achtergrond

In 1964 spraken ze openhartig over seks, liefde en geloof. Hoe gaat het nu met de jongeren uit de film Mensen van Morgen?

Een bijeenkomst van de geïnterviewde jongeren uit Mensen van morgen in Amsterdam in 1965. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Een bijeenkomst van de geïnterviewde jongeren uit Mensen van morgen in Amsterdam in 1965.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Mensen van morgen werd in 1964 jubelend ontvangen als aandoenlijk filmportret van een nieuwe generatie. De ideeën van de dertien geïnterviewde jongeren over seks, liefde en geloof lieten zien dat een totaal andere tijd aanstaande was. De Volkskrant blikt terug met twee hoofdpersonen.

Naast een veelbesproken boek (Ik, Jan Cremer) en een turbulent optreden (The Beatles in Blokker) was er in 1964 nog een kunstwerk dat in Nederland massaal de aandacht trok, een spectaculaire bioscoopfilm die van dertien jongeren sterren maakte: Mensen van morgen. ‘Grappig, ongegeneerd, poëtisch, rauw, ontroerend, sensationeel’, oordeelde Het Vrije Volk op 14 oktober 1964.

Een dag later ging de zwart-witfilm over de jeugd van toen in première en stroomde het publiek massaal toe. De maker en regisseur, Kees Brusse, werd in alle kranten uitbundig gecomplimenteerd voor ‘grandioos werk’ (De Telegraaf). Volgens het Algemeen Dagblad was Mensen van morgen een ‘film waarvoor men Kees Brusse niet alleen moet huldigen, maar waarvoor men hem gewoon dankbaar moet zijn’. Een sensatie, oordeelde de Leeuwarder Courant juichend.

Brusse had zich tot dan toe vooral bewezen als acteur, op het toneel, in films en op televisie. In 1962 maakte hij als acteur en dialoogregisseur samen met regisseur Paul Rotha een groot succes van De overval, een film over Friese verzetsstrijders die lange tijd zou gelden als de beste naoorlogse Nederlandse film.

Met de ‘psycho-montage’ (daarover later meer) Mensen van morgen overtrof hij zichzelf. In de Cinetone-filmstudio in Duivendrecht had hij in twee weken dertien jongeren over hun leven geïnterviewd, naar een opzienbarend Frans voorbeeld uit 1963.

In Hitler? Connais pas! (Hitler? Ken ik niet!) sprak de 22-jarige Bertrand Blier in een studio met elf generatiegenoten. Brusse, destijds 39 jaar, paste hetzelfde procedé toe, daartoe aangespoord door Rudi Meyer. De bekende filmproducent was over de Franse film getipt door de directeur van Tuschinski, Max Gerschtanowitz.

De jongeren waren na voorgesprekken en bandopnamen zorgvuldig geselecteerd. De eerste selectie werd gedaan door twee studenten psychologie, Eva Smit-Beek en K.T. Thio, die gesprekken voerden met ruim veertig jonge Nederlanders tussen 19 en 27 jaar. De dertien jongeren die uiteindelijk één voor één naar de Cinetone-studio mochten komen, waren door Brusse persoonlijk uitgekozen.

De film wierp zijn schaduw vooruit, door de status van Brusse en door de hoge ambities. Het Algemeen Dagblad interviewde Brusse al in februari, nadat hij veertien dagen lang met de jongeren had gesproken, in een uiterst sober decor en omringd door drie camera’s.

De film was voor hem ‘een beleven geworden dat zijn dagen en nachten beheerst’. Tegen de krant zei hij dat hij ‘bezeten was van het maken van een dergelijke ondervragingsfilm’, maar ook dat hij er sceptisch tegenover stond. ‘Ik dacht dat Nederlanders geen gemakkelijke praters zouden zijn, maar dat ze dit wel waren is voor mij de grootste verrassing geweest’.

Ook nam hij een voorschot op een discussie die later, na de première, over de montage van de film zou worden gevoerd. Het ging hem er niet om zijn eigen ideeën via de jongeren naar voren te brengen, zei Brusse. ‘Ik heb alleen mensen willen laten zien, mensen van nu die mensen van morgen moeten worden. Wat mij daarbij het meest is opgevallen, is dat deze jonge mensen (...) met een nonchalant gemak over problemen heen stappen, die voor ouderen vaak onneembare obstakels zijn.’

De namen van de jongeren werden in de film niet genoemd. Alleen een voetballer van Ajax, Peet Petersen, was niet geheel onbekend. Voor een introductie van de dertien hoofdrolspelers was het publiek aangewezen op de kranten. Hansje, Loekie, Linda, Jan, Harry, Riekje, Cora, Felicia, Pieter, Anton, Joop, Francine en Peet waren elk hun eigen sjabloon.

Loekie bijvoorbeeld was een ‘Amsterdamse volksjongen die wegens een knokpartij in een jeugdgevangenis heeft gezeten’, Francine een ‘novice die zich voorbereidt op het kloosterleven, een ernstig meisje’. Riekje en Joop werden respectievelijk kortweg een ‘tippelaarster’ en een ‘homoseksuele jongen’ genoemd, Hansje was een ‘ouderloos, modern levend meisje’, Harry een ‘gebochelde die concertpianist wil worden’.


Linda in Mensen van morgen.  Beeld
Linda in Mensen van morgen.

Het was vooral de openhartigheid en de ongekende spontaniteit van de jongeren die de film zo sensationeel en zo aandoenlijk maakte. Een nieuwe generatie sprak zich uit. Homoseksualiteit, seks, liefde, geloof, dood, geluk, verdriet, eenzaamheid: onderzoeker Brusse gaf een voorproefje van een nieuwe tijd. Zijn film was een openbaring, óók door de vormgeving, het camerawerk van Ruurd Fenenga, Fred Tammes en Huib de Ru en de muziek van Herman Schoonderwalt.

Zo ervaarde Geert Mak het in 1964 in de Tivoli-bioscoop aan de Nieuwstad in Leeuwarden ook. Hij was 17, de film was gekeurd voor 18-plus. ‘Samen met mijn vader en mijn moeder mocht ik de nieuwe generatie zien. Het resultaat sloeg in als een bom, en de kranten stonden vol’, schreef Mak in 1996 in NRC Handelsblad. ‘Het was mijn eigen generatie die daar werd tentoongesteld’.

Bij toeval had Mak de film teruggezien. ‘Overal in mijn geheugen gingen weer luiken open: de kapsels, de brillen, de Dave Brubeck-achtige jazzmuziek. Maar ik was vergeten hoe onze taal toen klonk. En wat ik helemaal verdrongen had, was de bijbehorende braafheid, de intense braafheid die het gezelschap uitstraalde’.

Maar dat was in 1996, een andere tijd. Wat in 1996 als braafheid werd ervaren, en nu helemaal, was in het eerste deel van de jaren zestig nog opzienbarend.

Niet in alle opzichten is Mensen van morgen verouderd, zegt Gilles Frenken, filmmaker, regisseur en producent. In 1996 maakte hij Mensen van toen, een film over Mensen van morgen. Daarin sprak hij met een aantal jongeren van weleer – onder anderen Linda, Harry en Francine – en bezocht hij Kees Brusse in zijn huis in Frankrijk.

In zijn film plaatst Frenken Mensen van morgen in een eregalerij met de documentaires Glas en Alleman van Bert Haanstra, Soldaat van Oranje, Turks fruit en De aanslag. Hij denkt er 25 jaar later nog hetzelfde over.

‘Het is een van de mooiste en leukste documentaires uit de geschiedenis, mede door de montage. De snelheid is bijzonder en vernieuwend. Al in de jaren twintig en dertig waren er experimentele filmmakers uit de Sovjet-Unie en Duitsland die ook zulke korte shots achter elkaar lieten zien, maar in een mainstreamfilm zag je dit niet. Het werkt gewoon, nog steeds.’

Regisseur Kees Brusse omstreeks 1966. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
Regisseur Kees Brusse omstreeks 1966.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Maar het is juist de montage die van Mensen van morgen een enigszins omstreden film heeft gemaakt. De dertien jongeren werden door Brusse afzonderlijk geïnterviewd, op afzonderlijke dagen zelfs, maar in de montage (van Robert Kruger) lijkt het vaak alsof ze op elkaar reageren, in woord of gebaar. Het effect is soms krachtig, bijvoorbeeld als novice Francine afkeurend kijkt na een ontboezeming van prostituee Rietje.

Filmredacteur Jan Blokker had in 1964 in het Algemeen Handelsblad ondanks een positief oordeel meteen bedenkingen bij wat hij de ‘dubieuze kant van de film’ noemde. ‘Elke montage is in een geval als dit een leugen, en een leugen die niet als ‘stijlmiddel’ kan worden verontschuldigd’, schreef hij. Desondanks was volgens Blokker de integriteit van Brusse boven elke twijfel verheven.

Ook Frenken toont begrip. ‘Filmkenners weten hoe het werkt. Als je een shot gebruikt van een vrouw die even opkijkt na een opmerking van een prostituee, laat je het publiek interpreteren. Jij, de toeschouwer, denkt zo afkeurend.’

Brusse noemde zijn film daarom een psycho-montage, zegt Frenken. ‘Hij maakte gebruik van het psychologische mechanisme dat, als je shots achter elkaar zet, de kijker er een betekenis aan gaat geven. Het is niet zo dat die persoon afkeurend kijkt, dat maken wij ervan.’

En zo zette Brusse de film naar zijn hand. Zelf bleef hij, tamelijk bescheiden, buiten beeld en evenmin is zijn stem te horen. Hij gaf via de jongeren zijn eigen opvattingen, twijfels en onzekerheid door. ‘Brusse was de componist, wij waren de noten’, zegt pianist Harry in Mensen van toen.

Frenken, nu: ‘Als je veel meer van zo’n film weet, ga je Brusse nog meer bewonderen. Maar tegelijkertijd is een kritische kanttekening onvermijdelijk. Uit de gesprekken zijn de nuances verdwenen. De jongeren uit de film werden sjablonen, gemaakt door Kees Brusse. Terwijl die sjablonen niet bestaan. Maar ik weet als filmer dat je de krachtigste dingen eruit pakt en dat personen worden gebruikt om boodschappen over te brengen. Dan verdwijnen er nuances.’

De meeste jongeren uit Mensen van morgen zijn niet meer in leven. Linda en Cora zijn gezonde bijna-tachtigers, de gezondheid van Francine is broos. In tegenstelling tot Linda en Cora kijkt ze met grote teleurstelling en met verdriet terug op de film: op het interview door Brusse, op haar rol in de film en op de reacties op haar uitspraken.

In een boek over haar leven wijdt ze een hoofdstuk aan de film. ‘Mensen van morgen: een interessant en vervelend intermezzo’. De nasleep was een traumatische ervaring, schrijft ze. ‘Ik heb de film gezien met kromme tenen en samengeknepen billen. Ik zag mezelf afgebeeld als een aarzelend, bang, vlak, een beetje tuttig meisje, dat niet in staat is een volledige zin uit te spreken’.

Ze vervolgt: ‘Wat ik erger vond, was de wijze waarop ik in de film was gemonteerd. Regelmatig als Riekje (de prostituee) aan het woord was geweest, kwam er een shot van mij van onderaf genomen. Het suggereerde dat ik misprijzend op haar neerkeek. En zo heeft Nederland me ook gezien en over me geoordeeld. Dat vond ik verschrikkelijk. Dat misprijzende paste niet bij mij’.

Desondanks werkte ze in 1996 mee aan de film van Gilles Frenken over Mensen van morgen. ‘Voor het eerst in al die jaren had ik het gevoel dat ik mezelf was en kon zeggen wat ik wilde’. In Vught had ze in dezelfde straat gewoond als de vader van de filmmaker. Een bizarre toevalligheid, noemt Frenken het.

Hij toont begrip voor haar. ‘Ze is erg getypecast in die film, ze hadden nog een jonge religieuze vrouw nodig. Ze is gebruikt, terwijl ze toen ook al twijfelde aan haar roeping en genuanceerd was. Het ging Brusse niet om haar, het ging om het type. Hij verzamelde types uit dezelfde tijd die allemaal verschillende keuzen maakten en een andere manier van leven hadden. Samen vormden zij een generatie’.

Kees Brusse in 1996: ‘Niet één seconde heb ik iemand onrecht aangedaan.’

Drie weken na de première in oktober 1964 en de stormachtige ontvangst werd Mensen van morgen op last van de rechter uit de roulatie genomen. De ouders van Loekie, de ‘Amsterdamse volksjongen’, hadden dat bedongen. Ze waren woedend over uitspraken van hun minderjarige zoon (19) over de huiselijke situatie van het gezin en brachten in dat ze hem geen toestemming hadden gegeven om zich te laten interviewen.

Toen de film een half jaar later terugkeerde in de bioscopen, zonder een kort fragment van Loekie en met een verklarende inleiding van Kees Brusse, was de ontvangst kalm. De opwinding over Mensen van morgen was voorbij – en de nieuwe tijd definitief begonnen.

Linda Kempenaar-Groot  in 2021.  Beeld Ivo van der Bent
Linda Kempenaar-Groot in 2021.Beeld Ivo van der Bent

Linda: ‘Ik was een gewoon meissie’

In haar huis aan het Braassemermeer in het Zuid-Hollandse Rijnsaterwoude legt de publiekslieveling van toen lachend een dik plakboek op tafel. ‘Mijn vader was zo trots op me, hij knipte alles over de film uit de kranten.’ Verbaasd: ‘Kijk eens, een heel boek!’

Bladerend, nog verbaasder: ‘We waren beroemd. Ik heb twee keer een Huishoudbeurs geopend, een in Groningen en een in Assen. Gillen! Ik ging er met de trein naartoe. Ik mocht in een hotel slapen en alles werd voor me geregeld. Ik moest een lint doorknippen en mensen vroegen om mijn handtekening. Ik zag ze elkaar aanstoten, een klein beetje teleurgesteld: het is een gewoon meissie. En dat was ik ook, een gewoon meissie.’

Nog een herinnering. ‘Ik kreeg een brief van een jongen waarin hij schreef dat hij verliefd op me was. Op een dag zou hij op me wachten op de Dam. Nee, ik ben niet gegaan, maar ik had best stiekem even willen kijken. Het was romantisch’.

Linda Kempenaar-Groot (78) lacht nog precies zo zoals ze 57 jaar geleden in Mensen van morgen lachte, aanstekelijk en spontaan. Ze is zo leuk omdat ze anders is dan de anderen, zei Kees Brusse destijds over haar. ‘Ik? Anders? Ik had dat totaal niet in de gaten.’

In tegenstelling tot een aantal andere hoofdrolspelers heeft ze louter goede herinneringen aan de film en aan de nasleep, ondanks het cliché waarin ze werd gevangen. Zij werd gecast als het onschuldige plattelandsmeisje. Voor de opnamen vroegen de makers of ze een geruite blouse en een tuinbroek aan wilde doen.

‘Er werd in mijn kledingkast gekeken en dat stelde teleur. Het was niet boers genoeg. Dat kwam door mijn moeder, die hield van mooie kleren. Er werd thuis altijd veel genaaid en gebreid. Nee, geen broeken, die werden door vrouwen toen nog niet zoveel gedragen.’

‘Houdt van stoelendans, puzzelritten en tobbevaren’, was haar introductie. Lid van toneelvereniging De Plankenridders, was de toevoeging. Aan dat lidmaatschap had ze haar rol in de film te danken. ‘Andere meisjes van de club durfden niet. Een meisje wilde het wel proberen. Ik ging met haar mee naar proefopnamen en Kees Brusse koos mij uit.’

Linda Groot komt in de film meer aan het woord dan de meeste anderen. ‘Ongecompliceerd, fris en heerlijk naïef’, werd ze in een krantenrecensie genoemd. Bijna zestig jaar later is de indruk deels anders. De boerendochter uit een gelovig gezin uit Aarlanderveen valt ook op omdat ze zonder remmingen over taboes praat. Ze is ruimdenkend en vooruitstrevend en oordeelt niet.

Een week na de première in oktober 1964 werd ze geïnterviewd door De Telegraaf. De krant schrijft dat ze ‘honderdduizenden filmbezoekers tot tranen toe heeft laten lachen en huilen’. Verslaggever Gerth van Zanten maakt in het stuk meermaals melding van haar ‘verrukkelijke lachje’ en herinnert haar aan een vaak geciteerde opmerking uit Mensen van morgen: ‘Ik op de film? Wat zal de dominee daar wel van zeggen?’

Haar lach had in de film een functie, stelt De Telegraaf vast. ‘De lach was door het publiek aanvaard als een ontwapenend moment, te midden van die maalstroom van hyper-persoonlijke, dikwijls schokkende bekentenissen.’

Bijna zestig jaar later vertelt ze dat de film funest was voor haar relatie. ‘Ik had een vriendje. Op een dag belde hij op. Ik kom niet meer, zei hij. Het is toch wat. Hij kwam gewoon niet meer. Misschien vond hij dat ik te openhartig was geweest? Maar als je daar niet tegen kan, is het jammer. Dan maar zo.’

Haar leven is altijd overzichtelijk gebleven, zegt ze. In 2018 was ze vijftig jaar getrouwd met Wim. Ze hebben drie dochters. ‘Het klikte met Wim, misschien wel omdat hij zo stil is, en ik niet. Hij is een eigenwijze boer, maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Ik moest trouwen, dat gebeurde toen nog. Er waren er meer van mijn leeftijd die het overkwam. Nooit spijt van gehad hoor’.

Ze is altijd in de omgeving blijven wonen waar ze opgroeide. Ze houdt van het dorpsleven. Binnenkort verhuist ze met haar man naar een appartement in het oude gemeentehuis van Rijnsaterwoude. Het huis is te groot geworden en het traplopen gaat steeds moeizamer. ‘En voor Wim wordt de tuin te groot’.

Haar oudste zus Trudy werd in 1956 getroffen door zware kinderverlamming, na een ernstige polio-epidemie. Veertien jaar lag ze in ziekenhuizen in Leiden, Den Haag en Scheveningen. Ze stierf toen ze 34 was.

‘We hebben thuis allemaal polio gehad. Het voelde als griep, met hoofdpijn. Het leek wel corona. Trudy kon niets meer, niet eens zelfstandig ademen en praten, maar haar hoofd was nog goed. Ze was altijd vrolijk. Altijd zag ze de goede kanten, altijd was ze opgewekt. Hoe is het mogelijk hè.’

Ze laat een foto zien van een bioscoop in Leiden. Haar zus ligt in een ziekenhuisbed, omgeven door verplegend personeel en zuurstofflessen. ‘Zo heeft ze de film gezien, met veel plezier.’

Onvervulde wensen hebben Linda niet diep geraakt, het is gegaan zoals het is gegaan. ‘Ik speelde heel graag toneel. Het had me heerlijk geleken om naar de Toneelschool te gaan, maar dat mocht niet. Dat was zo’n zondige wereld. Over zulke opleidingen hoorde je ook vaak rare verhalen.’

Ook: ‘Ik had vaker op reis willen gaan, maar daar houdt Wim niet van. Die is het liefste thuis. Het was als boer ook niet gemakkelijk om op vakantie te gaan hoor. En we wonen hier fantastisch hè. Het is nergens zo luxe als hier.’

Kees Brusse zag ze nog twee keer terug, de eerste keer in het dorpshuis in Aarlanderveen. ‘Hij wilde mij weleens toneel zien spelen. De regisseur was zó zenuwachtig, de grote Kees Brusse kwam langs. Ik zou nog wat van hem horen. Jaren later werden we uitgenodigd voor een filmfestival in Utrecht. Brusse was er ook. Ik zou toch nog wat van u horen, zei ik tegen hem.’ Lachend: ‘Weg carrière als actrice!’

Twee dochters van Linda wonen ook in het dorp, de derde is verhuisd naar het naburige Leimuiden. ‘Ze hebben het altijd ontzettend leuk met elkaar. Ik heb het getroffen.’

Een van haar dochters heeft Mensen van morgen op een dvd laten zetten. Met zijn allen hebben ze ernaar gekeken. ‘Ze bleven maar lachen. Hoeveel kinderen wil je, vroeg Kees Brusse. Niet zo veel hoor, zei ik, een stuk of vijf. De meiden lagen op de bank. Nee, náást de bank. Van het lachen.’

Cora Bastmeijer in 2021.  Beeld Ivo van der Bent
Cora Bastmeijer in 2021.Beeld Ivo van der Bent

Cora: ‘We wilden de wereld beter maken’

Cora Bastmeijer (77) kan na al die tijd hard lachen om haar zelfverzekerde en stellige uitspraken in Mensen van morgen. ‘Mijn ouders hebben gelukkig nooit commentaar gegeven. Dat hadden we zo afgesproken’.

Ze was pas 19 jaar toen ze door Kees Brusse werd geïnterviewd. Nu woont ze in een ruim huis aan de rand van de Emmerdennen in Emmen, omgeven door een grote, fraaie en wilde tuin. In de tussentijd sloot ze zich aan bij het Leids vredescontact, demonstreerde ze tegen kruisraketten en stapte ze uit de kerk, als representant van de naoorlogse protestgeneratie.

Het was toeval dat ze in de film terechtkwam. Ze liep stage bij de dierentuin in Blijdorp toen Brusse langskwam. Hij was op zoek naar een jongen waarmee hij eerder had samengewerkt, maar die bleek onvindbaar. ‘Ik had voor het KRO-radioprogramma Moeders wil is wet eens verteld dat ik later tuinarchitect wilde worden. Iemand van de directie noemde toen mijn naam.’

Regisseur Brusse ontmoette ze voor het eerst in zijn huis in Loosdrecht. ‘Ik had een bericht gekregen met de vraag of ik mee wilde doen. Je wordt opgehaald in een grote auto, stond er. No way, zei mijn vader, dat gaat zo echt niet gebeuren. Brusse had in Rotterdam in dezelfde straat gewoond als wij, dus belde mijn vader hem op.’

De volgende dag brachten ze een bezoek aan Brusse en aansluitend aan producent Rudi Meyer, in een Amsterdams grachtenpand. ‘Dat vond ik eigenlijk nog leuker, want Meyer was een heel grappige, bolle man en hij ontving ons in een donkere, satijnen kamer’. Voor de opnamen kreeg ze vijfhonderd gulden: ‘Een heleboel geld, vond ik. Ik heb er een dure jas van gekocht’.

In Mensen van morgen is Cora de ‘vrijuit pratende aanstaande tuinarchitecte’, zo schreef Het Parool op 10 oktober 1964. Zo voelde het niet voor haar, zegt ze. ‘Ik werd in de studio in een kring gezet en er liepen veel mensen om ons heen, die ik niet zag door het felle licht. Je voelt tot in je tenen: géén verkeerde dingen zeggen. Maar dat doe je natuurlijk toch. Brusse deed het heel knap. Hij stelde korte vragen, gaf geen commentaar en bleef lang stil na een antwoord. Door die tactiek zei ik meer dan ik wilde.’

In opdracht van Brusse droeg ze haar vaders laarzen en een geribbelde trui. ‘Ik mocht ook van tevoren mijn haar niet wassen.’ Ze sprak over Sartres Huis clos (‘De hel, dat zijn de anderen’) en haar liefde voor God, die ze vergeleek met de liefde voor haar naasten. ‘Ik wilde interessant doen.’

Een uitspraak over haar woonplaats Rotterdam is opzienbarend. ‘Achteraf vind ik het goed dat de stad gebombardeerd is, maar dat is natuurlijk mijn mening’, zegt de 19-jarige Cora. Ze heeft er een boze tante aan overgehouden.

Nu: ‘Ik heb antwoord gegeven op een vraag die hij niet had gesteld. In mijn jeugd was het normaal om tussen de resten van gebombardeerde huizen te spelen. Ik had moeten refereren aan de oorlog, maar mijn eerste associatie was de architectuur die in de wederopbouw ontstond. Rotterdam herrees echt in die tijd en was mooi geworden! Ik vond de Lijnbaan en de Doelen prachtig.’

Drie jaar na Mensen van morgen trouwde Cora met Jan, een student natuurkunde, en verhuisde ze naar Leiden. Het echtpaar was links. Cora stemde op de Politieke Partij Radikalen (PPR), haar man op de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP). ‘We zaten diep in de nieuwe levensstijl’.

In het Leidse studentenhuis dat ze beheerden, organiseerden ze gespreksgroepen over maatschappelijke kwesties. Later, in Emmen, ging het in debatten onder meer over de Club van Rome. ‘We waren zo idealistisch bezig. We hebben ook in Bonn met de Duitsers tegen de kruisraketten gedemonstreerd. Dat was helemaal fantastisch, omdat ik ben opgevoed met het idee dat je de Duitsers moest wantrouwen’.

In hetzelfde stramien past de ontkerkelijking. Hoewel ze uit respect voor haar ouders nooit officieel uit de kerk is gestapt, heeft ze weinig meer op met het geloof. ‘We kwamen erachter dat we niet alle dogma’s voor waar hoefden aan te nemen. De God in de kerk was mijn godsbeeld niet. Je kunt dat wel constant proberen te vertalen of God als metafoor zien, maar dat is zo vermoeiend. Het is jouw leven niet meer.’

Haar vier kinderen heeft ze met haar idealen opgevoed. ‘We wilden de wereld beter maken en daar moest je iets voor over hebben. Dus aten de kinderen ook weleens een boterham met niks’. Toen Cora en haar man in Emmen gingen wonen, volgde ze bij Vluchtelingenwerk een cursus juridische begeleiding.

Of ze haar idealen heeft weten te bewaren? ‘Ik denk het wel, het gaat alleen niet zo hard als ik gehoopt had. Mijn idealen zijn nu meer bezonken’. Tegenwoordig houdt ze zich meer bezig met natuur en milieu. Ook deed ze vrijwilligerswerk bij de terminale thuiszorg.

Net zoals Mensen van morgen kwam het toevallig op haar pad. ‘Ik heb me er ten opzichte van mijn ouders altijd schuldig over gevoeld dat we zo ver weg zijn gaan wonen. Ik kon niet bij mijn moeder zijn toen ze kanker kreeg. Als compensatie ben ik vrijwilliger geworden. Toen mijn vader overleed ben ik ermee gestopt. Zo heb ik het afgesloten’.

De droom die ze in 1964 tegen Kees Brusse uitsprak om tuinarchitecte en moeder te worden, is uitgekomen. Wel kijkt ze met gemengde gevoelens terug op Mensen van Morgen: ‘In een krant stond dat ik een gewone huisvrouw wilde zijn. Daar heb ik me ontzettend voor gegeneerd’.

Naar de film kan ze niet meer kijken: ‘Ik vind mezelf daar een beetje arrogant, en misschien ben ik dat nog wel. Ik heb me ontwikkeld, maar in wezen ben ik nog precies hetzelfde’.

Mensen van Morgen is online gratis op drie platformen te zien. Eye Filmuseum toont de originele versie. Op 2doc.nl en YouTube is de tweede versie te zien, met een inleiding door Kees Brusse. Hij reageert in wat hij de ‘hervertoning’ noemt op de commotie die was ontstaan over uitspraken van een van de jongeren, Loekie: ‘Wat zij vertellen is hun waarheid, zoals zij die zien en beleven. Niemand heeft ooit willen zeggen dat dat de enige waarheid is.’

Meer over