InterviewAndries Knevel

‘Is de naam van Jezus eigenlijk wel gevallen in dit interview?’

Andries Knevel. Beeld Marc de Groot
Andries Knevel.Beeld Marc de Groot

Hoewel zijn geloof meerdere keren danig op de proef werd gesteld, speelt God nog altijd een grote rol in het leven van het net gepensioneerde EO-boegbeeld Andries Knevel. Groter dan ooit zelfs. Al is hij over veel zaken anders gaan denken.

Sara Berkeljon

Voor Andries Knevel een tweet verstuurt, legt hij hem eerst even weg. Vaak laat hij hem dan aan zijn vrouw Rietje lezen. Als zij zegt dat het goed is, verstuurt hij de tweet. Zo ging het ook op 5 november, toen Knevel (69) zijn volgers opriep zich te laten vaccineren. Het gebod tot naastenliefde zou zwaarder moeten wegen dan het verbod om medicijnen te gebruiken als je niet ziek bent. ‘En dus: vaccineren om de naaste te helpen.’

Er kwamen duizend reacties op de tweet, voornamelijk woedende, bijvoorbeeld van mensen die het vaccin ‘duivelse gentherapie’ noemden, of die beweerden dat Knevel werd betaald door de overheid. Knevel haalt zijn schouders erover op – hij weet hoe het werkt. ‘Het eerste uur na zo’n tweet gebeurt er weinig. Daarna kom je in een soort bubbel terecht, van mensen die heel erg tegen vaccinaties zijn. Het was niet de eerste keer dat ik me uitsprak over dit onderwerp. De week ervoor zat ik bij talkshow Tijd voor Max met een epidemioloog aan tafel, en zij riep mij, als tamelijke BN’er, op om me nog eens te roeren in dit debat. En dan voel ik toch een zekere verantwoordelijkheid.’

Sinds 1 december is Knevel officieel uit dienst bij de EO. Hij werkte er de afgelopen vier jaar nog twee dagen per week, op tijdelijke contracten. ‘Maar na vier van die contracten moest ik eruit, van de wet. Ik heb tegen de directie gezegd dat ik graag het radioprogramma dat ik op zondagochtend presenteer – in de krochten van Radio 5, maar goed beluisterd – wilde behouden. De EO zei: nee, dat moet nu ook maar weg. Jij moet maar weg. We stoppen helemaal.’

Ze zeiden toch niet: ‘Jij moet maar weg’?

‘Nee. Het was een type zin als: zou het misschien niet beter zijn om helemaal te stoppen? Zoiets. En toen zei ik: ik wil mijn radioprogramma graag houden. En zij zeiden nee.’

Dat was slikken.

‘Ja, ja. Ik was het graag blijven doen, ik vond het jammer. Ik sprak een doelgroep aan die op zondagochtend graag naar dit type programma luistert: de gematigd bevindelijke, wat oudere protestanten, deels lid van de EO, deels niet. Als ik het moet omschrijven in taal die de Volkskrant-lezer begrijpt, zou ik zeggen: orthodox-protestanten van wat oudere snit, en niet behorend tot de rechterflank die afgelopen jaar in het nieuws kwam door vervelende berichten uit Urk en Krimpen aan den IJssel, bijvoorbeeld, waar grote kerken openbleven, ondanks de coronamaatregelen. Die vleugel grotendeels niet. Begrijpt de Volkskrant-lezer het dan? Ja, hè?’

Bij die groep ligt u niet lekker?

‘Dat weet ik niet. Maar die groep luistert niet naar mij, denk ik.’

U kijkt op zondag geen televisie. Twittert u op zondag?

‘Ik vind zondag een heerlijke dag van bezinning, ik ga meestal twee keer naar de kerk, waarvan ik één keer zelf preek, en maak een fietstocht. In principe twitter ik niet, maar ik kijk weleens wat er gebeurt. Het kan overigens wel zijn dat je, als je heel erg zou gaan zoeken, een tweet van mij vindt die op zondag is verzonden. Dan bied ik daar hierbij mijn nederige excuses voor aan.’

Was het voor uzelf een twijfelpunt, het vaccineren?

‘Nee. Ik kom uit een gematigd SGP-gezin en ben als kind niet gevaccineerd. Maar toen in 1971 de polio-epidemie op de Veluwe uitbrak, heb ik me meteen laten inenten. Onze kinderen zijn ook gevaccineerd, en ik wacht nu op mijn booster.’

Kunt u zich verplaatsen in christenen die zich niet willen laten vaccineren?

‘Het argument dat zij hanteren, is dat je geen medicijn mag gebruiken voordat je ziek wordt. Maar ik denk dat die tekst uit Marcus uit z’n verband wordt gerukt. Als je in God gelooft, wat ik doe, kun je ook buitengewoon dankbaar zijn voor wat de medische wetenschap in de afgelopen honderden jaren heeft bereikt en ontdekt. Wees blij dat er vaccins en medicijnen zijn! Ik ben zelf, toen ik vijf jaar geleden een legionellabesmetting opliep, in leven gehouden door een antibioticum.’

Het valt op dat u in uw tweets vaak uw steun uitspreekt voor de regering. Tijdens het Kamerdebat op 1 april, waarin Mark Rutte zei ‘geen actieve herinnering’ te hebben aan zijn uitspraken over Pieter Omtzigt, twitterde u: ‘Hoe het debat ook afloopt. Als Mark Rutte zegt: ‘Ik spreek de waarheid; ik lieg niet’, dan geloof ik hem.’

‘Ik heb een rotsvast vertrouwen in de Nederlandse overheid. Die avond had ik het gevoel dat de Kamer op hol was geslagen. Ik heb tien jaar in de Tweede Kamer gewerkt, in de tijd van Den Uyl, Wiegel en Van Agt. Toen kon het ook weleens knetteren, maar niet in deze mate. Ik vond het overdreven. Dus ik dacht: ik zeg even dat ik Mark wél vertrouw.’

Uit tegendraadsheid?

‘Ik ben altijd ietsje dwars geweest. Maar ik meende het wel. Kamerleden die er koud drie dagen zaten, begonnen al met hele grote woorden een motie van wantrouwen te steunen. Ik dacht: ga eens even dimmen allemaal.’

Later zei Rutte ‘naar eer en geweten’ te hebben gelogen. Kan dat volgens u?

‘Zeg het maar. Gooi maar in m’n pet. Ik weet het niet.’

U bent een van de weinige prominenten die het coronabeleid van het demissionaire kabinet nog steeds volmondig steunt. U zei in een podcast dat u de persconferenties van De Jonge en Rutte ‘een plezier om naar te kijken’ vindt.

‘Ik vind dat ze goed communiceren. Dat geluid hoor je niet vaak, dus ik ben blij dat ik dat geluid zelf laat horen. Ik vind Rutte heel open. En de taak van Hugo, van minister De Jonge, is buitengewoon lastig. Hij zit met een verdeeld OMT, hij moet handelen op basis van onvolledige informatie. Ik heb zeer veel waardering voor hoe ze het doen.’

Begin jaren negentig bent u door de RPF, de voorloper van de ChristenUnie, gevraagd als lijsttrekker. Ik begreep dat u er heel dicht tegenaan zat om ja te zeggen.

‘Ik was min of meer benoemd, mijn vrouw had al kennisgemaakt met het partijbestuur, en ik heb het niet gedaan. Een moeilijke beslissing. Ik zie mezelf nog die brief schrijven, dat ik het toch niet zou doen. Dan weet je dat je, voorgoed, afstand doet van een functie in de politiek. Er waren drie redenen om het niet te doen. We hadden twee puberzonen en een jonge dochter, en ik wist dat ik als fractievoorzitter mijn gezin weinig zou zien. Dat leek me niet verantwoord. De tweede reden was mijn rug – ik ben rugpatiënt, heb een geboorteafwijking, en ik wist niet of ik het fysiek aan zou kunnen. Ten derde dacht ik dat het werken bij de EO beter bij me zou passen. Dat ik er meer in kwijt zou kunnen. Ik heb er nooit spijt van gehad, al kriebelt het af en toe rond verkiezingscampagnes. Ik denk dat ze me niet voor niets hebben gevraagd, ze dachten dat ik het wel aardig zou doen. Ik hou van debatteren, dus misschien zou dat wel kunnen kloppen.’

Tijs van den Brink zei: ‘Ik ben journalist, Andries is evangelist. Zijn voornaamste taak is mensen tot het geloof te brengen.’

‘Dat is wel heel nauw omschreven, maar er zit een kern van waarheid in. Voor Tijs is het journalistieke belangrijk, ik kijk wat breder. Ik noem mezelf de dorpsomroeper van het evangelie, dat klinkt iets milder dan evangelist. Ik zie mezelf niet in de eerste plaats als journalist. Al heb ik natuurlijk ook talloze interviews gedaan waarin het geloof géén rol speelde.’

Andries Knevel. Beeld Marc de Groot
Andries Knevel.Beeld Marc de Groot

De EO is ooit opgericht om de secularisatie tegen te houden. Dat was ook uw missie: verzet tegen de tijdgeest.

‘Ja. Maar de EO was niet alleen tegen, de EO wilde ook vanuit een positieve inslag het evangelie delen, bijvoorbeeld door het spelen van gospelmuziek op de radio, om maar iets te noemen. Ik weet dat een heleboel mensen tot het geloof zijn gekomen door programma’s van de EO. We hadden in mijn beginjaren een afdeling nazorg, en daar zaten tien mensen de hele tijd telefoontjes van bekeerlingen te beantwoorden.’

Uw vriend Peter van der Bijl kende u van televisie voor hij u persoonlijk leerde kennen. Hij zei: ‘Andries was in werkelijkheid een totaal ander persoon dan op televisie.’ Begrijpt u die opmerking?

‘Dat is beeldvorming versus de realiteit. In 1992 ben ik begonnen met Het Elfde Uur, toen is langzaam mijn schermbekendheid ontstaan, en in de loop van tien jaar ook dat beeld van een strenge man die met een vingertje wees, een man met niet al te veel humor. Terwijl we na afloop van de uitzendingen vaak de grootste lol hadden. Ik heb die kant van mezelf alleen op televisie niet genoeg laten zien.’

Het heeft u dwarsgezeten, dat imago.

‘Ja. Je moet het niet te groot maken, maar ik vond het af en toe niet leuk. En ik heb het proberen bij te stellen. Het vingertje heb ik veranderd in een open, gulle hand. Elke keer als ik de neiging had om te wijzen, dacht ik: nee, open hand. Dat is best ingewikkeld, hoor. Ik legde een briefje op mijn desk: handen en ogen. Mijn donkere ogen schoten altijd door het beeld, dat gaf een mate van onrust. Ik heb eraan gewerkt. Ik ben los van mijn handen en ogen ook anders gaan interviewen, ik ben meer de verbinding gaan zoeken met mijn gasten.’

Uw vrouw nam, toen u bekender werd, haar meisjesnaam weer aan. Waarom?

‘Zij kreeg een nieuwe baan, en toen hebben we tegen elkaar gezegd: waarom ga je je meisjesnaam niet gebruiken? Dan word je niet met mij geassocieerd en behoud je je eigen identiteit, dat is veel beter voor je. Het was een beslissing van ons samen. Pas toen ze na vijftien jaar afscheid nam bij die baan, en ik op het afscheidsfeestje kwam, zagen haar collega’s dat ze met mij was. Ze heeft het vijftien jaar verborgen gehouden. En nu is ze, onder haar eigen naam Rietje Bakker, bekend als kunstenares.’

Aan uw dochter Marije, die voor Linda en Shownieuws werkt, heeft u hetzelfde geadviseerd.

‘Zeker. Toen zij journalistiek ging studeren, zeiden mijn vrouw en ik: ga jezelf nou maar Bakker noemen, anders loop je daar met een hypotheek op je rug. Nou, geen sprake van, dat wilde ze absoluut niet. Ze was trots op die naam. Ik dacht, als vader: wat leuk. Ik dacht als vader ook: ik weet niet of dit wel zo verstandig is. Maar ze gaat er onbekommerd mee om. Sinds Marije heeft deelgenomen aan Wie is de mol?, is het trouwens ook steeds vaker andersom: er wordt aan mij gevraagd of ik de vader van Marije ben. Leuk om te zien. Hartstikke leuk, vind ik dat.’

Wat wilde u uw kinderen meegeven?

‘Waarden. Verantwoordelijkheid, respect, het geloof.’

Is dat gelukt? Geloven uw kinderen?

‘Ik ga niet over het geloof van mijn kinderen praten. Ik ga daar geen ja of nee op zeggen, want ze hebben recht op hun eigen leven. Mijn kinderen zijn sierlijke burgers van de samenleving. Als ik abstraheer, zeg ik: voor veel jonge mensen is het geloof een zoektocht.’

U zei ooit: ‘Mijn grootste angst is dat mijn kinderen hun geloof in God kwijtraken.’ Is dat nog steeds uw grootste angst?

‘Ik zou het heel akelig vinden. Maar ik denk dat het voor jonge mensen in deze tijd lastig is om gelovig te zijn. De wetenschap, maar ook gewoon het leuke leven dat overal op je af komt, waardoor je de toegevoegde waarde van het geloof niet meer kunt definiëren. Er zijn zoveel impulsen die geloofsondermijnend zijn.’

Knevel komt uit een SGP-gezin, maar er was ook een tijd dat hij níét geloofde: van zijn 14de tot zijn 19de. ‘Het was geen gemarkeerd moment, ook geen verzet à la Maarten ’t Hart. Neuh. Ik gleed langzaam van het geloof weg, en op een gegeven moment dacht ik: ik geloof eigenlijk niet meer. Het was voor mij niet meer relevant. Hoe dat kwam weet ik niet. Ik had nozemachtige trekken in die tijd, ik reed op een Puch. Ik had ook langer haar. Maar niet heel lang, ongeveer tot hier.’ Hij wijst tot net onder zijn oren. ‘Ik was geen losbol. Ik leefde mijn leven. Ik ging economie studeren omdat het me interesseerde en omdat ik dacht een mooie baan te kunnen vinden. Ik had het idee dat de wereld voor me openlag.’

Ging u in die tijd nog naar de kerk?

‘Ja, dat wel. Mijn vader was ziek, hij had MS, vanaf mijn 10de. Het begon met een slepend been, later belandde hij in een rolstoel, en hij was extreem moe. Feitelijk was hij invalide. Mijn vader moest vaak worden getild, door mijn moeder en mij. In mijn vroege puberteit waren er af en toe een paar dagen dat ze de zorg gewoon niet trok, en dan kookte ik. Mijn ouders hadden het steeds zwaarder. Stoppen met naar de kerk gaan was iets wat ik hun niet wilde aandoen, dus ik bleef gaan. En toen ineens, op mijn 19de, tijdens een college algemene economie, was God er weer. De grote levensvragen kwamen toen op een volstrekt willekeurig moment als een bliksemschicht bij me binnen: wie ben ik en wat is de zin van mijn bestaan? Die ervaring was existentieel tot op het bot, het zette mijn hele leven op z’n kop.’

Een ingreep van God, zegt u.

‘Dat is mijn ervaring. Ik was God kwijt, en toen was hij er weer. Ik ben thuis meteen de Bijbel gaan lezen, pas na een paar dagen heb ik het mijn ouders verteld. Ik zei: ik heb God ervaren.’

Andries Knevel. Beeld Marc de Groot
Andries Knevel.Beeld Marc de Groot

Was het een prettige ervaring?

‘Op dat moment was het schokkend. Ik dacht: wat gebeurt er met me? Ik heb het college afgemaakt, daarna ben ik naar buiten gelopen en heb ik vreselijk zitten huilen. Dus nee, het was niet prettig, het was ingrijpend. Binnen twee weken ben ik van studie veranderd: ik wilde dominee worden, dienstbaar zijn aan God, en ben theologie gaan studeren. En ik vond het héérlijk. Rietje, met wie ik toen al samen was, dacht: oeps, nu word ik ineens de vrouw van een dominee, wil ik dat wel? Ze moest even wennen aan het idee, maar dat wilde ze wel.’

Ging u ook anders leven?

‘Ik leefde niet voor het vaderland weg, dus daarin veranderde niet gek veel. Maar ik ging ineens weer met plezier naar de kerk. En mijn platen van The Beatles en The Stones gooide ik in de prullenbak. Dat paste niet meer bij mijn nieuwe levensstijl, met name de songs van The Stones waren te heftig. Ik heb ook nooit meer popmuziek gekocht. Maar tegenwoordig speel ik The Beatles wel op de piano.’

U bent de laatste jaren veel bezig geweest met de vraag hoe het geloof te rijmen is met de wetenschap. Waarom vindt u dat zo belangrijk?

‘Omdat door zoveel wetenschappers wordt gezegd dat het niet samengaat. Dat het onmogelijk is om wetenschap te bedrijven en gelovig te zijn. Ik vind het, met het oog op nieuwe generaties studenten, belangrijk om te laten zien dat dat niet zo is. Je hoeft je geloof niet af te zweren als je gaat studeren, de wetenschap is geen reden om van het geloof te vallen. Dat is de boodschap die ik wil uitdragen met Andries en de wetenschappers, waarin ik christelijke topwetenschappers interview.’

U heeft ook het creationisme, de scheppingsleer, afgezworen.

‘Verlaten. Dat vind ik een iets mooier woord. Vanaf midden jaren negentig werd dat voor mij wel een onderwerp, ik wilde voor mezelf een antwoord, helderheid. Daarvoor was er een tijd waarin ik er niet over nadacht, het roerde me niet. En dáárvoor was ik een creationist. Best lang geleden.’

In een van uw programma’s wordt u samen geïnterviewd met uw dochter Marije. Zij zegt dat ze als kind niet met dinosaurussen wilde spelen, omdat die volgens u niet zouden hebben bestaan.

‘Ja, dat zegt zij. Maar het is niet waar. Het is binnen ons gezin een debat – met een glimlach – dat al jaren gaande is. Ik ontken het bestaan van dinosaurussen al heel lang niet meer! Maar goed, we gaan het met de Kerst maar weer eens bespreken.’

U ondertekende in 2009 op televisie een verklaring die u voorlas: ‘Vroeger geloofde ik dat de Schepping in zes maal 24 uur had plaatsgevonden en was ik creationist. Kortgeleden geloofde ik nog in intelligent design. Ik herroep al mijn eerdere uitspraken hierover en erken mijn kinderen en kijkers op een (dwaal)spoor te hebben gebracht. Daar heb ik spijt van.’

‘Ja, die verklaring, dat was natuurlijk een ongelooflijk domme actie van mij. Een groot deel van de achterban van de EO was beledigd en geschokt. Terecht. Het was mal om op televisie een verklaring te gaan tekenen, dat had verstandiger gemoeten. Het lag, toen nog, heel gevoelig. Inmiddels is er wel iets verschoven in het achterland van de EO, ik schat dat nu de helft de evolutieleer onderschrijft.’

Waarover bent u nog meer van gedachten veranderd?

‘De vrouw in het ambt. Vroeger vond ik dat vrouwen geen dominee mochten worden. Nu vind ik van wel.’

In 1996 zei u over de eisen aan werknemers bij de EO: ‘Homoseksualiteit en ongehuwd samenwonen zijn onacceptabel. Van een ongehuwde moeder wil ik het verhaal horen.’

‘Het officiële beleid van de EO is al lang geleden veranderd. De achterban is ook anders gaan denken over homoseksualiteit en homoseksuele relaties.’

Bent u zelf anders gaan denken over homoseksualiteit?

‘Ik heb ooit, twintig jaar geleden, in een interview heel veel ruimte gelaten voor mensen met een homoseksuele relatie. Ik zei dat dat wat mij betreft geen probleem hoefde te zijn. Maar daar kreeg ik verdrietige reacties op, van christelijke homo’s die celibatair wilden leven. Die voelden zich door mij in de steek gelaten. Toen heb ik besloten er dus maar niets meer over te zeggen. Omdat je, onbedoeld, volslagen onbedoeld, mensen kwetst. Ik ken nog steeds homo’s die bewust celibatair leven, en die wil ik geen pijn doen.’

U bent toch geen EO-directeur meer? Waarom zou u nu niet gewoon kunnen zeggen hoe u erover denkt?

‘Ik ben natuurlijk nog wel een beetje een boegbeeld.’

Maar eigenlijk wéten we hoe u erover denkt, want dat heeft u in dat interview van twintig jaar geleden, dat u net aanhaalt, gezegd.

‘Ja, ja, ja. Maar ik ga dat dus niet telkens herhalen. Het gaat om kwetsbare levens.’

Is er bij u sinds uw 19de ruimte geweest voor twijfel aan God?

‘Ik denk dat je een ander woord moet gebruiken: aanvechting. Natuurlijk. Je leeft in deze cultuur, er komen vragen op je af, er gebeuren verdrietige dingen in je leven en in de levens van mensen om je heen, en die dingen probeer je in relatie met God te brengen. De vraag naar het lijden vind ik nog altijd een grote vraag. Twee jaar geleden was ik met Rietje in Auschwitz, dan loop je daar te peinzen, stil te zijn en naar de hemel te kijken, en dan is daar de aangevochten vraag: hé God, had even wat gedáán, hier. De verklaring: God heeft de mens de vrije wil gegeven, en de mens kan goede dingen doen, of niet, en heeft hier voor het kwade gekozen. Maar is die verklaring houdbaar? Gaat dit niet te ver, waardoor ingrijpen gerechtvaardigd was geweest? Dat zijn vragen. En dan heb je nog de vragen naar het natuurlijke kwaad: aardbevingen, ziektes. Daar heeft het christelijk geloof geen sluitende verklaring voor. Al weten we wel dat God een deel van zijn macht heeft afgestaan aan de natuurwetten.’

Uw zusje had een angststoornis en daardoor een moeilijk leven. Toen ze eindelijk haar draai had gevonden en was getrouwd, kreeg ze kanker. Werd dat een aanvechting?

‘Toen ze ziek werd, heb ik me natuurlijk suf gebeden voor mijn zusje. En daar kwam niet het antwoord op waarop ik had gehoopt, want ze is op haar 35ste overleden. Die wond is er nog steeds, dat blijft altijd. En toch is het nooit een aanvechting geworden. Het leek natuurlijk willekeurig, wat er met haar gebeurde. Tegelijkertijd weet ik dat God anders in deze wereld bezig is dan ik soms zou willen, en dat ik dat nooit zal kunnen doorgronden.’

Een ongelovige zou zeggen, in zo’n situatie: het is gruwelijke pech. U zegt dat niet.

‘Het woord pech gebruiken wij niet voor dit soort dingen. Het is een raadsel.’

Andries Knevel. Beeld Marc de Groot
Andries Knevel.Beeld Marc de Groot

Bent u boos geweest op God, na haar overlijden?

‘Ja, die gevoelens heb ik wel gehad. Ik kan je de plek nog aanwijzen, op de hei in Bussum, waar ik in mijn auto heb zitten schreeuwen. Dat was een schreeuw tot God, ja hoor, een uiting van een diepe menselijke emotie, waarvan ik op dat moment dacht: hij hoort het.’

In 2017 was u door een legionellabesmetting ernstig ziek. Het was kantje boord, begreep ik.

‘Ik ben besmet tijdens een reis voor de EO naar Bolivia. In het vliegtuig terug was ik al erg beroerd. Eenmaal thuis raakte ik bewusteloos, ik lag half in bed en half op de grond toen mijn zoon, die langskwam omdat ik de telefoon niet opnam, mij vond. Rietje zat in het buitenland. Ik werd pas weer wakker toen er artsen en ziekenbroeders op de slaapkamer stonden. Legionella is een beetje vergelijkbaar met ernstige covid – je krijgt een zware longontsteking, hebt alle vormen van zuurstof nodig. In sommige gevallen trekt het lichaam het niet meer, dan word je in coma gebracht en geïntubeerd. Daarna is de vraag of de longen het weer zelf kunnen oppakken. Zo ging het bij mij ook. Voordat ik in coma werd gebracht, werden mijn kinderen opgeroepen, ze stonden allemaal rond mijn bed om afscheid te nemen. Ik heb, door mijn zuurstofmasker heen, gezegd dat ik van ze hield, ze verteld hoe rustig ik was. Als ik zou overlijden, zou ik me geborgen voelen in de handen van God, zei ik, en dat ik hoopte dat dat voor hen een troost zou zijn. Maar ik zei ook dat ik het gevoel had dat ik ze zou terugzien na mijn coma. Dat gevoel klopte, want ik ben wonderwel hersteld, ik heb nergens meer last van. En dat terwijl ik er ook nog twee keer covid overheen heb gehad, in maart 2020 en nog een keer in december 2020. Mijn vrouw en ik zijn ons er altijd van bewust dat het leven eindig is, daar praten we vaak over, samen. Het besef dat het leven tijdelijk is, is bij ons altijd aanwezig geweest.’

Ik begreep dat u uw gezin regelmatig toespreekt en dan de dingen zegt die u op hun begrafenissen zou zeggen. Een soort grafredes?

‘Ik heb liever niet dat je het zo noemt. Ik noem het toespraakjes. Maar die komen inderdaad voort uit het feit dat we onze waardering voor iemand vaak pas uitspreken op de begrafenis. Het is begonnen met een toespraak voor Rietje, ik ging staan en zei: jongens, even stil. En toen heb ik ten overstaan van mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen verteld hoeveel ik van Rietje houd, hoe ze is, hoe zij van de kinderen houdt, waarom ik haar zo waardeer. Ik vind het mooi als dat soort dingen binnen de gezinscontext af en toe worden uitgesproken. In het jaar nadat ik legionella had gehad, heb ik ook al mijn kinderen uitgebreid bedankt voor hun steun.’

Vroeger omschreef u uzelf als een somber mens. Bent u dat nog steeds?

‘Er zit een sombere kant in mij. Niet omdat ík lijd, mijn leven valt wel mee, maar vanwege het lijden en het verdriet van mensen om mij heen. Die somberheid was er altijd en is er nog steeds. Tegelijkertijd is de liefde van God een grotere rol in mijn leven gaan spelen. Ik ben een zeer rationeel mens, ik moest van mezelf altijd alles doordenken, ook wat mijn geloof betreft. Ik mag het nu meer vóélen en ervaren. Dat komt ook doordat ik tegenwoordig elke zondag naar een internationale kerk in Amstelveen ga. Dat is wat, eh, blijer. Er is een band, bijvoorbeeld, die Engelstalige muziek speelt.’

Popmuziek?

‘Ja, het is wel een beetje poppy. Op mijn 19de had ik gedacht: wat is dit een herrie! Maar de context is vrijmoedig, snap je? Het is blij, zonder dat het oppervlakkig wordt. Die gemeente heeft mijn geloof een impuls gegeven. Ik zit trouwens nu te denken – is de naam van Jezus eigenlijk wel gevallen, in dit interview?’

Nee, volgens mij niet.

‘Volgens mij ook niet. Halverwege het gesprek dacht ik ineens: hé, het gaat helemaal niet over Jezus. Kijk, God begrijp ik niet altijd, maar ik zie hem in Jezus wel heel dicht bij me komen. Door Jezus zie ik dat God barmhartig en vol liefde is, en dat is voor mij en Rietje tot een enorme troost. Dat kleurt ons leven.’

CV Andries Knevel

13 februari 1952 Geboren in Naarden.

1976-1978 Leraar godsdienst en maatschappijleer aan het ­Farelcollege in Ridderkerk.

1978 Begint als radioverslaggever bij de EO.

1979 Afgestudeerd in theologie aan de Universiteit Utrecht.

1989 Hoofd informatieve programma’s bij de EO.

1991-heden Auteur van diverse (theologische) boeken, onder meer: De wereld in huis (1992), Doe dat ding dan uit! (1993), Geloven doet pijn (1995), Ruim van hart (2000), Avonduren (2007), Is het waar? (2008), Niets is onmogelijk (2010), Het geheim van de paus (2016).

1992-2009 Presentator Het elfde uur.

1993-2006 Directeur EO.

2007-2014 Knevel & Van den Brink.

2009 Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

2010-2012 Moraalridders.

2013-2021 Andries.

2018-2021 Andries en de wetenschappers.

2021 Uit dienst bij de EO.

Andries Knevel is getrouwd met kunstenaar Rietje Bakker. Ze hebben drie kinderen en zes kleinkinderen. Knevel is lid van de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Visagie: Vanessa Chan (House of Orange)

Meer over