ColumnSylvia Witteman

Ja, dat ijsje zou gaan vallen, en nee, daar wilde ik niet bij zijn

null Beeld
Sylvia Witteman

Het was mooi weer en ik ging een ijsje kopen om de hoek van de Albert Cuypmarkt. Vóór mij stond een moeder met een dochtertje van een jaar of 6. De moeder was jong, mooi en onnodig dartel. Ze maakte huppelige sprongetjes waar haar lange blonde haar van wapperde en liet zich telkens vitaal op de hurken zakken om met een vrolijke, harde stem iets tegen haar kind te zeggen. Daarbij lachte ze een overdreven hoeveelheid witte tanden bloot.

Het meisje was uit heel ander hout gesneden. Met grote, indringende ogen in een bleek gezichtje keek ze stilletjes naar de bakken met ijs. ‘Kijk, Evi!’ joelde haar moeder. ‘Ze hebben ook rozemarijnijs. Dat lijkt me zó lekker!’ (Ik zie daar geregeld vrouwen beweren dat rozemarijnijs ze ‘zó lekker’ lijkt, maar ze nemen ten slotte altijd wat anders. )

Het meisje mompelde iets, waarbij de moeder theatraal de hand aan haar oor hield. ‘Chocola?’ vroeg ze. Het kind knikte en frommelde aan de zoom van haar jurkje. De moeder bestelde een hoorntje met chocola en liet vervolgens hardop haar twijfels de vrije loop. ‘O jee, ik kan niet kiezen, zal ik de bloedsinaasappel nemen of de vlierbessen, of toch de caramel-walnoot of de strawberry cheesecake, of eh..’ De ijsscheppende puber-van-dienst wachtte lijdzaam af tot ze uiteindelijk voor pistache had gekozen.

Opnieuw zonk ze op de knieën om haar dochter een hoorntje te overhandigen met een clowneske bruuskheid die het kind achteruit deed deinzen. ‘Tadáá!’ kraaide het mens ten overvloede. (‘Ze moesten een brandende poppenwagen je kutwerk binnenrijden, had ik toen wel gedacht, maar om God weet welke laffe redenen niet gezegd.’ Aldus Gerard Reve).

Het kind likte voorzichtig. ‘Laat eens proeven, Evi?’ zei de moeder. Ze rukte het hoorntje uit haar hand en nam een veel te grote hap. Somber bekeek het kind haar gehavende ijsje.

‘Ooooh, Evi!’ juichte de moeder. ‘Kijk eens, een hinkelbaan!’ Ze sleurde het kind mee naar de overkant van de straat, waar inderdaad een hinkelbaan op de tegels was geschilderd. En ja hoor, daar sloeg ze al woest aan het hinkelen. Het meisje keek toe met de opengesperde angstogen van Oskarchen uit Die Blechtrommel.

‘Kom op Evi!’ gilde de moeder. Bedrukt slofte het meisje naderbij. De moeder sprong op haar af, tilde haar op en liet haar op de hinkelbaan neerploffen. Angstig keek ze om zich heen, haar ijsje vervaarlijk scheef in de hand.

Ik maakte me uit de voeten. Ja, dat ijsje zou gaan vallen, en nee, daar wilde ik niet bij zijn. Er is al ellende genoeg.

Meer over