gegeten. Meer dan twintigduizend doodsbange vluchtelingen hebben hun toevlucht gezocht in kazernes en andere onderkomens. Hun woningen zijn verbrand of verwoest. Hun toekomst is uitzichtloos.

Madurezen vormen een niet erg geliefde bevolkingsgroep in Indonesië. Hoewel ze respect afdwingen door hun werklust en spaarzin overheerst een negatief imago van ruwe, lichtgeraakte en wraakzuchtige heethoofden die snel naar de wapens grijpen. Veel mannen dragen gewoontegetrouw een kleine sikkel bij zich. Onder de Nederlanders werden de Madurese legerkorpsen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) alom gevreesd.

Vanwege de onvruchtbare grond op hun eiland trekken de Madurezen van oudsher naar streken met uitzicht op een beter bestaan. Allereerst vestigden ze zich in het nabijgelegen Oost-Java. Later verspreidden ze zich naar andere streken, waaronder West-Kalimantan. De volksverhuizing kreeg de laatste dertig jaar een extra impuls door het transmigratieprogramma van de regering-Soeharto.

In heel West-Kalimantan vormen de Madurezen een te verwaarlozen minderheid. Maar in het noordwesten, waar nu jacht op hen wordt gemaakt, oefenen ze met zo'n 8 procent van de bevolking (circa 80 duizend mensen) een veel grotere invloed uit. Zo bezitten ze relatief veel grond. En als chauffeurs in het openbaar vervoer, wegenbouwers, bouwvakkers, steenhouwers, boeren en handelaren spelen ze een aanzienlijke rol in de economie.

De Madurezen dragen in West-Kalimantan het stempel van bedriegers, dieven en vechtersbazen. Mijn ouders hielden mij vroeger voor om niet met ze om te gaan, vertelt een plaatselijke pastoor. Op rijpere leeftijd raakte hij bevriend met enkelen van hen. Maar de argwaan verdween nooit helemaal. Ik zal een Madurees nooit vertellen dat ik geld in huis heb. Ze hebben een stempel en daar komen ze niet vanaf, zegt hij.

Als de goed geschoolde pastoor al zo denkt is het onvermijdelijk dat het minder ontwikkelde deel van de bevolking er een nog ongenuanceerder beeld op na houdt. Een beeld dat voeding vindt in een niet aflatende reeks anekdotes over diefstallen, vechtpartijen en het niet teruggeven van geleende of gepachte grond.

De Dayaks kennen een lange historie van aanvaringen met de Madurezen. De volksaard, de religieuze overtuiging en de woonplaats van beide groepen dragen dat in zich. De Dayaks hangen in meerderheid het animisme aan. Noeste Nederlandse zendings- en missiearbeid heeft daar weinig aan veranderd. Velen noemen zich slechts christen omdat het in Indonesië verplicht is een geloofsovertuiging op het identiteitsbewijs te vermelden. De strikt islamitische Madurezen vinden de Dayaks lui, primitief en onrein omdat ze graag een borrel drinken en varkens en honden houden. Ook nemen ze steeds meer grond in bezit als gevolg van hun trek richting binnenland, traditioneel het territoir van de Dayaks. Hun agressieve houding steekt de Dayaks al decennia.

Voor de Maleiers ligt de situatie aanmerkelijk anders. Op religieus gebied bestaan er geen problemen. Maleiers en Madurezen belijden de islam. Op politiek gebied bekleden de Maleiers een respectabele positie. De boeren ondervinden enige last van de oprukkende Madurezen maar lang niet zo erg als de Dayaks. De haat van de Maleiers komt allereerst voort uit de vooroordelen die met name onder de lagere klassen aan invloed winnen door de aanhoudende economisiche crisis in Indonesië.

Het is te eenvoudig om het huidige conflict toe te schrijven aan vooroordelen en verschillende levensstijlen. De instroom van de Madurezen verliep synchroon met de expansie van het bedrijfsleven in West-Kalimantan dat kon rekenen op de steun van de Indonesische regering. Oerwoud is gekapt en vervangen door grootschalige palmolie- en rubberplantages. Mijnbouwbedrijven vervuilen de rivieren. De vergoeding die hiervoor betaald wordt aan de lokale bevolking bedraagt meestal een schijntje of vindt in het geheel niet plaats.

De Indonesische regering beschouwt veel onontgonnen grond als staatseigendom en steekt de opbrengsten in eigen zak. Vooral de Dayaks zien dit al jaren met lede ogen aan. Maar ze staan machteloos vanwege het corrupte juridische systeem en het ontbreken van politieke macht. Hun woede zoekt een uitweg naar de gehate en vanwege hun economisch succes benijde Madurezen.

De situatie explodeerde op grote schaal in 1997. Na enkele incidenten tussen Dayaks en Madurezen brak er een totale oorlog uit. De Dayaks bezworen niet te zullen rusten voordat alle Madurezen uit West-Kalimantan waren verdreven. Officiële cijfers ontbreken.

Maar mensenrechtenorganisaties en andere bronnen schatten het aantal vermoorde Madurezen op minstens duizend. Het aantal doden onder de Dayaks lag rond de honderd voornamelijk als gevolg van confrontaties met het als scheidsrechter optredende Indonesische leger.

De regering trok geen lering uit het incident. Beleidswijzigingen bleven steken in mooie woorden. Vanaf janauri dit jaar nam de spanning opnieuw toe. Vooral in de kuststreken waar de Madurezen in 1997 niet waren verdreven. Dit keer namen de aldaar een meerderheid vormende Maleiers het voortouw. Een ruzie tussen een Madurese passagier en een Maleise buschauffeur was de druppel die de emmer deed overlopen.

Sinds de moord op een Dayak, naar verluidt door een Madurees, raakten ook dezen bij het conflict betrokken. Maar de Maleiers vormen de meerderheid. Minderheden zoals de Buginezen en de Chinezen stemmen stilzwijgend in of doen ook aan de strijd mee.

Het karakter van het geweld dit jaar is anders dan in 1997. Toen leidden Dayak-oudsten de strijd. Zij kweekten veel begrip voor hun acties door met behulp van documenten te wijzen op jarenlange onderdrukking door de regering en door uit te leggen dat Dayaks hun slachtoffers onthoofden en zelfs eten op basis van hun animistische overtuiging. Deze keer wordt alleen gerefereerd aan het slechte karakter van de Madurezen.

De woede is ongecoördineerd, hysterisch en gespeend van politieke of religieuze argumenten. De Maleiers roepen dat ze hoofden afhakken en levers eten omdat dat hun traditie is. Maar die bewering mist iedere historische basis. Een bezoek aan het strijdtoneel laat een bittere smaak achter van primitieve jonge cowboys voor wiens acties weinig begrip valt op te brengen.

Het leger beperkte zich aanvankelijk tot het opvangen en evacueren van vluchtelingen. Na de aankomst van versterkingen is een begin gemaakt met de ontwapening en arrestatie van de aanvallers en is de evacuatieoperatie opgevoerd. Enkele malen openden de militairen het vuur op de Maleiers, Dayaks en hun companen, met enkele doden en gewonden als gevolg. Het leger heeft weinig keus maar het vergroot de spanning nog meer. Vrede tussen de Madurezen en de overige bevolkingsgroepen is een illusie. En nu groeit ook de haat tegen het leger.

Ook als het leger erin slaagt de strijd te beëindigen is het probleem niet uit de wereld. Het duurt minstens een generatie voordat het trauma is verwerkt. Een terugkeer van de Madurezen naar hun woonplaatsen is alleen mogelijk onder blijvend militair toezicht. Daarvoor ontbreken het geld en de manschappen. De Indonesische overheid rest weinig anders dan de vluchtelingen over te plaatsen naar andere gebieden. Die zijn niet eenvoudig te vinden.

Dertig jaar verwaarlozing van regionale ontwikkeling op alle gebieden is als een boemering bij de regering teruggekeerd. Als gevolg van de diepe economische crisis en vergelijkbare spanningen in andere delen van het land is het voorlopig onmogelijk om zelfs maar een begin te maken met verbeteringen. Met de verkiezingen van juni in het vooruitzicht ligt een verdere toename van het geweld veel meer voor de hand.

Meer over