Die ene meldingWijkagent Andrea den Heijer

‘Ik loop met een kankergroot mes’

In ‘Die ene melding’ interviewt Wil Thijssen politiemensen over de gebeurtenissen na een specifieke melding die hun kijk op het vak ingrijpend hebben veranderd. Wijkagent Andrea den Heijer trok zich te zeer het lot van een ex-tbs’er aan.

Wil Thijssen
null Beeld Anne Stooker
Beeld Anne Stooker

‘Anderhalf jaar geleden kreeg ik het verzoek contact te leggen met een tbs’er die onverwacht was vrijgekomen en in mijn gebied kwam wonen. Ik ging naar het adres, zijn broer deed open. ‘Ik ben de wijkagent en kom kennismaken met Leroy’, zei ik. Boven in het pand woonden ze met z’n tweeën, in een piepklein zolderkamertje met een tweepersoonsbed waarin ze samen sliepen. Want door de plotselinge invrijheidstelling had deze tbs’er nog geen woning.

‘Leroy lag op bed: een grote jongen van midden 30, met lange dreadlocks en gouden tanden. ‘Ik ben hier om je te begeleiden’, zei ik. ‘Hulpverleners helpen je zoeken naar werk en een woning, en ik ben er als je bijvoorbeeld last hebt van je buren.’ Ik was nieuw in deze Haagse wijk en had visitekaartjes laten drukken met het algemene politienummer erop. Ik schreef mijn mobiele werknummer erbij en zei dat hij me kon bellen als er iets was.

‘De eerste weken bleef het rustig. Soms ging ik bij hem langs. Hij had een eigen kamer in het pand gekregen. Echt een bezemkast: er kon een bed staan, verder niks. Er zat geen raam in. Dat kostte hem 300 euro per maand. Ik vond dat eigenlijk niet kunnen.

‘Een paar weken later belde hij: ‘Ik word gek in dit kamertje. Ze helpen me niet, ik steek alles in de fik.’ Ik ging hem kalmeren. Later belde hij weer: ‘Het schiet niet op, ik ga mensen neersteken.’ Hij had natuurlijk een achtergrond hè, je krijgt niet zomaar tbs, dus hem kalmeren vond ik best spannend.

‘Ik kaartte het aan bij de hulpverlening: doe iets, die woonruimte wordt een trigger voor hem. Maar ze konden geen huis toveren, de wachtlijst voor begeleid wonen is lang. Ik begreep Leroy wel: je wordt knettergek zonder doel in zo’n hokje zonder daglicht.

‘Na de dreigementen zeiden zijn hulpverleners: ‘Als jij hier stennis schopt, helpen wij jou niet.’ Tegen mij werd gezegd: ‘Andrea, jij hebt goed contact met hem, hou jij hem een beetje rustig.’ Ik dacht toen: o, dat doe ik dus goed; de hulpverlening krijgt geen band met hem en ik wel. Ik ging zelfs in gesprek met zijn psychiater om te kijken: hoe nu verder?

‘Negen maanden bleef het bij dreigen, altijd tegen anderen. Maar toen sloeg het om. Hij ging me buiten werktijden bellen en begon ook tegen mij te schelden. Ik heb een dochtertje, zij hoorde hem door de telefoon schreeuwen en zei: ‘Mama, dat vind ik eng.’ Achteraf denk je: ik ging er veel te ver in mee.

‘Op een dag fietste hij me tegemoet. ‘Aan jou heb ik niks’, riep hij. ‘Ik ga je neersteken!’ Omstanders stonden te kijken. ‘Kappen nou, Leroy’, zei ik. ‘Hier ben ik niet van gediend.’ ‘Dat interesseert me niet’, schreeuwde hij, ‘als ik weer moet zitten, heb ik een grotere ruimte dan nu.’

‘Ik kreeg er de zenuwen van, hoewel ik dacht dat dit niet zozeer tegen mij was gericht, maar tegen zijn uitzichtloze situatie. ‘Kort daarna stuurde hij een appje: ‘Ik loop met een kankergroot mes, en jij bent de eerste die het gaat zien, vuile kankerhoer.’ Ik liet het een collega lezen, die ermee naar de teamleiding stapte. De leiding verbood me nog langer contact met hem te hebben en zei dat ik aangifte van bedreiging moest doen.

‘Op een middag liep Leroy ons bureau binnen, hij vroeg naar mij. Ik kwam naar beneden. Hij deed zijn jas open, we schrokken ons allemaal dood, er zat een groot vleesmes in zijn broeksband. ‘Dit kan écht niet’, zei ik, ‘laat je handen zien, mijn collega’s gaan nu dat mes van je afpakken.’ Ze begeleidden hem naar huis. Na mijn aangifte heeft een arrestatieteam ’s nachts zijn deur eruit gebeukt en hem aangehouden. Daardoor zit hij weer vast, hij heeft de voorwaarden voor zijn invrijheidstelling geschonden.

‘Van dit incident heb ik geleerd dat niet iedereen valt te redden. Ik ging er vol voor, ik dacht: ik help die man terug de maatschappij in. Maar als de omstandigheden niet meewerken, is dat niet te doen. Ik ben anders naar de hulpverlening gaan kijken, die het probleem bij mij neerlegde. Ik trok me het lot van Leroy aan, begreep zijn frustratie, maar als ik ooit weer zo’n melding krijg, pak ik niet meer op wat hulpverleners laten liggen. En zij zijn ook weer afhankelijk van omstandigheden, zoals die lange wachtlijsten. Het hele systeem schiet tekort.

‘En ik geef wijkbewoners mijn mobiele nummer niet meer. Sommige wijkagenten doen dat wel. Dat moet je zelf beslissen, daar is bij de politie geen handleiding voor.

‘Leroy heb ik geblokkeerd, hij kan me niet meer bellen. Laatst kwam ik zijn broer tegen. Hij vertelde dat het goed gaat, nu zijn broer weer structuur heeft. Ik zei alleen: ‘Doe hem de groeten.’’

De naam Leroy is om privacyredenen gefingeerd.

Meer over