ColumnThomas van Luyn

Ik moest niet denken dat ik met ‘les gadgets’ kon betalen, wat dacht ik wel

Thomas van Luyn Beeld Aisha Zeijpveld
Thomas van LuynBeeld Aisha Zeijpveld

Ik had mijn auto geparkeerd in een parkeergarage in Lyon. Dat is een stad in Frankrijk, een land dat in Europa ligt maar ook weer niet. Het is een parallel universum, vastgelopen in 1983, in volle ontkenning van wat de rest van de wereld onder hun ogen probeert te duwen. In dit geval: contactloos betalen. Er stonden weliswaar automaten in de parkeergarage met alle betaalmogelijkheden die de moderne technologie mogelijk maakt, maar die stonden dan nog steeds in Frankrijk. Ik kon wapperen met mijn iPhone wat ik wou, de machine kwam niet verder dan mij ‘Patientez’ te zeggen – een nutteloos advies, want je kunt wachten tot je een ons weegt, de 21ste eeuw zal ook vandaag helaas niet tot Frankrijk rijden. Er worden bussen ingezet.

Mijn eigen domme schuld natuurlijk, want met mijn kenmerkende Hollandse arrogantie had ik geen contant geld meegenomen, en niet eens een betaalpasje in mijn broekzak gestopt. Waarom zou ik? Ik had Apple Pay.

Ergens vind ik het wel mooi dat Frankrijk niet meedoet met de rest van de wereld. Dat ze zeggen: we hóéven niet mee te doen met al die Amerikaanse fratsen hè? Als wij onze restaurants dicht willen gooien als jullie willen lunchen, moeten jullie maar eerder lunchen. Gevolg is natuurlijk wel dat het hele land wordt volgeplempt met McDonald’s-filialen, die immers wél ‘Service Continu’ hebben, maar wier personeel niet de mogelijkheid heeft om lekker te lunchen, een glaasje wijn te drinken en te dutten. Daar gaat toch iets verloren.

Dus ik met mijn parkeerkaartje op zoek naar Het Mannetje. In elke ondergrondse parkeergarage zit een Mannetje. Het type mannetje dat ze zelfs in Frankrijk liever ondergronds stoppen, en in Frankrijk wil dat wat zeggen.

Er was geen receptie voor de voetgangers, ik moest door een stoeploze tunnel naar beneden, opzij springend voor alles wat erin en uit kwam rijden, met mijn meest eloquente ‘Pardon, pardon’-hoofd. Daar zat Het Mannetje in zijn hok bij de slagboom. Ik riep door het glas dat de automaat het niet deed. Hij zuchtte – ik overdrijf niet – sloot zijn ogen en deed zijn wenkbrauwen omhoog en zo bleef hij even zitten. Na een tijdje opperde ik ‘Allo?’, en alsof hij daarop had zitten wachten pakte hij een draadloos pinapparaat en kwakte dat door het loketgat. Ik trok mijn iPhone, en begon te wapperen. ‘Non, introduisez votre carte!’, riep hij, nog net geen ‘imbécile!’ toevoegend. ‘Non non, sans contact’, wierp ik tegen.

Nu werd Het Mannetje oprecht boos. Ik moest niet denken dat ik met ‘les gadgets’ kon betalen, wat dacht ik wel. Ik protesteerde dat het in de Parijse parkeergarage wél had gewerkt.

Dát had ik dus niet moeten doen.

Want daar kwamen de woeste Franse armgebaren erbij. Wie ik wel niet dacht dat ik was, en we zijn hier niet in Parijs, monsieur. Ik wachtte gelaten tot de storm voorbij was, en zei toen: ‘Alors, je ne peux pas payer.’ Toen deed hij zijn schouders zo ver omhoog dat zijn hoofd op zijn borst leek te zitten, wierp zijn handen ten hemel, en keek mij al die tijd met wijdopen ogen aan. Het Franse gebaar voor: had dat dan eerder gezegd. Hij gaf mij een formulier dat blijkbaar al die tijd recht voor zijn neus had gelegen, kwam naast me staan, en keek geboeid mee hoe ik mijn adres invulde. ‘Ah, Amsterdam’, zei hij, alsof dat alles verklaarde.

Meer over