ColumnAaf Brandt Corstius

In vergelijking met Duitsers zullen we altijd een soort levenskunstenaars zijn

null Beeld
Aaf Brandt Corstius

Ik weet dat je niet mag generaliseren over volkeren, maar alle Duitsers dragen een fietshelm en een mondkap, heb ik geconcludeerd nadat ik in één paasweekend aan de Noordzeekust 20 duizend Duitsers met een fietshelm en een mondkap voorbij heb zien komen. En ze droegen ook niet een lullig mondkapje, early corona style, van lebberende bloemetjesstof, maar echt zo’n professionele mondkap die je afsluit van de rest van de Albert Heijn.

In mijn jeugd kon je Duitsers aan de Noordzeekust aan iets anders herkennen: ze groeven altijd een enorme zitkuil als ze op het strand kwamen. In die tijd was het doodnormaal om Duitsers keihard te discrimineren, althans, mijn vader deed dat de hele tijd, maar goed, hij had de oorlog meegemaakt dus ik had er begrip voor. Hij lachte Duitsers met kuilen uit, hij noemde ze ook geen Duitsers maar moffen, best pittig, al zat er in die tijd misschien af en toe nog een Echt Fout Iemand tussen. Ik heb respect voor Duitsers die niets met de oorlog te maken hebben gehad en al die jaren trouw naar de Nederlandse kust zijn blijven komen, want ze werden vast door meer mensen zo bejegend.

Inmiddels zijn we generaties verder en graven Duitsers geen kuilen meer. Maar als ze op een fiets stappen, zetten ze een grote helm op, en als ze een winkel betreden, snoert het hele gezin, inclusief de kinderen, de mondkap om het gezicht.

Ergens is dat fijn, als je zelf Nederlander bent. Nederlanders zien zichzelf als het truttigste volk wat er bestaat: om 6 uur eten, bijtijds naar bed, reflecterend regenpak in de fietstas en vier bruine boterhammen mee naar het werk. Maar twee dingen doen we heel losjes blootshoofds: fietsen en boodschappen. Dan voel je je naast die Duitsers ineens een thrillseeker, een gekke bohemien die er maar een beetje op los leeft, iemand die het geen reet kan schelen of ie corona oploopt in de supermarkt of keihard van zijn elektrische fiets kukelt als er plots een tractor aankomt op het fietspad.

In vergelijking met Duitsers zullen we sowieso altijd een soort levenskunstenaars zijn, mensen die de dag plukken, het niet zo nauw nemen met de regeltjes. Een soort Italianen, bijna, als je heel erg door je oogharen kijkt.

Daarom loont het, een weekend doorbrengen aan de Noordzeekust.

‘Misschien huur ik volgende keer een elektrische fiets als we hier zijn’, zei ik tegen mijn man, want de fietspaden aan de kust zijn lang en altijd voorzien van tegenwind.

‘Dan moet je van mij wel een helm op’, zei hij. Hij had gelijk. Die Duitsers ook, natuurlijk. Al ga ik nooit meer terug naar de mondkap. Denk ik.

Meer over