ColumnPeter Buwalda

Ik schrijf zo de biografie van Ivan Lendl op, in één ruk

null Beeld

Zoals sportliefhebbers zich herinneren, gingen mijn meisje en ik afgelopen oktober tennisrackets kopen. Bij de Perry in Assen, waar we op vakantie waren. Helaas hadden ze alleen twee schepnetten. Terug van onze reis vervoegden we ons bij de Perry in Amsterdam, waar de keuze juist overdadig was, hele muren vol, Djokovic liep er rond met een mandje, Serena liep er rond met een mandje.

Binnen de kortste keren stonden we buiten met twee perfecte rackets, in feite waren het opzetstukken, protheses, die ons fysiek en innerlijk naadloos voortzetten, je hoorde een organische klikje als je ze vastpakte. ‘Hij lijkt gewoon op je’, zei ik over Jets ­racket, maar dat vond ze overdreven. Dezelfde week nog ging ze tennissen.

Ik niet. Eerst wennen aan het idee. Aan het bezit an sich. Met boeken doe ik het ook zo, ik koop ze in 1995, en als het corona is ga ik ze lezen. Jets vrienden en familie vonden dit raar. Gesprekken stokten als ik een kamer binnenkwam. ‘Maar hij is dus nog nooit gaan ten…’

Jet deed het ook met haar oma, tennissen bedoel ik. Dit verontrustte me. Ik ben niet gevoelig voor competitie, maar een dame van 81 die je vriendin ophaalt om te tennissen? Op een dag bereikte me het bericht dat schoma, zoals ik haar mag noemen, een bod op mijn racket wilde uitbrengen. Oké, dacht ik, ik ben officieel afgeschreven. Ze geloven er niet meer in. ‘Niet te koop’, zei ik.

Maar in beweging kwam ik niet. Er waren inmiddels maanden verstreken. Jet had een pasje van de club, met een ­fotootje erop, er arriveerden tennisrokjes via ­Bolando, of hoe heet die tent. Amalonda. Zij wel, leek mijn tennisracket te denken als z’n zusje onder de gravel ­terugkwam. Maar dat was projectie, want mijn racket is net als ik. Niet meteen gaan slaan, bijvoorbeeld. Pas in laatste instantie. Vaak kwam het nu voor dat Jet na het tennissen vriendinnen meenam voor de lunch. Ik zat er dan bij als opa, die weten wilde hoe het ­gegaan was op de lawn.

‘U tennist niet?’

Ik maakte de schrijfbeweging.

‘Nooit gedaan ook?’

‘Nog niet, nee. Maar ik heb wel een racket.’

Ineens was het zover.

‘Wat ga je doen?’ ‘Fietsen.’ Bij de Perry kocht ik een lichtblauwe, tapse trainingsbroek van Nike, vier paar tennissokken, en één brede, zwarte veter. Die ging in mijn zwarte Adidasje, de linker, waarin een gebroken exemplaar zat. Het waren twee, kan ik verzekeren, lekker ingelopen tennisslofjes.

‘Bel effe voor een baan’, zei ik. De club waarvan Jet een pasje heeft, is de kleinste club van Amsterdam, je kunt er altijd terecht. Meer verklap ik niet. Het is een geheim clubje voor arbeiders.

‘Potverpielekes!’, zei Jet. Ik moest in haar arm knijpen, maar dat ging me te ver.

‘Drie gewonnen sets’, zei ik. ‘Geen tiebreak na de vijfde.’ Ik ritste mijn trainingsjackje van Fortuna ­Sittard dicht, gekocht bij een lommerd in Gdansk. Mogelijk van Huub Stevens geweest. Of van Frans Thijssen. Wim Koevermans. Goed jasje.

‘Ga je zo? Dat is toch geen tennisoutfit. Je lijkt wel zo’n gast van de mocromafia. Alleen nog zo’n klein tasje van Gucci. Ken je de spelregels wel?’

De spelregels? Ik schrijf zo de biografie van Ivan Lendl op, in één ruk. Ik droom wel eens van die man, vlak voor hij gaat serveren.

Meer over