100 jaar

‘Ik heb besloten niet naar Oekraïne te gaan om te vechten’

Pierre Zeevaarder is evenals de Volkskrant 100 jaar. Hoe kijkt deze globetrotter en gepensioneerde KLM-manager aan tegen de afgelopen eeuw en hoe ziet hij het huidige tijdsgewricht?

Marjon Bolwijn
Pierre Zeevaarder: 'Ik heb mijn best gedaan trouw te zijn aan anderen en aan mijn principes.' Beeld Harry Cock
Pierre Zeevaarder: 'Ik heb mijn best gedaan trouw te zijn aan anderen en aan mijn principes.'Beeld Harry Cock

Pierre Zeevaarder heeft een groot deel van zijn leven over de wereld gezworven. Zijn eerste reis was geheel onvrijwillig. De herinneringen daaraan komen door de oorlog die Rusland in Oekraïne voert weer naar boven. De bijna 101-jarige inwoner van het Friese dorpje Haskerhorne weet zich in zijn woonkamer omringd door goed gevulde boekenkasten en voorwerpen uit de landen waar hij voor zijn werk neerstreek. De verhalen die hij erover vertelt, zijn doorspekt met zinnen in het Hongaars, Arabisch, Engels en Fries. Zijn talenknobbel zette hij na zijn pensioen in om tot zijn 92ste te kunnen doorwerken, eerst vier jaar als docent Engels op een lyceum in Buitenpost, daarna als tolk/vertaler. Zeevaarder is dus eigenlijk nog maar net écht met pensioen.

Mooie naam, Pierre Zeevaarder.

‘In mijn jeugd ben ik een keer achterop de fiets met mijn vader vanuit Den Haag naar Dussen in Noord-Brabant gereisd, waar een verre voorvader vandaan kwam. We gingen de kerkboeken bestuderen en ontdekten dat de eerste Zeevaarder in 1723 was opgetekend. Hij was gaan varen en kreeg bij thuiskomst deze achternaam.’

Hoe ziet uw gemiddelde week eruit?

‘Ik sta om 10 uur op, want dan komt de thuiszorg, en ga rond 1 uur ’s nachts naar bed. Ik luister graag naar klassieke muziek, radio 4 staat altijd aan. En ik lees veel: de krant, NRC, en boeken, momenteel 21 lessen voor de 21ste eeuw van Yuval Noah Harari en voor daarna ligt De dood in Taormina van Arnon Grunberg klaar. Ook raadpleeg ik regelmatig Het Schaakopeningenboek.

‘Als kind heb ik van mijn opa, een rechtzinnig hervormde dominee, leren schaken en ik doe het nog elke dinsdag, de ene week bij mijn schaakvriend, de andere week bij mij. Verder ga ik twee keer in de week bridgen. Het leuke van bridgen op deze leeftijd is ook dat je nog nieuwe mensen leert kennen en nieuwe vrienden maakt. Want verder is het alleen maar verlies. Ik ken alle crematoria in de omgeving.’

U moet nu opnieuw meemaken dat er oorlog is in Europa.

(Gekscherend:) ‘Ik heb besloten niet naar Oekraïne te gaan om te vechten.’ (Serieus:) Ik ben er tijdens de Tweede Wereldoorlog al geweest en hoef er nooit meer heen. Ik hoop van harte dat de Russen uiteindelijk in het zand bijten, maar ik heb er een hard hoofd in. Ze hebben een enorm groot leger en zijn gewend zich te behelpen. Een Derde Wereldoorlog lijkt mij niet onmogelijk.’

Wat vindt u van de opstelling van West-Europa?

‘Veel te slap. Ze hadden meteen na de inval van Rusland moeten zeggen: er valt een kernbom op het Kremlin als jullie je niet onmiddellijk terugtrekken. Dat is de enige manier om de machtswellusteling Poetin af te schrikken want een andere taal verstaat hij niet. Als het hem lukt Oekraïne te overmeesteren gaat hij door: Estland, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Bulgarije. Dat Poetin zich bedreigd voelt door de Navo kan ik mij wel voorstellen, maar hij weet niet wat wij weten: dat het niet nodig is.’

Hoe raakte u tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oekraïne verzeild?

‘Ik was in Den Haag actief in het verzet, en hielp ondergedoken Joden aan voedsel. In 1943 ben ik na marteling van een opgepakte oude Joodse vrouw in handen van de Gestapo gevallen. Na urenlange verhoren onder fel tl-licht, waarin de Gestapo om onderduikadressen vroeg, stapte een Nederlandse politiechef die bevriend was met mijn vader, mijn cel binnen. Hij adviseerde mij bij het volgende verhoor te zeggen dat ik voedselbonnen voor Joden had verkocht en van de opbrengst feest had gevierd. Ik wilde niet liegen, maar voerde de volgende dag toch een show op, ze trapten erin en zo kreeg ik een lichtere straf: geen strafkamp maar dwangarbeid in Letland.

‘Nadat de Russen op 5 mei 1945 ons kamp bevrijdden, ontvoerden ze mij en een stel anderen. Ze namen ons onze laatste bezittingen van ons af, zelfs mijn klarinet die ik al die tijd had meegesjouwd. De Russische soldaten lieten ons door Litouwen naar Memel lopen. Daar werden we in een kamp ondergebracht.

‘Na een maand werden we op een trein gezet naar Oekraïne, dat toen deel was van de Sovjet-Unie, waar we te werk gesteld werden. Eten gaven ze ons niet tijdens de reis. ‘We zijn bondgenoten tegen de nazi’s,’ protesteerde ik. ‘Niets mee te maken’, was het antwoord. In februari 1946 waren we voor een volgende klus ondergebracht in een ommuurde school, vlakbij de Hongaarse grens. Ik waagde het erop en wist te ontsnappen.’

Hoe bent u erin geslaagd veilig Nederland te bereiken?

‘Ik ben vijf maanden onderweg geweest, grote delen te voet door Hongarije, sommige afstanden reisde ik zwart met de trein. Als we een stad naderden stapte ik uit, zodat ik er met een grote bocht omheen kon lopen, om Russische patrouilles te ontlopen. Mijn geluk was dat ik onderweg hulp van veel goedwillende Hongaren kreeg.

‘De eerste was de vrouw van een smid in het eerste dorp dat ik tegenkwam na mijn ontsnapping. Ik klopte aan en zij zag hoe vervuild ik was en maakte een warm bad voor mij klaar, gaf mij te eten en een bed waar ik die nacht kon slapen. In een ander dorp kreeg ik een maand onderdak bij een jonge vrouw die ik op de markt ontmoette, en haar moeder. Weer aangesterkt zei ik bij mijn vertrek: köszönöm szépen, ‘hartelijk dank’ in het Hongaars.

‘Weken later, verder westwaarts in Hongarije, liep ik door een buitenwijk toen ik plotseling een patrouille Russische soldaten zag aankomen. Snel dook ik een zijstraat in en belde aan bij een woning. De man die opendeed en mij binnen liet, bleek Nederlands te spreken. Het was de Hongaarse violist Bela Kiss, die voor de oorlog een tijd in Nederland had gewoond. Samen met mijn moeder had ik wel eens een concert van hem bijgewoond.

‘Met de hulp van een heilsoldate van het Leger des Heils bij de grens met Oostenrijk, heb ik uiteindelijk de Amerikaanse zone in Oostenrijk weten te bereiken, waarvoor ik eerst een sterk stromende rivier moest overzwemmen. Uitgeput klauterde ik de oever op. Verderop in het bos hoorde ineens ‘Hands up’. Het waren Amerikaanse soldaten. Na een verhoor boden ze mij een biertje in een café aan, ik vroeg om iets non-alcoholisch en kreeg een mij onbekend bruin drankje: mijn eerste Coca-Cola. In het café liep ineens een mooie blonde vrouw langs. Dat bleek Marlène Dietrich te zijn, die ’s avonds voor de soldaten zou optreden. Helaas mocht ik er niet bij zijn.’

Had u voor de oorlog een jongensdroom en kon u die daarna nog waarmaken?

‘Die had ik niet. Toen ik in juli 1946 thuiskwam en met mijn ouders aan tafel zat, vroeg mijn vader: wil je gaan studeren? Nee, zei ik, ik ben nu 25 jaar, dat vind ik te oud. Ik ben gaan solliciteren en na een paar weken had ik een baan bij de KLM. Na een interne opleiding van drie maanden kwam ik op de afdeling dienstregelingen in Aziatische landen terecht.

‘Dankzij mijn werk ontmoette ik mijn vrouw, Henriëtte Verschoor, die op de ambassade van Pakistan in Den Haag werkte, we trouwden in 1953. Tot aan mijn pensioen in 1980 heb ik bij de KLM gewerkt. In uiteenlopende landen ben ik een paar jaar gestationeerd als districtsmanager, zoals in Frankrijk, Indonesië, Maleisië, Kenia en in politiestaten als Birma en Irak onder Saddam Hoessein.’

Hoe ervoer u leven en werken in deze politiestaten?

‘Toen ik in 1962 in de hoofdstad van Birma aankwam, was er kort ervoor een militaire coup gepleegd. Je voelde de angst van de bevolking. Wie kritiek uitte, belandde in de gevangenis. Ik moest zelf ook voorzichtig zijn en goed weten wie ik voor mij had. Zo was er een agent van een reisbureau die ons het passagiersgeld niet betaalde. Hij was een grote man binnen de regerende partij. Omdat ik mijn eigen veiligheid belangrijker vond, ben ik de man niet achterna gereden toen hij er met het geld vandoor ging. Wel heb ik zijn voorraad vliegtickets van de KLM in beslag genomen.

‘Ook in Irak moest ik goed oppassen. Op bijeenkomsten van de club voor expats kreeg ik tips over waar ik beter niet naartoe kon gaan, en wie gelieerd was aan Hoessein. Nepotisme leefde er sterk. Zo kreeg ik op een gegeven moment de opdracht een bepaalde employee op mijn kantoor, lid van Hoesseins partij, te bevorderen, maar daar had ik helemaal geen zin in. Ik besloot hem over te plaatsen naar het vliegveld.’

Is er een gebeurtenis in uw leven waarvan u achteraf denkt: dat had ik anders moeten doen?

‘Een mens moet niet bezig zijn met spijt. Sa sil it wêze. Fries voor: Zo zal het zijn.’

Herdenkingsplek voor Pierres overleden vrouw Henriëtte. Beeld Harry Cock
Herdenkingsplek voor Pierres overleden vrouw Henriëtte.Beeld Harry Cock

Bent u ooit van politieke kleur veranderd?

Nee, nooit. Ik heb altijd CDA gestemd, en voordat het CDA werd opgericht CHU.

Ook de crisis in het CDA, en hoe is omgegaan met Pieter Omtzigt, heeft u niet van gedachten doen veranderen?

‘Nee. Omtzigt is een goede vent en het CDA is dom met hem omgegaan, maar ik blijf op deze partij stemmen. Trouw vind ik een belangrijke waarde in het leven. Als je trouw bent, weten anderen op wie ze kunnen rekenen, dan krijg je een evenwichtige bevolking in een veilige samenleving waarin mensen goed kunnen samenwerken. Zelf heb ik mijn best gedaan trouw te zijn aan anderen en aan mijn principes.’

Wat is uw belangrijkste levensles?

(Na een denkpauze, met gesloten ogen:) ‘Ik heb geleerd dat je als goed christen met de medemens moet omgaan, of ze nu boven of naast je staan, zowel zakelijk als privé. Daar versta ik onder dat je ervoor moet zorgen dat je een ander niet beledigt of beschadigt.’ Lachend: ‘Zo word je heel oud.’

Zodra het gaat schemeren en de terugreis moet worden aangevat, biedt Pierre Zeevaarder een lift aan naar het station van Heerenveen.

U rijdt nog auto?

‘Ja, natuurlijk’, klinkt het, alsof dat een vanzelfsprekende zaak is. ‘Lopen gaat niet meer zo best, dankzij de auto kan ik naar mijn schaakvriend en de bridgeclub. En naar mijn zoon in Zwolle. Aan Amsterdam, waar een van mijn dochters woont, waag ik mij niet meer. Vorig jaar zijn tijdens een keuring mijn gezichtsvermogen, gehoor en reactievermogen goed bevonden, en is mijn rijbewijs met nog eens vijf jaar verlengd.’(Trekt een kolderiek gezicht:) ‘Een 80-jarige die dit leest zal misschien denken: dat is ónverantweurd.’

Pierre Zeevaarder

Geboren: 11 maart 1921 in Amsterdam
Woont: zelfstandig, in Haskerhorne
Beroep: manager bij KLM, leraar Engels, tolk/vertaler
Familie: twee zoons (een vorig jaar overleden), twee dochters, twee kleinkinderen
Weduwnaar: sinds 2013