‘Ik denk dat mijn vader een beetje op de vlucht was’

Taxichauffeur Eelco van der Woude (45) was net 15 toen zijn moeder hem meedeelde dat zijn vader niet meer thuis zou komen, omdat hij ‘anders geaard’ was....

‘Ik heb altijd een vaderfiguur gemist. Als ik aan mijn vader denk, denk ik aan de man die in de stoel zijn krant zat te lezen, twee pakjes Caballero zonder filter en een glas sherry erbij. Hij werkte bij de Rijksluchtvaartdienst maar had er ook nog een baantje bij, in het magazijn van het World Fashion Center. Ik denk dat hij een beetje op de vlucht was.

Elke week ging ik naar de kinderdisco van de kerk. Toen ik op een dag thuiskwam zat m’n zus op de bank te huilen. Mijn moeder zei: ‘Ga ’ns even zitten... Je vader komt niet meer thuis.’ Ik, net 15 jaar oud, wilde naar hem toe om verhaal te halen, maar dat had geen zin. Mijn vader bleek voorlopig rust te willen. Pas na een tijdje zochten mijn broer, mijn zus en ik hem eens in de twee weken op. Dan zaten we tegenover elkaar en probeerden we een gesprek aan te knopen, maar eigenlijk ging het nergens over. Dat was niet zo gek: toen hij nog thuis woonde had ik ook al geen band met hem. We deden nooit iets samen.

Wij zijn gereformeerd opgevoed. Dat mijn ouders uit elkaar gingen, in 1978, in dat gereformeerde milieu, was not done. Natuurlijk heb ik mijn moeder later gevraagd waarom mijn vader is weggegaan. Ze heeft me uitgelegd dat hij ‘anders geaard’ was. Maar tot op de dag van vandaag weet ik niet of ze daarmee bedoelde dat hij a- of homoseksueel was. Ik zat er ondertussen wel mee. Jezus, is dat erfelijk?, vroeg ik me af. Als ik een beweging maakte, was ik bang dat die verwijfd was. Als vriendjes ‘hé, mietje’ riepen, projecteerde ik dat op mezelf.

Mijn moeder deed er alles aan om ons goed op te voeden, maar ze had ook last van een schuldgevoel. Ik zocht bij haar steeds vaker de grens op, ik liep over haar heen. Ik had een schop onder m’n kont moeten hebben, maar die kreeg ik niet. Ook geen aai over m’n bol trouwens, hoe graag ik dat ook wilde.

Ik was voetbalgek en wist zeker dat ik profvoetballer zou worden. Maar terwijl de ouders van mijn vriendjes langs de lijn stonden, kwamen mijn ouders nooit opdagen. Nou ja, mijn moeder is één keer geweest, maar ze schrok toen zo van alle ‘godvers’ van mijn trainer dat ze eerder naar huis is gegaan. Tegen mijn vader heb ik lang moeten zeuren voordat hij een keertje kwam. Dat was voor mij heel bepalend, een ijkpunt – nu zou ik laten zien wat ik kon. Ik was middenvelder in het eerste van Vlug en Vaardig en tegen Aalsmeer scoorde ik die wedstrijd zés keer – dat had ik nog nooit gepresteerd. Trots als een pauw liep ik na afloop naar mijn vader, maar die zei alleen: ‘Je hebt ook nog een keer gescoord, hè?’ Hij was iemand van de kerk tegengekomen en had tijdens de wedstrijd aan de bar gestaan. Dat was zo’n gigantische teleurstelling dat ik op dat moment – ik was toen 18 – eigenlijk al wist dat onze vader-zoon-relatie voorbij was.

Het contact is sindsdien minimaal gebleven. Ik ging in militaire dienst, en daarna op mezelf wonen omdat ik thuis niet meer te handhaven was. Ik leefde toen zonder regels, werkte in de haven als controleur van scheepsladingen, en na het werk zocht ik in de stad de gezelligheid die ik thuis nooit had gekend. In het leven van mijn vader paste ik niet. We konden komen opdraven als er weer eens een feestje was, en dan voerden we een toneelstukje op. Toen mijn oom een keer vroeg hoe het met me ging, en ik blij was dat er eindelijk iets aan me werd gevraagd, was m’n vader me voor. Hij zei, waar iedereen bij stond, dat ik te veel in de kroeg kwam. Ik pakte m’n jas en ben weggegaan.

Er zijn meer aanvaringen geweest, zeker als hij weer eens over de familie van mijn moeder begon, en over wiens schuld het was geweest – ik was dat ouwekoeiengebeuren meer dan zat. Breekpunt was uiteindelijk wat er op de begrafenis van mijn oma gebeurde. Ik condoleerde mijn vader, wilde hem toen mijn nieuwe vriendin voorstellen, en hij draait zich zó weer om. Een ander was weer eens belangrijker, net als op het voetbalveld. Ik heb hem sindsdien niet meer gezien, ook niet toen hij heel ziek was. Waar ik toen wel mee zat, was dat hij mijn dochtertje, dat inmiddels 3 was, nog nooit had ontmoet. Ik heb toen een foto aan mijn zus meegegeven. Die heeft hij vlak voor z’n dood nog gezien.

Mijn moeder redt zich goed. Ze is alleen gebleven, ze is actief in de kerk en voor een patiëntenvereniging – dat drijft haar. Zelf heb ik een gelukkige relatie en ik probeer mijn dochtertje, anders dan mijn vader, te stimuleren in de dingen die ze leuk vindt. Naar elk gesprek met de juf op school ga ik mee, op zaterdag sta ik met haar op de Jaap Eden-baan om te schaatsen.

Ook in mijn werk ben ik gelukkig: sinds elf jaar zit ik op de taxi. Dat vak past helemaal bij me: ik leg snel contacten en het geeft me veel vrijheid. Mijn vader had geen gevoel voor auto’s. Het duurde lang voor hij zijn rijbewijs had. Ik herinner me nog dat we eindelijk onze eerste auto hadden thuis, een gele Simca 1100. Mijn vader start de auto om naar zijn werk te gaan, wij staan nieuwsgierig voor het raam, en hij geeft zóveel gas dat alle buren komen kijken wat er aan de hand is. Dat voelde voor mij als een afgang. Ik wist toen al: dit is niet de vader die ik gewenst heb. Ik wou dat ik iets anders kon zeggen, maar trots ben ik nooit op hem geweest.’

Meer over