interviewMart Hoogkamer

‘Ik heb altijd gedacht dat Nederland mij op een dag zou kennen’

Mart Hoogkamer Beeld Marie Wanders
Mart HoogkamerBeeld Marie Wanders

Zanger Mart Hoogkamer scoorde een hit, zat in een documentaire, kreeg de optredens en de aandacht waar hij als kind van droomde, en met die triomfen is ineens alles anders. ‘Sinds ik succes heb, ben ik het liefst thuis, helemaal alleen. Stom hè?’

Gidi Heesakkers

Als de bel gaat is Mart Hoogkamer (23) net voor de zoveelste keer dit jaar de ontstaansgeschiedenis van zijn zomerhit Ik ga zwemmen aan het opdissen. Het decor van dat verhaal: een groepje artiesten is begin 2020 bijeen in een vakantiehuis in Zeeland om nummers te schrijven. Het is ‘bloedjemooi weer’, organisator Lange Frans is een van de aanwezigen die buiten in het zwembad ligt.

Zelf zit Mart Hoogkamer binnen, samen met producer Emmanuel Freeman. Die heeft net geconstateerd dat hij nog wel een feestnummer kan gebruiken. ‘Dus ik hoor op de achtergrond Ik meen ’t van André Hazes. De ijskast staat open, ik zie een halflege fles Bacardi Lemon van de avond ervoor staan. De producer maakt een melodie, en ik zing naar hem: ‘Ik ga zwemmen, in Bacardi Lemon.’ En terwijl ik dat doe komt mijn manager binnen, zichzelf half afdrogend, en hij zingt voor de grap: ‘Een echte tijger is niet te temmen’.’

‘Wacht, daar zal je hem net hebben’, zegt Hoogkamer nu, en hij sprint over het hoogpolige tapijt naar de voordeur van zijn appartement in Leiden. ‘Meneer de manager! Dag Rob!’

– ‘Hé vriend.’

‘Hallo vriend.’

Robert-Jan Schipper (45) vindt manager een vervelend woord, zal hij later zeggen. Sinds vier jaar helpt hij Hoogkamer ‘met van alles’. ‘Ik ben zijn begeleider. Steun, toeverlaat, chauffeur, beveiliger, vriend, vader, moeder, neef. Alles in één.’

Eerst nog het staartje van de ‘Ik ga zwemmen’-sage waarin Hoogkamer volgens de overlevering tegen de rest van het gezelschap zegt: ‘Wat lopen jullie nou te lachen? Dit is een hit hè, jongens! Ik weet niet of het serieus wordt genomen bij de radio, maar dit is een nummer dat heel Nederland gaat zingen in de kroegen. Geloof me nou!’ Als ook Lange Frans en Rob van Zuilen zich met de tekst bemoeien, is het binnen een half uur gepiept. De caféknaller over in zoete drank gedrenkte seksuele spanning is af:

Ik ga zwemmen in Bacardi Lemon
Een echte tijger is niet te temmen
Ik ga zwemmen in Bacardi Lemon
Je kijkt me aan
Wat doe je met me?

Zijn platenbaas stond er eigenlijk niet achter, vertelt Hoogkamer. ‘Achter dat hele Ik ga zwemmen niet.’ Intussen is het nummer op Spotify meer dan 23 miljoen keer beluisterd, de clip is bijna 10 miljoen keer bekeken op YouTube. Eind augustus stond Hoogkamer op één in de Top 40 en de Single Top 10. Mede hierdoor kijkt hij uit naar twee concerten in Ahoy, op 8 en 9 april 2022.

Gemiddeld treedt hij tien keer per week op, al stond daar begin december door de coronamaatregelen weer de rem op. Eén show ging door, vlak over de grens in het Duitse dorp Uelsen. Daar golden begin december andere regels en stond hij om één uur ’s nachts op het programma van een door Nederlanders georganiseerd evenement, Het Foutste Sinterklaasfeestje.

De hoofdact ligt in afwachting van dat optreden deze vrijdagochtend op zijn gigantische U-vormige fluwelen bank. Bijna twee jaar woont hij hier, 700 meter van het ouderlijk huis vandaan. De al even gigantische televisie staat altijd aan, het hele gesprek zingt René Froger zachtjes op de achtergrond. Rechts van de tv een joekel van een versierde kunstkerstboom met een Gucci-tas eronder – een cadeautje van vriendin Jennifer; eigenlijk geen verrassing meer, want in die tas zit een riem. Links van de tv moet zo’n zelfde kerstboom komen, want Hoogkamer houdt van symmetrie.

‘Dat heb ik van hem’, zegt hij, knikkend naar Robert-Jan – gebruind gezicht, strak knotje, tattoos. Die heeft zijn schoenen uitgedaan, is met zijn donsjas aan op de bank gaan zitten en zegt: ‘Ik heb thuis ook van alles twee. Dat moet.’ De kleine tuin heeft Hoogkamer zelf bestraat met vrienden: na het praktijkonderwijs werkte hij anderhalf jaar mee met zijn vader als stratenmaker.

Ik ga zwemmen is niet het type liedje dat hij gewend is te zingen. Zijn hart ligt bij Hazes, zegt hij, bij nummers als Ik kan je niet vergeten. Toen hij op zijn 17de auditie deed voor Holland’s Got Talent, de talentenjacht op RTL 4 waarin hij de finale haalde en als tweede eindigde, zong hij Zij gelooft in mij.

Maar een hit is een hit, en een artiest heeft hits nodig. ‘Ik zie het als een hoempapaliedje. Een liedje waar iedereen lekker op gaat, da’s óók knap. Hazes had ook Zomer. Maar het is niet Eenzaam zonder jou, wat ik een van zijn allermooiste nummers vind.’

Ook het nummer dat hij een paar weken geleden uitbracht is vrolijk, uptempo. ‘Neem er één van mij klinkt in mijn oren lekkerder dan Ik ga zwemmen. Je kunt moeilijk op een groot feest met 15 duizend man alleen maar tranentrekkers zingen. Maar uiteindelijk wil je niet Snollebollekes worden.’

Schipper: ‘Niet de feestartiest. Ik ga zwemmen heeft niks met zingen te maken.’

Hoogkamer: ‘Nee.’

Schipper: ‘Het is lekker, scoren met zo’n nummer, en nog zo eentje is ook lekker. Maar hij kan zó mooi zingen, ik vind het zonde van zijn kwaliteit.’

Hoogkamer: ‘Mijn concert in Ahoy, dat wordt een concert met een lach en een traan.’

Die lach en traan zitten ook in bijna al zijn tv-optredens. De goedgekamde, glimmende glimlachjongen vertelde de afgelopen periode geregeld over zijn instabiele thuissituatie en de moeizame band met zijn vader, die ook Mart Hoogkamer heet. In september was hij in tranen in de talkshow van Johnny de Mol. Hij was er te gast vanwege de documentaire die Arjen Sinninghe Damsté over hem maakte, een film die in première ging op het Nederlands Filmfestival en een paar weken later op NPO 3 werd uitgezonden.

In Van vader op zoon is te zien dat Mart Hoogkamer senior ooit een kindster was in het levensliedgenre. Toen hij de baard in de keel kreeg, werd zijn carrière in de kiem gesmoord en was het snel voorbij met de roem. Ook Marts jongere broertje Luciano wil zingen. De droom die hun vader had, maakt Mart Hoogkamer met reuzenstappen waar, met alle spanning van dien die dat soms teweegbrengt.

In de documentaire treedt zijn vader weer eens op, en belt senior vlak voor hij op moet met junior om zichzelf te kalmeren. ‘De omkering is volkomen: de vader is de zoon, de zoon de vader’, schreef Frank Heinen in de Volkskrant.

‘Zo hoort het niet’, zei Hoogkamer zelf over dat moment bij Johnny de Mol, met natte ogen. Wat die emoties betreft: ‘Ik ben een pure jongen, en ik ben blij dat ik zo ben opgevoed. Je kunt wel doen alsof iets je niet raakt, maar dat zien mensen en dat keert zich tegen je. Wij gaan niet schijnheilig zitten doen. Mijn moeder en mijn vader hebben zich nooit geschaamd, voor niks en niemand. Ook niet voor de situatie thuis.’

Mart Hoogkamer senior verliet zijn gezin in het verleden geregeld, om na een paar weken of maanden weer thuis te komen. Waar hij dan had uitgehangen, heeft zijn zoon nooit geweten. ‘Ik heb het hem weleens gevraagd, maar hij zegt het niet. Je bent gewoon bang dat je wordt gebeld en te horen krijgt dat je vader dood op straat ligt.’

Stress is zijn vaders grootste valkuil. ‘Mijn vader kan niet omgaan met druk, of het nou een optreden van mij is of een wedstrijd van het Nederlands elftal. Dan gaat-ie zich ergeren, zenuwachtig doen, ruzie zoeken met mij of mijn moeder. Vervolgens grijpt-ie naar de drank, en heeft-ie een reden om weg te gaan, zichzelf weer even te verstoppen voor de ellende.

Mart Hoogkamer Beeld Marie Wanders
Mart HoogkamerBeeld Marie Wanders

‘Het gaat op dit moment gelukkig goed met hem, ik ben ook goed met ’m, we spreken elkaar elke dag. Maar voor zo’n telefoontje zal ik altijd bang blijven, omdat ik weet dat hij zichzelf niet altijd onder controle heeft. Onbewust ben ik daar toch mee bezig, dat het kan gebeuren dat ik een kwartier voor een optreden te horen krijg dat mijn vader is afgevoerd met een ambulance. Zo is het weleens gegaan.’

Op het podium zet hij als het moet een masker op, zegt Hoogkamer. ‘Want die mensen hebben een kaartje gekocht en verdienen kwaliteit; iemand die staat te vlammen. Maar als het optreden is afgelopen straalt het weer van mijn gezicht af.’

Schipper: ‘Niemand ziet dat. Ik zie het wel, als hij de auto instapt. Dan gaan we weer verder met schelden en schreeuwen en doen. Echt bizar is dat verschil hoor, soms.’

Hoogkamer: ‘Ik vind dat het de ouwe Hazes sierde dat hij zijn mindere eigenschappen niet verstopte. Het land hield van hem omdat hij zo’n eerlijke man was. Daaraan neem ik een voorbeeld.’

Schipper: ‘Hij is heel eigenwijs. Hij moet oefeningen doen voor zijn stem, bubbelen, en hij heeft een puffertje. Dat ligt al een week of twaalf in mijn auto, onaangeraakt. Je kunt wel zeggen dat hij het moet doen, hij doet het toch niet. ‘Moet je nog bubbelen?’, zeg ik dan, maar hij gaat gewoon op zijn telefoon verder.’

Hoogkamer: ‘Vroeger was ik ook stronteigenwijs, maar toen ik nog thuis woonde had ik geen andere keus. Mijn vader was streng. Bij ons in de woonkamer stond een geluidsinstallatie met een microfoon. Ik moest oefenen, ook als ik geen optredens in het vooruitzicht had. Dat is misschien wel de reden dat ik die oefeningen nu vaak niet wil doen.

‘Mijn vader hamerde er steeds op dat ik vanuit mijn buik moest zingen. Moest ik op de grond gaan liggen met een paar boeken op mijn buik, zong ik een liedje, Mama van Hein Simons. Dan dacht ik dat ik het perfect had gedaan, maar nee, het moest opnieuw. ‘Denk aan die laatste uithaal.’ Ja, dan denk je als kind weleens: stoot nou maar een keer je teen. Maar ik ben hem er ook dankbaar voor. Ik heb het zelf moeten doen, maar hij heeft me deze kant op gestuurd.’

Berichten die hij via Instagram kreeg van mensen die de film zagen en zich in zijn thuissituatie herkenden, hebben hem verrast. ‘Ze schreven dat ze hetzelfde probleem hebben, met hun moeder, hun vader of hun man. Dat had ik nooit verwacht. Ik heb nooit iemand gekend die ook maar een beetje in hetzelfde schuitje zat als ik. Ja, mijn vader zelf.’

Zijn moeder heeft hem ‘de andere kant’ laten zien, zegt hij. ‘Zij is niet van de drank, de drugs, die dingen. Ik heb haar pijn gezien, dus ik weet dat ik nooit zal doen wat mijn vader heeft gedaan: zuipen, ruziemaken, weggaan bij zijn gezin, vijf weken of zes maanden later proberen terug te komen.’

Begrijpt hij waarom zijn ouders toch telkens bij elkaar terugkwamen? ‘Ja. Ze houden van elkaar, maar ze haten elkaar ook. In mijn ogen was dat normaal, tot ik bij mijn schoonouders kwam. Daar was stabiliteit en rust. Bij ons thuis hing vaak een gespannen sfeer. Mijn vader ging om half 6, 6 uur zijn bed uit, en dan was het altijd maar kijken met welk humeur hij om 5 uur thuiskwam. Ik was altijd bang dat hij weer bij ons weg zou gaan.’

Hij heeft het erover gehad met zijn moeder, waarom ze bij hem bleef. ‘Zij deed het ook voor ons, ze wilde dat wij opgroeiden met een vader en een moeder. Ik heb ze ook het allerliefst bij elkaar. Als mijn vader nuchter is, is hij de leukste en liefste man van de wereld. Nu zijn ze niet meer samen, ze leven niet meer samen, maar er is ook geen ruzie.’ En ze zullen er allebei zijn, in april in Ahoy, dat weet hij zeker. ‘Mijn vader gaf mij nooit complimenten. ‘Trots op je, pikkie’, dat zei hij wel, maar niet dat ik goed zong. De laatste maanden zegt hij dat wel.’

Mart Hoogkamer Beeld Marie Wanders
Mart HoogkamerBeeld Marie Wanders

Hij heeft het zijn overleden opa Fred beloofd, zegt hij. ‘Dat ik het ga maken voor de familie. En om geschiedenis te schrijven. Dat is me al aardig gelukt.’ Grinnikt: ‘Met één kuthitje.’ Hij moet even nadenken hoeveel jaar het is geleden dat zijn opa is overleden. Dan: ‘2017. Duizend procent. Het staat op mijn been, 2017.’

Moeder Diana liet dit jaar een fles Bacardi Lemon op haar onderbeen tatoeëren. Zelf zoekt hij nog een plekje voor diezelfde tattoo. Het wordt waarschijnlijk een miniatuurversie, want veel lege ruimte op zijn lijf is er niet meer. Zijn bovenbeen is gereserveerd voor de gezichten van de kinderen die hij hoopt te krijgen.

‘Het klinkt misschien arrogant, maar ik heb altijd gedacht dat Nederland mij op een dag zou kennen.’ Als hij daarover fantaseerde, met zijn ogen dicht, zag hij zichzelf in de Arena staan. Niet in een McDonald’s-filiaal aan de andere kant van het land, waar hij laatst na een optreden rustig een hapje dacht te gaan eten toen het personeel op hem af kwam rennen voor een foto. ‘Voor je het weet wil de hele McDonald’s selfies maken. Mensen trekken aan je alsof je een paspop bent. En je vreten wordt koud.’

Schipper: ‘Jongen jongen jongen, denk ik op zo’n moment, laat hem eerst eten, heb respect. Ik zei ooit dat ik het me niet kon voorstellen, dat je niet even een fotootje maakt met een fan. Wat een arrogante klootzak moest je dan zijn. Nu zijn we op dit punt en zie ik in hoe vreselijk het is.

‘Als je denkt aan beroemd worden, denk je niet aan de beveiliging die je nodig hebt om mee te lopen naar de auto, omdat je anders nooit op tijd weg komt voor het volgende optreden. We reden eerst rond in een auto met marthoogkamer.nl erop, maar die sticker heb ik eraf laten halen. Mensen rijden je echt van de snelweg af.’

Robert-Jan Schipper werkte veertien jaar lang als werkmeester in een gevangenis. ‘Ik ben opgeleid als sociaal-pedagogisch werker, vandaar dat dit werk mij ligt.’

Hoogkamer: ‘Je gaat mij niet met die criminelen vergelijken!’

Schipper: ‘Wat je nodig hebt, is geduld. Met hem valt niet te werken. Alleen mij lukt dat.’

Hoogkamer: ‘Met hem valt ook niet te werken.’

Schipper: ‘Ik meen het serieus.’

Hoogkamer: ‘Ik meen het ook serieus.’

Schipper: ‘Wij zijn samen één.’

Hoogkamer: ‘Ik had van de week een opname voor het programma Onmogelijke duetten, en toen kon Rob voor het eerst niet mee.’

Schipper: ‘Ik was ziek.’

Hoogkamer: ‘Dan gaat het ineens toch op werk lijken, omdat ik hem niet om me heen heb. Ik voel me niet op mijn gemak. Met Rob erbij hoef ik me nergens druk om te maken.’

Schipper: ‘Hij zoekt mij ook op als hij staat te zingen op het podium. Hij moet mij zien. Dat is ook zoiets trouwens: mensen gooien tegenwoordig telefoons naar het podium. Gewoon vanuit de zaal, op zijn borstkas. In de hoop dat hij een foto maakt.’

Hoogkamer: ‘Een splinternieuwe iPhone hè!’

Schipper: ‘Het moet niet gekker worden.’

Hoogkamer: ‘Rob heeft in een korte tijd de verantwoordelijkheid op zich genomen die mijn ouders niet konden bieden, snap je wat ik bedoel? Kijk, eigenlijk had mijn vader dit moeten doen.’ Knikt naar Robert-Jan: ‘Dat vindt hij.’

Mart Hoogkamer Beeld Marie Wanders
Mart HoogkamerBeeld Marie Wanders

Schipper: ‘Dat vind ik ja. Tuurlijk.’

Hoogkamer: ‘Maar mijn vader is Robert-Jan juist eeuwig dankbaar. Hij had dit nooit kunnen handelen. Ik zou elke dag ruzie met hem hebben.’

Schipper: ‘Dat weet ik natuurlijk ook. Ik heb alles meegemaakt met hem en zijn vader. Hou op, dat gaat niet. Toen wij elkaar net kenden, sliep Mart bij ons op de bank als hij problemen thuis had, of als hij ruzie had met een vriendinnetje.’

Hoogkamer: ‘Dat soort dingen vertelde ik thuis niet. Ik wilde de sfeer goed houden. Bij Rob kreeg ik een lekker dekentje, een kussentje, en ’s ochtends kwam Robs vrouw een broodje knakworst brengen.

‘Rob heeft controle. Op het stressvlak heb ik wel wat van mijn vader weg, ik kan ook ineens uitbarsten.’

Schipper: ‘Dat is niet al te best hoor, die kant van hem. Maar dat zijn ook de genen, dat kan ik hem niet kwalijk nemen. Ik zie aan zijn gezicht of het wel of niet de dag is om hem bepaalde dingen te vragen. Ik ken al zijn blikken, al zijn stemmingen.’

Hoogkamer: ‘Ik had nooit verwacht dat ik iemand als Rob in mijn leven zou treffen. Iemand die mij zo goed begrijpt, tegen wie ik altijd eerlijk kan zijn.’

Toch hield hij zich in eerste instantie stil toen hij zich rond de première van de documentaire niet goed voelde. Het begon met slecht eten, de halve nacht wakker liggen. ‘Uiteindelijk raakte ik verzwakt. Ik gaf veel over. Alles was beurs. Mijn hele lichaam deed pijn. Ik had gelukkig geen corona, maar wel een dubbele longontsteking.’

Het was overduidelijk niet alleen een fysieke aangelegenheid. De druk was te hoog, het oude gevoel van ‘moeten’ stak de kop op. ‘Opeens wil iedereen je hebben, en ik wilde alles aanpakken. Maar vier, vijf optredens op een avond, dat kan gewoon niet, hoe graag ik ook op de bühne sta.

‘Mij overkomt dit niet, denk je. Ik voelde me fit en scherp, maar dan kun je blijkbaar nog steeds vol met je neus tegen de deur lopen. En toen dat eenmaal was gebeurd, kwam alles eruit. Alles was in één keer te veel.’

Een blik op Schipper: ‘Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat denkt die man voor mij, werkt hij voor mij, is hij bezig met mij. Ik dacht over mezelf: wat loop je nou te trutten joh? Uiteindelijk trok Rob de stekkers eruit. Hij zei: ‘Ik wil niet dat jij met een burn-out komt te zitten, of dat je stemproblemen krijgt. We doen dit om een langdurige carrière op te bouwen, niet om drie jaar onze zakken te vullen. Weet je hoe fijn dat is, als je dat te horen krijgt? Ik had die bevestiging nodig om verder te kunnen.’

Mart Hoogkamer Beeld Marie Wanders
Mart HoogkamerBeeld Marie Wanders

Maar ja, zegt hij, die jongen die op dat moment tegen beter weten in door probeert te beuken, moet je ook begrijpen: ‘Je wilt gaan, omdat je nu eenmaal in die stroomversnelling zit, omdat dit is wat je wilde, omdat je weet dat succes niet komt aanwaaien. Omdat je het goed wilt doen voor de mensen om je heen.’

De laatste tijd komt Hoogkamer nog maar weinig bij Robert-Jan en zijn vrouw over de vloer. ‘Ik ben graag hier. Dat is misschien wel de grootste verandering. Sinds ik succes heb, wil ik het liefst thuis zijn, helemaal alleen. Stom hè?

‘Ik vind het gek, omdat ik juist altijd een druktemaker ben geweest die graag tussen de mensen staat. Ik wilde altijd de aandacht. Maar nu... stel, zijn broer is morgen jarig. Als ik niet bekend was, zou ik lekker naar die verjaardag gaan, zong ik een liedje, deed ik een drankje, was het feest. Nu zeg ik: ‘Sorry Rob, ik blijf thuis.’ Ik wil er wel graag naartoe, maar iedereen wil wat van je, dat is gewoon hoe het tegenwoordig is. En ik heb daar geen zin in. Ja, ik heb daar zin in als ik aan het werk ben. Maar niet in mijn vrije tijd.’

In Van vader op zoon beschrijft vader Hoogkamer hoe op een gegeven moment zijn bekendheid wegviel, dat mensen op straat langzaam maar zeker minder op hem reageerden. Een ‘hard gelag’, noemt hij het in de film. ‘En dan zijn ze je ook zo vergeten, dat is gewoon zo.’

Het lijkt de jonge Mart Hoogkamer verschrikkelijk. ‘Mentaal is het raar’, zegt hij. ‘Bekend zijn is soms heel erg kut, maar tegelijkertijd is die bekendheid kwijtraken mijn grootste angst. Ik kan niet meer terug, en ik wil ook niet meer terug. Nu wil ik de grootste worden ook.’

CV Mart Hoogkamer

5 mei 1998 Geboren in Leiden.
2008 Te zien in Kinderen zingen met sterren (SBS 6).
2016 Doet mee aan Holland’s Got Talent, single Lachen, beetje huilen met Willeke Alberti.
2017 Solosingle In mijn droom.
2018 Deelnemer Topper gezocht! (SBS 6, 2de plaats).
2021 Zomerhit Ik ga zwemmen, documentaire Van vader op zoon, kondigt concerten aan in Ahoy op 8 en 9 april 2022.

Mart Hoogkamer heeft een relatie en woont in Leiden.

Meer over