InterviewJE KUNT HET MAAR ÉÉN KEER DOEN

‘Ik moest hoop houden omdat ze een jonge, sterke vrouw was’

Beeld Krista van der Niet

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid nemen kan op veel manieren: hóé je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaan­den over het stervensproces van hun dierbaren.

Petra Knippels, (58, muzikante uit Drunen), overleed op 10 april aan de gevolgen van corona. Ze woonde vijftien jaar samen met brasserie-eigenaar Jos Voogt (58). Jos heeft drie zonen van 31, 22 en 20 jaar uit eerdere relaties.

Jos: ‘Eind 2018 ging Petra naar de huisarts omdat ze heel moe was. Twee dagen voordat we naar Japan op vakantie gingen, kreeg ze de uitslag van de hematoloog; ze had CLL, chronische lymfatische leukemie. Een bloedkanker waardoor je te veel witte bloedcellen maakt. Als je googelt zie je dat de levensverwachting vijf tot zeven jaar is. Sommige mensen leven er ook vijfentwintig jaar mee. Ze kreeg geen medicijnen. Het beleid was wait and see, wachten tot je klachten krijgt. We zijn toch naar Japan gegaan, het was een geweldig mooie reis. Daar hebben we besloten om het niet aan de grote klok te hangen. Als mensen weten dat je ziek bent, word je meteen als patiënt behandeld. Petra wilde geen patiënt zijn. Ze had geen andere klachten dan vermoeidheid.

We noemden elkaar duifje. Mensen vonden dat vertederend, maar voor ons was het normaal. We waren elkaars grote liefde. Petra was muzikante, ze trad op op feesten en partijen door heel het land met haar vader als roadie. We waren allebei net gescheiden toen we op een receptie waar zij optrad aan elkaar werden voorgesteld. Een paar weken later gingen we in een mooi restaurant in Waalwijk eten. We hadden zoveel raakvlakken, we hadden praat voor heel de wereld. Ik trok meteen bij haar in, ik ben nooit meer weggegaan. Petra kon in de tuin als een zwerver rondbanjeren, maar als we een uur later naar een receptie moesten, zag ze eruit als een koningin. Ze was slim, struis, en sociaal. Heel zorgzaam voor mij en mijn drie zoons. Ook voor haar hoogbejaarde ouders voor wie ze mantelzorger was.

Het coronavirus kwam in februari als een slagschip op ons af. Petra was vanwege haar onderliggende ziekte bang om besmet te raken. Met carnaval zijn we dit jaar voor het eerst nergens naartoe gegaan. Carnaval begon 23 februari en de eerste coronabesmetting was 27 februari in Loon op Zand, hier vlakbij. Op vrijdag 13 maart had Petra een begrafenis van de moeder van één van haar beste vriendinnen. Op de uitvaart werd al niet meer gekust of aangeraakt. Ik ging niet mee want mijn bedrijfsleider was op wereldreis gegaan, dus ik moest werken. De dinsdag daarna voelde Petra zich niet zo lekker en donderdag werd ze echt beroerd. Toen we zondag terugkwamen van een wandeling plofte ze op de bank en zei dat ze het verschrikkelijk koud had. Ik ging de thermometer even halen. Ze bleek 40 graden koorts te hebben. Ik belde de huisartsenpost. Ik moest bij de apotheek amoxicilline halen, een antibioticum voor luchtweginfecties.

Petra en Jos Beeld Privéalbum Jos Voogt

In dagen die erop volgden hoorden we dat iedereen die op die begrafenis was, ziek is geworden. Niemand kon worden getest want er waren al geen testen meer te krijgen. Alleen de schoonzoon van Petra’s vriendin werd getest omdat hij ambulanceverpleegkundige is. De test was positief.

Vrijdagmorgen was ze zó ziek, dat ze niks meer kon velen, alles deed zeer. Barstende hoofdpijn had ze. De huisarts kwam met een saturatiemeter, zo’n knijper op je vinger om je zuurstof te meten. Het zuurstofpercentage was 92 procent. ‘Dat is niet goed’, zei de huisarts, ‘ik laat haar opnemen.’ We gingen meteen naar het ziekenhuis in Den Bosch. Ze waren er net een tent aan het bouwen want ze wilden de triage buiten doen en niet meer ín het ziekenhuis. We moesten door de kelder, daar hadden ze een route gemaakt zodat besmette mensen niet in contact zouden komen met andere mensen. De arts zei: ‘U bent nog jong, dus we nemen u op. En als het moet kunt u naar de ic’. Er was geen paniek. Ze kreeg een neusmasker met zuurstof en medicijnen tegen malaria. Toen ik wegging heb ik haar gekust en sterkte gewenst.

De volgende dag kreeg ik een telefoontje dat Petra naar Den Haag werd gebracht omdat het te druk was in Den Bosch. Diezelfde nacht werd ik gebeld dat ze naar de intensive care werd overgeplaatst, daar konden ze haar beter in de gaten houden. Om half zeven ’s ochtends belde Petra mij met Facetime. Ik zag de paniek in haar ogen, ze was buiten adem. Ze vertelde dat ze geïntubeerd zou worden, dan wordt een tube in je luchtpijp geplaatst. Ze zei dat ze zou gaan strijden en dat ze thuis zou komen als de appelboom in bloei stond. Ze heeft na ons gesprek een filmpje laten maken door een verpleegster waarop ze zwijgend naar mij zwaait. Dat filmpje heeft ze alleen naar mij gestuurd. Naar zes vriendinnen stuurde ze een appje met de tekst: ‘Lieve vriendinnen, ik ga strijden. Zorg goed voor Jos.’ Om kwart over acht werd ze in slaap gebracht en aan de beademing gelegd. Toen ik ’s middags op bezoek kwam, lag ze aan allemaal apparaten, buiten bewustzijn.

De dag erna kwam de dienstdoende intensivist naar me toe: ‘We gaan uw vrouw verplaatsen naar Leidschendam, het wordt hier te druk.’ Ik zei: ‘Ze komt net uit Den Bosch, mijn vrouw is geen verhuisdoos.’ Hij overtuigde me dat ze in Leidschendam meer tijd hadden.

In het ziekenhuis in Leidschendam was het uitgestorven. De enkele verpleger die langsliep, zei niet eens goedendag. Alsof ik daar niet zat. Ik kreeg geen kopje koffie, niks. Dat zijn wij in Brabant niet gewend. Ik kreeg het gevoel dat zij dachten: er wordt hier zomaar een brabo heengebracht, daar zitten wij helemaal niet op te wachten. Zo voelde dat. Ik bedacht dat ik een charmeoffensief moest beginnen. De dag erop nam ik een hele grote doos met een kilo bonbons mee. Aan de binnenkant van die doos had ik laten schrijven: Bedankt voor jullie goeie zorgen, Petra. Dus elke keer als ze een bonbon namen, zagen ze dat staan. Op haar kamer schreef ik op het whiteboard dat boven haar bed hing: Ik ben Petra Knippels. De grote liefde van Jos. Bonusmama van Roel, Thomas en Joris. Baasje van Bink en Tommie. Bonusoma van James. Onze eerste kleinzoon was 21 februari geboren en ik had het geboortekaartje er ook bijgestoken. En ik had een grote foto van Petra opgehangen. Ze moest Petra zijn, niet een anonieme coronapatiënt, het zielige hoopje mens dat daar lag. Het hielp, ze gingen ons ‘Jos’, en ‘Petra’ noemen.

Het ging de dagen erna snel bergafwaarts; suiker niet goed, de nieren hielden ermee op, haar hart sloeg op hol. Ze kreeg een ziekenhuisbacterie. Ik bleef positief, ik moest wel. Ze zeiden ook tegen mij dat ik hoop moest houden omdat ze een jonge, sterke vrouw was.

Op Petra’s verjaardag, op 9 april, kwam de intensivist met tranen in haar ogen naar me toe: ‘We staan met onze rug tegen de muur. Je kunt het nog aankijken, maar ze komt hier nooit meer levend vandaan.’ ‘Toch niet op haar verjaardag?’, vroeg ik ‘doe het dan alsjeblieft morgen’. Mijn drie zonen zijn de volgende dag meegegaan. We stonden om haar heen, gehuld in blauwe pakken met mutsen en mondkapjes. Nadat alle apparatuur was afgekoppeld, heeft ze nog vier minuten geleefd. Ze ging heel rustig. Toen ze thuiskwam stond de appelboom in bloei. Precies zoals ze gezegd had. Alleen leefde ze niet meer.’

Van Barbara van Beukering verscheen onlangs het boek ‘Je kunt het maar één keer doen: een persoonlijke zoektocht naar sterven, het grootste taboe in ons leven.

Meer over