Die ene meldingDigitaal wijkagent Charlotte Aalbers

‘Ik had me zo menselijk, kwetsbaar opgesteld, dat ik mijn veiligheid vergat’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak ingrijpend heeft veranderd. Digitaal wijkagent Charlotte Aalbers (30) werd als aspirant bedreigd en vernederd.

Wil Thijssen
null Beeld Anne Stooker
Beeld Anne Stooker

‘Een moeder belde 112 omdat ze haar drugsverslaafde zoon niet wakker kreeg. Met twee dienstauto’s plus een ambulance reden we erheen. Ik zat nog op de Politieacademie en vond het bij de voordeur al heftig. Die moeder wilde de politie niet binnenlaten, ‘want mijn zoon haat jullie’. Maar de ambulancemedewerkers zeiden: ‘Zonder hen gaan we niet naar binnen.’

‘De verslaafde, ik noem hem Kees, woonde op zolder. Wij gingen met z’n zessen met een brancard over een steil trapje door een zolderluik naar boven. Daar lag een grote dertiger op bed kneiterhard te snurken.

‘Zijn moeder zei nog: ‘Het gaat niet goed met Kees. Hij heeft zich vrijwillig aangemeld bij een verslavingskliniek, maar één dag voor de opname belden ze: we hebben geen plek, het wordt later.’ Ik weet van dichtbij hoe knap het is als een verslaafde zelf hulp zoekt en naar zo’n moment toeleeft. En dan laat de verslavingszorg je vallen. Dat moet een klap zijn geweest.

‘Kees reageerde niet op pijnprikkels van de ambulancemedewerkers. ‘We spuiten hem wakker’, zeiden ze, en ze zetten die injectie sneller dan wij verwachtten – niet handig als iemand de politie haat en wakker wordt met vier agenten om hem heen. Het snurken stopte, hij werd met de seconde beweeglijker. Gehaast tilden we hem met z’n zessen op de plank-brancard op de grond. Knielend hield ik zijn ledematen vast terwijl collega’s hem aan de brancard vastbonden. Kees spande zijn spieren, duwde zijn borstkas omhoog en schreeuwde: ‘Laat me los, klootzakken!’

‘Hij werd hysterisch. Het was heel zwaar en lastig hem naar beneden te krijgen. We hielden elkaar vast, de trap had geen leuningen. Voordat we hem in de ambulance schoven, zei hij: ‘Als ik weer vrij ben, schiet ik jullie met een semiautomatisch wapen door jullie kankerkoppen.’

‘Een van ons belde de kliniek, die zou Kees toch opnemen. Mijn collega Davey en ik moesten hem in de ambulance begeleiden. Omdat Kees schuimbekte van woede zei Davey: ‘Jij bent student, rijd maar achter ons aan.’

‘We moesten de hele A15 af over de vluchtstrook wegens file, en ineens meldde Davey zich: ‘Je moet komen, nu!’ Ik stopte en ging in de ambulance achter het hoofd van de tierende Kees zitten. Ik hield zijn bonkende hoofd vast en zei: ‘We gaan je helpen, we brengen je naar de verslavingskliniek’, en streelde zijn haar. Hij huilde: ‘Je weet niet wat ik allemaal heb meegemaakt.’ ‘Vertel maar’, zei ik, terwijl ik zijn gezicht aaide. Hij was ooit gearresteerd en gewelddadig geboeid. ‘Als dat zo is gegaan, is dat heel erg voor jou’, bevestigde ik. Hij ontspande en ik dacht: dit gaat goed.

‘Ineens haalde hij diep adem, rochelde en blies een grote kledder snot uit zijn neus, die op zijn wangen belandde vermengd met bloed, want hij snoof drugs. Hij gooide zijn hoofd met een ruk naar achteren en lanceerde al dat snot en bloed in mijn gezicht en spuugde erachteraan.

‘Ik heb bij de politie veel smerigs gezien, maar dit is echt het allersmerigst. Het is ultiem vernederend. Ik dacht: we hadden een goed gesprek, wat maak je me nou? Hij werd extreem wild, we moesten hem met drie man vasthouden.

‘Bij de kliniek wilden ze zo’n agressieve man niet opnemen. Davey werd kwaad en daarna reden ze Kees toch met brancard en al naar binnen. Pas op de terugweg had ik tijd om mijn gezicht af te vegen. Ik gruwelde. Davey belde voor mij het Prikpunt, waar je onderzocht wordt als je met bloed, zweet of speeksel in contact bent geweest. Hij zei: ‘Ze vragen of je snot of bloed proefde of in je ogen voelde prikken?’

‘Ik had geen idee, alles ging te snel. Daardoor vond het Prikpunt onderzoek niet nodig. Ik was verbijsterd. Terug op het bureau deden we schriftelijk verslag en eindigde mijn dienst, die ’s ochtends om 7 uur was begonnen, na middernacht. Ik had de verjaardag van mijn moeder gemist. Diezelfde nacht was Kees uit de kliniek weggelopen. Alle moeite voor niks.

‘Na een paar dagen zei een collega: ‘Die verslaafde heeft twee klachten tegen jou ingediend.’ Ik las ze en moest ineens heel hard huilen, mijn tranen vielen op het papier. Kees schreef dat we zijn leven hadden verwoest en een stukje van zijn ziel hadden afgenomen. Ik kon dat totaal niet begrijpen, ik probeerde juist een band met hem op te bouwen omdat ik zijn gevecht tegen de verslaving goed begreep.

‘Ik heb hier twee dingen van geleerd: een incident, al lijkt het nog zo klein – een onwelwording – kan ongelofelijk veel effect hebben op je privéleven. Ik wist wekenlang niet of ik een ziekte had opgelopen, en durfde mijn vriend en familie geen kus te geven. En ik ben minder naïef. Ik had me zo menselijk, kwetsbaar opgesteld, dat ik mijn veiligheid vergat. Dat doe ik dus nooit meer.’

Meer over