ColumnArnon Grunberg

Ik geloof alleen in mijn eigen teksten en zelfs dat met voorbehoud, want anders zou ik geen schrijver maar profeet zijn

null Beeld

De derde week van maart stond in het teken van gebedshuizen.

Ik begon bij zenboeddhisten, waar het lijden werd besproken en een koan (dialoog) over het wezen van de kat werd behandeld. De zenmeester was ontevreden over het dispuut van de monniken. Hij hield een kat omhoog en zei: ‘Geef mij het juiste antwoord of ik snijd deze kat in tweeën.’

Het juiste antwoord kwam niet, kat werd in tweeën gesneden.

Dat beviel mij. Aangezien alle wijsheid onvolmaakt is, liggen wreedheid en wijsheid in elkaars verlengde.

Een bevriende monnik van de zenmeester zette bij wijze van antwoord op de vraag een sandaal op zijn hoofd en liep daarmee door de ruimte. Hij had de kat kunnen redden.

Ook dat beviel mij. Je moet niet generaliseren, maar wij zetten te weinig sandalen op het hoofd.

Daarna ging ik naar de Blauwe Moskee in Amsterdam, want ik wil moslim worden. Niet dat ik in God geloof, ik geloof alleen in mijn eigen teksten en zelfs dat met voorbehoud, want anders zou ik geen schrijver maar profeet zijn, maar ik wil in dit tijdelijke leven zo veel mogelijk tijdelijk zijn.

Een lieve meneer van de EO sprak daar met mij over God en ik zei dat als Socrates zegt dat hij weet dat hij niets weet, we dicht bij God zijn.

Helaas weten we niet dat wij niets weten, we vieren onze onwetendheid, noemen die viering debat.

Vervolgens dacht ik aan vertalen, de doorgaans ondergewaardeerde vertaler stond eindelijk eens in de belangstelling. Merkwaardig dat de ingewikkelde maar mooie tekst van Walter Benjamin, ‘De taak van de vertaler’, nergens werd genoemd.

Benjamin stelt dat het gedicht niet voor de lezer is geschreven, dat het wezenlijke van de tekst niet is wat hij mededeelt.

Je kunt nauwelijks over vertalen spreken zonder deze tekst erbij te betrekken.

Meer over