ColumnNico Dijkshoorn

Ik heb enkele van de mails die bestemd waren voor dierendokter Dijkshoorn beantwoord

null Beeld
Beeld

Enkele dagen geleden ontving ik een mail van drie keer scrollen over het zo humaan mogelijk afschieten van dieren. Het ging om herten in het bijzonder. Ik wist niet zo goed wat ik ermee aan moest. Hoe kwam die man – want het was een man – bij mij terecht? Ik heb in het verleden weleens iets geschreven over het per ongeluk elektrocuteren van een bever die Arie heette, maar dat was al lang verjaard.

In de mail werd mij woedend uitgelegd dat je dieren een natuurlijke dood moest laten sterven en hoe ik het dan zou vinden als ik ergens in een boekwinkel aan de kaft van een roman stond te ruiken en dat ze me dan tussen mijn schouderbladen zouden schieten. Hè. Nou? Wat had ik daarop te zeggen? Dan had ik opeens niet meer zo’n grote bek hè, als ik met met een gat in mijn rug vlak naast de nieuwe roman van Leon de Winter lag en me aan mijn handen naar de uitgang probeerde te trekken. Lafbek dat ik was.

Dit kwam mij bekend voor. Ik werd weer eens met een andere Nico Dijkshoorn verward. Jaren geleden was dat een dierenarts in Zeist, die eiste dat ik onder een andere naam ging schrijven, omdat hij in zijn praktijk steeds werd aangesproken op columns die hij helemaal niet had geschreven. Ik heb hem toen geantwoord dat het voor mij ook niet makkelijk was. Bij mij stond er drie keer per week iemand met een zieke eend voor de deur.

Ik geef hier eerlijk toe dat ik enkele mails die voor dierendokter Dijkshoorn bestemd waren, heb beantwoord. Een vrouw die mij vroeg of het kwaad kon als het konijn van de kinderen zich steeds in haar hand wilde bevredigen, raadde ik aan schuurpapier om haar hand te wikkelen. ‘Konijnen rammen hem normaal gesproken dwars door een gipswand, maar schuurpapier, daar zijn ze niet dol op.’ Een andere vraag – kan het kwaad als mijn dwergpapegaai groeit? – beantwoordde ik kort en krachtig met ‘Ja’.

Ook nu was de verleiding te groot. Dit moest dan weer een andere Nico zijn, maar wat maakte het uit. Ik was er tenslotte ook een, dus dat was om lood om oud ijzer. Als die man maar antwoord kreeg. Ik schreef: ‘Beste Danny, ik wil toch even reageren op je mail. Daarin staan een paar onjuistheden. Je gaat er ten onrechte van uit dat herten niet graag worden neergeschoten. Dat is een misverstand. Herten vragen erom. Die zijn het gewoon ook weleens allemaal beu.

‘Omdat ze maar enkele woorden kunnen spreken, zoals graafmachine, papierversnipperaar en eierwekkertje, waar ze verder dus niet zo heel veel aan hebben omdat herten geen eieren koken, is daar soms enige onduidelijkheid over, maar iedereen die een hert diep in de ogen kijkt, ziet het doodsverlangen. Herten hebben weinig keuze. Wij kunnen ons dood huilen in een huisje op de Veluwe, maar herten moeten kiezen: plotseling voor een auto springen of net doen alsof ze niks te eten hebben en dan maar hopen op het genadeschot.

‘Een mens kan ergens halverwege december besluiten dat hij de gezelligheid niet meer aankan, maar een hert heeft geen plafond en touw. Ik hoop dat we elkaar nu wat beter begrijpen.’

Die mail is niet verstuurd. Ik ben tenslotte de laffe Nico Dijkshoorn.

Meer over