interviewJos Wessels (100 jaar)

‘Ik haal levensvreugde uit liefdesliedjes met tedere teksten’

Jos Wessels is evenals de Volkskrant 100 jaar. Hoe kijkt deze veteraan uit de Tweede Wereldoorlog aan tegen de eeuw die achter hem ligt en hoe ziet hij het huidige tijdsgewricht?

Marjon Bolwijn
Jos Wessels: ‘Als er weer eens kommer en kwel is op televisie, zet ik het toestel gauw uit en draai ik tedere muziekklanken.’ Beeld Aurélie Geurts
Jos Wessels: ‘Als er weer eens kommer en kwel is op televisie, zet ik het toestel gauw uit en draai ik tedere muziekklanken.’Beeld Aurélie Geurts

Jos Wessels moest 100 jaar worden om de onderscheiding te krijgen die hij al tientallen jaren eerder had moeten ontvangen: het Ereteken van Orde en Vrede voor oud-KNIL-militairen, die in Nederlands-Indië hebben gediend. Hij was over het hoofd gezien en tot op de dag van vandaag is het hem een raadsel wie dat heeft ontdekt.

In ieder geval leverde het een bijzondere verjaardag op, op 1 april dit jaar. Twee militairen in een hem bekend tenue stonden te salueren voor zijn huis in Zeewolde. Een Amerikaanse Dodge vervoerde de veteraan naar het gemeentehuis, voor de plechtigheid waarbij hij in aanwezigheid van een delegatie van het ministerie van Defensie een medaille kreeg opgespeld.

De 100-jarige heeft zich in zijn rijtjeswoning omringd met foto’s van familie en vrienden. Hij groeide op in het voormalige Nederlands-Indië, dat hij op zijn 42ste verruilde voor Nederland. Hij woont nog zelfstandig, kookt zijn eigen potje – gekruid met sambal oelek – en luistert graag naar liefdesliedjes. Zijn steun en toeverlaat is Renate, de huishoudelijke hulp die drie keer in de week komt. Zij staat ook garant voor zijn wekelijkse uitje: woensdagmiddag om 1 uur duwt ze hem in zijn rolstoel naar Bakker Bart in het winkelcentrum een paar straten verderop. Daar eten ze een broodje en drinkt Wessels een Hollands Glorie: koffie met karamel en een stroopwafel.

Wat is uw dierbaarste jeugdherinnering?

‘Ik was een heel bescheiden jongen en bang om een blauwtje te lopen. Na schooltijd zat ik vaak buiten op een bankje mijn huiswerk voor de hbs te maken. Op een dag zag ik op dat bankje een briefje liggen. Er stond geschreven: ‘Wie is die jongen die altijd op mijn bankje zit?’ Dat was de gelukkigste dag van mijn leven, want het was de eerste keer dat een meisje belangstelling voor mij had. Ik weet haar naam nog: Lies Tysonsk, een Poolse. Het was haar bankje. Ik heb haar nooit meer gezien. Want kort daarna brak de oorlog uit. Ik heb jaren moeten vechten, vechten, vechten.’

U diende niet vrijwillig in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), in het toenmalige Nederlands-Indië?

‘Oh nee, ik moest verplicht in dienst. Niet veel later brak de oorlog uit, na de capitulatie 8 maart 1942 zat ik 3,5 jaar in krijgsgevangenschap bij de Jappen. We werden als sardientjes in een blikje op een schip naar Thailand vervoerd, waar we in de jungle als dwangarbeiders aan de Birma-spoorlijn moesten werken. Het was er zo heet, dat ik een keer ’s nachts besloot mijn matje buiten de barak van bamboe neer te leggen. Een paar uur later werd ik weer wakker, nu niet van de hitte, maar omdat witte mieren mijn matje hadden opgegeten.’

Ongeveer honderdduizend dwangarbeiders zijn tijdens hun werk aan de spoorlijn gestorven aan ziektes en uitputting, u bent er nog. Wat is uw geheim?

‘Moet ik nog meer over de oorlog vertellen, nee toch? Ik ben gelukkig niet zoveel bezig met die tijd, droom er ook niet over. Dat ik de dwangarbeid heb overleefd is een kwestie van geluk, misschien heb ik bescherming gehad van hogerhand. Het was zwaar werk, in moeilijke omstandigheden. Eerst moest ik zand scheppen voor het talud van de spoorlijn, en bomen kappen voor de dwarsbalken. Later moest ik met een hamer van vijf kilo krammen in de houten reling voor een brug slaan, staand op dwarsbalken, hoog boven de rivier.

‘Tijdens een van de bombardementen van de Amerikanen besloot ik met mijn hamer in de hand de rivier in te springen. Ik ging met de stroom mee en wist verderop op de kant te klimmen. Ik zat onder het rivierzand, tot in mijn ogen, maar dacht: ik ben er tenminste nog. Een andere keer dook ik in een krater van een eerder bombardement. Bij artilleriebeschietingen wist ik mij in veiligheid te brengen achter een oude boom. Ik ben telkens aan de dood ontsnapt. Na afloop van de oorlog moest ik, zwaar vermagerd, meteen weer in dienst van de KNIL om tegen de terroristen vechten.’

U bedoelt de Indonesiërs die streden voor onafhankelijkheid, tegen de Nederlandse kolonisator?

‘Ze hebben verschrikkelijke dingen gedaan, gemoord en verkracht. Beel (toenmalige premier, red.) en Schermerhorn (voorzitter van de Commissie-Generaal voor Nederlands-Indië, red.) wilden af van Nederlands-Indië. Na 400 jaar. Nu nog zie je in Indonesië wat de Nederlanders voor het land hebben gedaan: de infrastructuur en irrigatiewerken zijn dankzij Nederland aangelegd. Zo’n mooi land, ze hebben er wel vijf soorten mango’s, om maar iets te noemen.’

Het klinkt alsof u betreurt dat Indonesië niet meer bij Nederland hoort.

‘Ik vond het jammer ja. Ik ben er geboren. Ik had er graag willen blijven wonen. Maar dan was ik waarschijnlijk geen 100 jaar geworden. Overdag is het er 32 graden, in de nacht 24. Toen ik in 1963 naar Nederland kwam, zat niemand op mij te wachten. Er was geen instantie die Nederlanders uit Indië opving. Donkere mensen zagen ze liever niet. Ik draag nog altijd een witte melati (Indische jasmijn, red.) op mijn jas, zodat te zien is dat ik uit Nederlands-Indië kom.’

Was het lastig hier een nieuw bestaan op te bouwen?

‘Gelukkig kon ik in het begin bij een tante en oom in Den Haag inwonen. Het was in die tijd heel moeilijk om aan woonruimte te komen. Ik ging aan de slag bij de Koninklijke Nederlandse Stoombootmaatschappij. Ik deed de acquisitie en het afhandelen van vracht van kleine rederijen uit Noorwegen, die via de overslag in de Amsterdamse haven naar Zuid-Amerika voeren. Later ging ik werken bij een pakketvaartmaatschappij. Zodra ik met pensioen kon ben ik met mijn vrouw in Frankrijk gaan wonen, 30 jaar lang, in een zelfontworpen huis in Campagnac les Quercy. Vandaag kreeg ik nog een brief van vrienden daar.’

Jos Wessels samen met zijn geliefde Elvira op de foto in Nieuw Guinea rond 1960. In 1962 zijn ze getrouwd. Beeld Aurélie Geurts
Jos Wessels samen met zijn geliefde Elvira op de foto in Nieuw Guinea rond 1960. In 1962 zijn ze getrouwd.Beeld Aurélie Geurts

Wie was de liefde van uw leven?

‘Elvira Maria Jongeling. Ik heb haar in Hollandia, in Nieuw-Guinea ontmoet. Ik was toen nog getrouwd met mijn eerste vrouw. Mijn eerste vrouw was stinkend jaloers op mijn broer, omdat die kinderen had en wij die niet konden krijgen. Ze wilde mij helemaal bezitten en dat moet je niet doen bij een ram, want een ram heeft vrijheid nodig. Het kwam tot een breuk. Ik moest haar pijn doen. Elvira begreep mij. Jaren later is zij van haar man gescheiden en zijn wij getrouwd, ze had vier kinderen, drie dochters en een zoon.’

Wie is momenteel de belangrijkste persoon in uw leven?

Jos Wessels kijkt opzij en wijst naar Renate, zijn huishoudelijke hulp. ‘Zij en alle andere verzorgers in mijn leven. In de ochtend komt iemand mijn steunkousen aandoen. Renate doet de boodschappen, gaat wekelijks met mij naar Bakker Bart en helpt mij met mijn betalingen. Ik probeer het eerst zelf, op de computer een rekening te betalen. Maar ik krijg het meestal niet voor elkaar: voordat ik alles heb ingevuld, kan ik het al niet meer versturen, het moet kennelijk sneller. Dus Renate helpt mij met invullen.’

Hoe kijkt u aan tegen het huidige tijdsgewricht?

‘Momenteel is het een grote rotzooi in de wereld. Staatslieden zoeken allerlei middelen om de wereld te beheersen, wat ze niet gaat lukken. Ook binnen de katholieke kerk is wangedrag: kardinalen en priesters zijn in de fout gegaan. De mensheid is ontevreden. Dat is meestal een slecht teken. Als het de verkeerde kant opgaat met de mensheid grijpt de natuur op een gegeven moment in. Dat is nu gaande, maar dat wil de mens niet inzien.’

Hij verplaatst een stapel veteranentijdschriften op tafel, onderop ligt een boek met een rood lederen kaft dat hij omhooghoudt. ‘Openbaring’ staat er op, het laatste hoofdstuk uit het Nieuwe Testament, waarin het einde der tijden wordt beschreven, en de terugkeer van Christus.

Bedoelt u dat we het einde der tijden naderen?

‘We gaan de richting op zoals het in de Openbaringen staat beschreven. We hebben de laatste tijd te maken met stormen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en andere natuurrampen. En corona niet te vergeten. Dat zijn waarschuwingen van een hogere macht hierboven, dat de mens zich niet goed gedraagt. Eens zal de wereld vergaan zoals zij er nu uitziet. Onze lieve heer probeert dan een nieuwe wereld te scheppen waarin de dood niet meer bestaat.’

Waar haalt u nog levensvreugde uit?

‘Uit muziek. Ik heb over de honderd cd’s. Ik luister veel naar ballads, liefdesliedjes met tedere teksten. Van Frank Sinatra, Tony Bennett, Sarah Vaughan, Ella Fitzgerald, noem maar op. Ik hoor nog wel het ritme, maar de klankkleur is weg. Gelukkig herinner ik mij nog goed van vroeger hoe de liedjes klonken en waar we vroeger op dansten. Als er weer eens kommer en kwel is op televisie, zet ik het toestel gauw uit en draai ik tedere muziekklanken.’

U heeft het zo te horen nog wel naar uw zin?

‘O, ja. Ik heb nog genoeg te doen en heb allerlei plannen. Zo gaan Renate en ik nog een keer naar een restaurant in het bos in Hierden, waar ze heerlijk romige aspergesoep hebben en ik een pannenkoek met spek wil eten.’

En dan, ineens: ‘Wie vindt al deze verhalen van mij nu interessant?’

Naam: Jos Wessels
Geboren: 1 april 1921 in Batavia
Woont: zelfstandig, in Zeewolde
Familie: drie nichten, een neef, drie bonusdochters en een bonuszoon
Weduwnaar: sinds: 1996

Meer over