'Ik vond het niet eens heel erg'

Cornald Maas in gesprek met kinderen van gescheiden ouders. Dit keer Yvonne Groot (48), freelance tolk-vertaalster Italiaans. Ze was 10 toen haar vader vertrok en kon niet opschieten met de nieuwe vriend van haar moeder....

‘Bijna vierden mijn ouders hun koperen bruiloft, ik had al een huldeboog in de feestwinkel gekocht. Maar op een dag zei mijn moeder: ‘We gaan verhuizen, en je vader gaat niet mee.’ Ik was 10 jaar en vond het niet eens heel erg: mijn vader was veel strenger dan mijn moeder. Maar er braken roerige tijden aan. Af en toe kwam mijn vader een poosje terug, en dan zat ik boven aan de trap naar ruzies van mijn ouders te luisteren. Op een gegeven moment werd onze buurman, die weduwnaar was, de nieuwe vriend van mijn moeder. Toen we op vakantie gingen naar Lunteren, was hij mee. Daar werden wij – mijn oudere zus, jongere broer en ik – door een oom van ons bed gelicht omdat dat tegen de afspraken met mijn vader was.

Dat mijn ouders uit elkaar zijn gegaan begreep ik wel: ze pasten totaal niet bij elkaar. Mijn moeder was de vrouw van het goede leven, van hapjes en drankjes en gezelligheid en mensen over de vloer. Mijn vader hield juist niet van borreltjes en uit eten gaan, en was helemaal niet gesteld op luxe.

De vriend van mijn moeder bleek een alcoholist te zijn. Zijn dochtertje moesten we niet. Ik was niet aardig tegen haar. Als ze zei dat ze wagenziek was, zeiden we dat ze zich niet zo moest aanstellen. Zielig voor haar, ze had immers ook al haar moeder verloren. Achteraf zou ik nog wel ’ns ‘sorry’ tegen haar willen zeggen voor mijn gedrag van toen. Mijn overlevingsstrategie was dat ik altijd met mijn neus in de boeken zat en deed of ik er niet was. ‘Verstrooide professor’, noemden ze mij.

Mijn moeder kreeg een nieuwe vriend, die geen kinderen had en ze ook niet gewend was. Als hij boos was, dekte hij de tafel niet voor je, en zei hij niks terug als je ‘goedemorgen’ zei. Mijn moeder vergoelijkte dat: ‘Ach, Kees is doof aan één oor’, zei ze dan. Op een dag kreeg hij ruzie met mijn broer, en smeet hij zijn transistorradio in de hoek. ‘Je bent onze vader niet’, heb ik geroepen. Toen ik later een woordenwisseling met mijn moeder had, gaf hij me een klap. Dat was een breekpunt. Ik ben weggelopen van huis. Eerst ging ik bij mijn vader wonen, toen bij een kennisje van hem, omdat ik als puber lastig kon zijn. Maar ook dat was geen succes, omdat de dochter van dat kennisje jaloers op mij was. Ik ging terug naar mijn vader. Mijn moeder zag ik een tijdje niet. Dat ze niet voor me was opgekomen heb ik haar nooit vergeven. Ik voelde me in de steek gelaten. Dat ik op mijn 16de verjaardag via mijn broer een kettinkje van haar kreeg, maakte me verdrietig. Dit speelde zich af toen ik op de middelbare school zat. Veel is me daardoor ontgaan, merkte ik een tijdje terug tijdens een reünie. Van vrolijke gebeurtenissen tijdens werkweken kon ik me niks herinneren.

Mijn vader kreeg een lieve vriendin, maar is nu weer alleen. Mijn moeder bleef bij de man die moeite had gehad met haar drie kinderen. Uiteindelijk kreeg hij een ongeneeslijke spierziekte. Het was raar dat ik bij mijn moeder thuiskwam en, om haar te ontlasten, boterhammetjes smeerde voor de man die er ooit de oorzaak van was dat ik ben weggelopen. Mijn moeder is nu weduwe.

Met zowel mijn vader als mijn moeder heb ik m’n leven lang contact gehouden. Ook toen ik een aantal jaren in Italië woonde, ook toen ik een vriend kreeg met wie ik ging samenwonen. Mijn moeder is lief en ze heeft haar best gedaan. Het heeft geen zin haar uit te leggen wat ik heb doorstaan, ze heeft er een ander beeld van. Ik wil haar geen verdriet meer doen door haar met dingen uit het verleden te confronteren. Zij vindt dat ze heel goed met mij kan praten, ik vind dat ik heel goed met mijn vader kan praten. Met hem ben ik altijd heel close geweest. Hij stond altijd voor me klaar, had begrip voor m’n keuzen, en hij heeft me – net als mijn moeder – opgevangen toen de vader van mijn kind wegliep.

Dat was een grote desillusie. Hij was acht jaar jonger dan ik. Ik raakte zwanger, was bijna 37, en wilde het kind graag op de wereld zetten, terwijl hij steeds had gezegd nog geen kinderen te willen. Myrthe kwam, tot mijn grote geluk, maar hij kon ons nieuwe leven niet aan. Hij was er niet klaar voor en had, anders dan ik, nog te weinig achter de rug en was rusteloos. Ik plande etentjes en uitjes om weer nader tot elkaar te komen, maar toen hij eindelijk een keer initiatief moest nemen en met niks kwam, voelde ik dat ik de kar niet langer kon en wilde trekken. Hij is weggegaan, Myrthe was pas 1, maar godzijdank heeft hij – ook dankzij mijn inspanningen – nog altijd contact met haar. Zij is lief, intelligent en sensibel, zij houdt me in de gaten en beschermt me, ze is het geluk in m’n leven.

Ik heb nu geen relatie, ik ben alleen, maar niet eenzaam. Ik zit beter in m’n vel dan ooit, met dank aan de therapie die ik de laatste jaren heb gevolgd en die me belangrijke inzichten verschafte. Ik heb beter leren communiceren, en ik stel mijn grenzen scherper. Als ik ooit nog iets met een man zou krijgen moet hij van goeden huize komen, wil ik toestaan dat hij mijn dochter leert kennen. Ik wil niet dat Myrthe – ze is nu 10, precies zo oud als ik toen mijn ouders gingen scheiden – aan iemand hecht die vervolgens afscheid van haar neemt. Als ik aan die vriend van mijn moeder denk, weet ik het zeker: waag het niet om haar ooit een tik te geven, want dan ga je vierkant het raam uit.’

Meer over